31e jaargang nr. 4 (maart 2017)
thema: Liturgie als oefening voor het leven

J.H.F. Schaeffer
De vormende kracht van de gereformeerde eredienst

Elk van ons kan over belangrijke gebeurtenissen vertellen die diepe indruk maakten en waardoor we belangrijke lessen leerden. Volgens Wells is ons christelijke leven gebaseerd op de vormende kracht van praktijken. Liturgie is de belangrijkste christelijke oefening van ons karakter die ons handelen richting geeft.

Wat wij op een gegeven moment in een concrete situatie doen wordt bepaald door de vorming die ons in de jaren daaraan voorafgaand heeft geleerd om te handelen. In dit artikel vragen we ons af of dat ook echt zo is. Voordat we proberen een antwoord te zoeken op deze vraag, is het zinvol na te gaan waarom deze vraag gesteld wordt. Dat een mens – op z’n minst mede – gevormd wordt door wat hij of zij meemaakt hoeft geen betoog.

Ik herinner mij bijvoorbeeld dat ik op vakantie als kind ergens in het buitenland een heel mooi klein stenen potje kocht van mijn eigen zakgeld. Het dekseltje was ingelegd met een parelmoeren bloemetje en ik wilde het gebruiken om daarin mijn melktanden te bewaren. Ergens in het volgende schooljaar viel het potje echter en brak er van dit fraaie dekseltje een klein scherfje af. Ik was diep geschokt en verdrietig, waarop mijn moeder mij vertelde dat dit hoort bij het leven in een gebroken werkelijkheid. Mijn kinderverdriet werd serieus genomen en kreeg een plek in het Bijbelse verhaal van Gods goede schepping, de zondeval en de hoop op het herstel van alle dingen. Het beschadigde dekseltje werd zo in de rest van mijn leven een symbool van wat door de zonde in dit leven gebroken raakt. Het riep het verlangen wakker naar een wereld waarin alles wat mooi is ongeschonden is. Waar mensen kunnen genieten van wat God geeft. De interpretatie van zo’n ogenschijnlijk onbeduidend voorval vanuit het grote raamwerk van Gods betrokkenheid met zijn schepping, heeft mij vele jaren geholpen om verdriet en hoop naast elkaar te laten bestaan. De ruimte van Gods Koninkrijk is zo breed dat zij een gebroken schepping kan omvatten en deze met een diep verlangen naar vervulling en heelheid kan doortrekken.

Oefening
Zulke vormende ervaringen zijn in de visie van Wells wezenlijk voor christelijk leven. Wells geeft hierbij – zoals in het artikel van Hendrik Mosterd uitgebreid beschreven – veel aandacht aan de liturgie als centrale kernpraktijk van het christelijk geloof. De nadruk op vormende praktijken voor christelijk leven is een reactie die Wells als ethicus formuleert tegenover gebruikelijke invullingen van wat ethiek is. Doorgaans is ethiek: proberen voor concrete morele dilemma’s min of meer algemeen geldige gedragsaanwijzingen te geven. Nee, zegt Wells, wie pas gaat nadenken over wat er gedaan moet worden als je voor zo’n dilemma staat komt te laat. Het begint allemaal veel eerder. Het komt aan op die fases in je leven waarin je getraind wordt in een bepaalde manier van leven. Eerst moet langdurige oefening in christelijk leven geboden worden, zodat als het er op aan komt je als het ware van uit een tweede natuur je keuzes maakt. Hopelijk liggen die keuzes dan in lijn met wat je gedurende de lange jaren van oefening hebt geleerd.

Deze benadering van de ethiek heeft grote verwantschap met de zgn. deugdethiek. Eerlijk gezegd voel ik veel voor deze benadering. Ook in Kontekstueel is hieraan aandacht besteed, bv. in 25/1 (2010) in een nummer over Stanley Hauerwas. Deze benadering geeft aan dat geloof niet alleen gericht is op concreet handelen, maar dat het leren geloven zelf ook ingebed is in concrete praktijken van kerk-zijn en gelovig-zijn. Je leert je christen-zijn niet uit boekjes – je leert het uit de praktijk van je (geloofs)opvoeding. Geloven is meer dan kennis over God, het is het leven met God en vanuit Hem ook met je naaste.

