31e jaargang nr. 4 (maart 2017)
thema: Liturgie als oefening voor het leven

E. van ’t Slot
Een nieuw lied leren
Trainen in oncomfortabel christendom

Smaken verschillen, en niet iedereen wordt meteen enthousiast van het idee dat het in het Koninkrijk der hemelen één grote en voortdurende lofzang is. Aan sommigen dringt het beeld zich op van één eeuwige worship and praise-dienst, met veel Opwekkingsliederen, en daar worden ze niet blij van. Of juist wel. Anderen verwachten dat Bach, de grote Bach, de maat van de engelen mag slaan, de lieve lange dag (aldus Barnard) – en spelen die engelen dan Mozart (aldus Barth)? Maar wat nu als het beeld van een voortdurende lofzang niet alleen over zingende kelen maar vooral over zingende levens gaat? Hoe bereidt onze liturgie hier en nu ons voor op het Koninkrijk?

Het