Wells stelt dat je zulk discipelschap – want daar gaat het eigenlijk over – allereerst en haast paradigmatisch aanleert in de liturgie, zoals al eerder in dit nummer aan bod is gekomen. Neem bijvoorbeeld de praktijk van het dopen. Daar verschijnen christenen naakt en nederig voor God, en zo leren we om met een bepaalde houding voor Gods aangezicht te komen ‘in de dood’. Ze ontwikkelen de vaardigheid om hun eigen zonde te benoemen, om te identificeren hoe zij deel hebben aan de menselijke en wereldomspannende vrees en eindigheid etc. (Improvisation, 83). Liturgische praktijken zijn vormend voor het karakter van christenen. Van daaruit leren christenen concrete keuzes te maken in hun leven: wat en wanneer geef ik weg van wat ik kreeg van God? Hoe laat ik in mijn leven mijn zondebesef een rol spelen in mijn zelfpresentatie? Hoe geef ik bescheidenheid, meeleven, rechtvaardigheid en hoop vorm in wat ik doe?

Werkt gereformeerde liturgie ook zo?
Gereformeerde liturgie beweegt zich over het algemeen in het spoor van Calvijn. Bij hem ontstond een visie op de kerkdienst die zich nadrukkelijk afzette tegen zowel zijn oude moederkerk, de Roomse kerk, als tegen de extreem protestantse doperse opvattingen over kerk-zijn. Het is belangrijk te beseffen dat deze begintijd van de Reformatie allereerst gezien moet worden als een hervorming van het kerk-zijn, inclusief de daarbij horende (liturgische) praktijken en dogmatische opvattingen. De focus van de hervorming lag bij het kerk-zijn in de brede zin, en bij alles wat aan deze hervorming zou bijdragen. De Reformatie is dus in afgeleide zin een dogmatische beweging. Wie let op het belang van bijvoorbeeld de (deels liturgische) boete-praktijk en Luthers reactie hierop, krijgt oog voor de manier waarop de reformatoren juist de intens (mis)vormende praktijken uit de Roomse traditie wilden aanpakken. De misstanden rond de praktijk van de mis en de deelname van de kerkgangers aan de erediensten in het algemeen waren tevens van groot belang bij de hervormingen die werden ingezet.

Het resultaat van deze Reformatie betekende voor de kerkdienst een aantal belangrijke zaken. Allereerst werd de preek centraal gezet, en niet de viering van de mis. Hoewel Calvijn zelf voor een wekelijks avondmaal was, ontstond een traditie waarin gemeenten vier tot zes keer per jaar Avondmaal vierden. Gemeentezang werd een belangrijk element, waarbij zowel Calvijn als Luther zich enorm inspanden om liederen te (laten) schrijven en muziek te vinden waarop deze liederen gezongen konden worden. Niet alleen de priester ‘deed’ de dienst, maar protestantse kerkdiensten zijn bedoeld om de hele gemeente actief te betrekken.

Wanneer we nog verder teruggaan in de geschiedenis komen we bij het brongebied van de christelijke liturgie: de oude kerk. In de wereld van het Nieuwe Testament betekent het woord ‘liturgie’ allereerst ‘publieke werken’. De eerste gebruikers dachten eerder aan de belastingdienst dan aan een kerkdienst. Het is de publieke vormgeving van het dienen van God: zo willen wij onze God vereren, aanbidden. Wij willen vieren dat het heil in Christus verschenen onze levens verandert en van de afgoden richt op de enige God en Heer, Hij die alles gemaakt heeft en onderhoudt en tot zijn bestemming brengt. Liturgie was – zoals het hele christelijk geloof en alle religies – veel meer en veel intenser verbonden met het publieke leven. Het onderscheid dat pas in de negentiende eeuw beeldbepalend werd tussen privé en publiek speelde bij geloof en liturgie veel minder een rol. De ethicus Bernd Wannenwetsch heeft veel geschreven rond deze publieke kant van liturgie. Met name zijn boek over Political Worship (2004) geeft aan hoezeer de liturgie in haar vormende kracht het geleefde geloof van christenen kan beïnvloeden.

Publiek en privé – kerkdienst als expressie van geloof
Helaas is er nog maar weinig onderzoek gedaan naar de praktijk van de vormende kracht van liturgie. Mijn vermoeden is dat dit verschillende oorzaken heeft, waarvan de voornaamste precies het onderscheid tussen publiek en privé betreft. Zoals Charles Taylor in zijn boeken uitvoerig heeft beschreven is het geloof in God in onze cultuur een privé-optie geworden. Naast andere mogelijke bronnen en levenswijzen is ‘geloof’ en ‘religie’ iets waarvoor ik in de loop van de tijd kan kiezen. Als het mij helpt om mij goed te voelen gebruik ik de liturgie, gebruik ik de geloofsgemeenschap. Zo niet, dan kies ik gemakkelijk ook andere groepen en rituelen om mijzelf in balans te brengen.

Kerken zijn vaak ongemerkt met deze beleving en opvatting van liturgie meegegaan, en theologische reflectie eveneens. Liturgie wordt dan vooral gezien als een expressie van het geloof. In de zondagse eredienst geven we uiting aan het geloof zoals we dat in de loop van de tijd ons hebben eigen gemaakt. De eredienst kan daarbij verschillende invullingen krijgen.

Zo is het denkbaar dat vooral een traditioneel-cognitieve invulling domineert. Dan ligt de nadruk op het opnieuw onder woorden brengen in preek en lied van belangrijke geloofswaarheden die ons vanuit de traditie zijn aangereikt. Deze worden vervolgens naast andere ‘waarheden’ vanuit cultuur, politiek, kunst of wetenschap geplaatst, met elkaar vergeleken, om uiteindelijk af te sluiten met een herhaling van de waarde die christelijke geloofsinhouden te bieden hebben boven die uit andere gebieden van ons leven. Zo kan de boodschap van ‘kerst’ naast die van een consumentistisch-sentimenteel gevoel van solidariteit en geborgenheid geplaatst worden, waarbij de theologische diepte van de menswording van Gods Zoon nadrukkelijk in beeld komt. Hetzij als verdiepende basis onder intermenselijke solidariteit, hetzij om antithetisch met name de diepte van de menselijke schuld en het wonder van de verzoening te benadrukken. Deze liturgische praktijk is diep vormend gebleken: generaties gelovigen zijn hierdoor in staat geweest concreet met buren of collega’s gesprekken te hebben over de beleving van kerst. De liturgie gaf in haar expressie vorm aan een (her)beleving van de waarheid van het evangelie, en bood ruimte voor een hernieuwde toewijding aan Gods genade in Christus.

Liturgie als expressie kan echter ook beleefd worden in meer evangelicaal-orthodoxe zin. De dienst begint dan bijvoorbeeld met een blokje aanbiddingsliederen waarin de gelovigen worden meegenomen in de eerbied voor onze Verlosser en Heiland. Vanuit een diversiteit aan concrete situaties waarin de gelovigen verkeren worden zij verenigd in de aanbidding, en geven ze hieraan ook uiting in lied en gebed. Ze worden als het ware opgetild uit de soms moeizame realiteit en leren de grootheid van God onder woorden te brengen.

In beide gevallen is het begrip ‘expressie’ belangrijk. Dat heeft te maken met de theologische visie op de verzamelde gemeente. Of je nu de gemeente als verbondsgemeenschap beschouwt (Calvijn) of – meer in de doperse traditie – als verzameling van gelovigen, in beide opvattingen wordt de liturgie uitgevoerd en voltrokken door de gelovige gemeente. Er is al een geloof, waarvan de kerkdienst de uitingsvorm is. Zowel in aanbidding, lofprijzing en gebed, als in de manier waarop de gemeente wordt aangesproken. Zelfs wanneer men in kerkdiensten uitgaat van een onbekeerde gemeente, waarin slechts een enkeling Gods genade heeft ervaren en aanvaard – dan nog wordt met name de eigen onmacht tegenover Gods overmacht verondersteld en komt deze in liederen en gebed, alsook in de prediking, tot uitdrukking.

Liturgie als verbondsvernieuwing
Recent sprak de Amerikaanse gereformeerde John Witvliet in Nederland. Hij is verbonden aan het Calvin Institute for Christian Worship. Hij pleitte voor het gebruik van een tweeslag: expression en formation. Hiermee geeft hij aan dat dat christenen steeds opnieuw het verbond met God moeten hernieuwen. Het verbond is niet statisch, maar vraagt om steeds hernieuwde toewijding van onze kant op basis van de steeds hernieuwde toezegging van Gods kant.

Gereformeerde bezinning op de liturgie kan van deze invalshoek veel leren. Ze sluit enerzijds aan bij diepe theologische verbondsnoties, en geeft tegelijk de vormende kracht van de liturgie de ruimte. Daarbij helpt het wanneer liturgie door de voorgangers nadrukkelijk als een performatieve gebeurtenis wordt opgevat. Gerrit Immink heeft hier in zijn boek Het heilige gebeurt (2011) uitgebreid aandacht aan besteed. Kerkgangers en voorganger, musici en voorlezers, zijn niet alleen uitvoerders van een ritueel of geven uiting aan hun al aanwezige geloof. Ze zijn evenzeer – en vaak tegelijkertijd – gelovigen die deelnemen aan een praktijk waardoor, al doende, hun eigen geloof verandert: het wordt versterkt, onder kritiek gesteld, verdiept, in verbinding met God en de naaste gebracht. Witvliet omschrijft het ergens zo: ‘In de eredienst zijn we niet alleen onderdeel van de gemeenschappelijke verbondsvernieuwing als uiting van geloof (expression). We worden door de eredienst ook zo gevormd dat we leren te denken, voelen en we dragen emoties, ideeën en ervaringen over waardoor we worden meegenomen in een proces van doorgaande heiliging’.

Lang niet alle kerkgangers beleven de liturgie als vormend. Wanneer we de vormende kracht van de liturgie werkelijk tot bloei willen brengen betekent dit een (bij)scholingsopdracht voor voorgangers, musici en liturgie-commissies. De eredienst is zoveel meer dan het afwerken van een orde van dienst. De boeken van James K.A. Smith (Desiring the Kingdom uit 2009) en een handboek ethiek onder redactie van Samuel Wells en Stanley Hauerwas (2006) geven boeiende concretiseringen van deze zienswijze voor de verschillende onderdelen van een gereformeerde kerkdienst. Het loont de moeite om bijvoorbeeld de lezing van de wet of de zegen, waarmee we vanuit de dienst het leven in gaan opnieuw te doordenken en te zoeken naar een adequate vormgeving.

Gereformeerde liturgie, kortom, kan volop de formatieve werking van de liturgie beamen. Ze biedt voldoende aanknopingspunten voor verdere doordenking en invulling. Juist waar kerken in een situatie van krimp nadenken over hun positie en waarde, liggen in de liturgie rijke schatten klaar om te worden uitgedeeld, beleefd en belichaamd. Geloof is immers geen beperkte religieuze privé-ervaring maar is de viering van het heil om in Gods dienst het leven aan te kunnen. Laat het denken van Wells een aansporing mogen zijn om deze vormende kracht van de viering te herontdekken en vorm te geven in onze erediensten. Dan kunnen gelovigen hun hele leven, inclusief lijden, verdriet, zorg, maar evengoed geluk en voorspoed, leren beleven in het grote kader van Gods grote daden in de geschiedenis. Dan wordt ons leven opgetild en meegenomen in Gods grote verhaal met deze wereld. Dan leer ik van zondag tot zondag mijn leven te stellen onder Gods woord en verwacht ik van Hem de genade die dit leven leefbaar maakt.

Dr. Hans Schaeffer is universitair hoofddocent Praktische Theologie aan de TU Kampen en hoofd onderzoek Praktijkcentrum en hij is redacteur van dit blad. Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.


 

Afdrukken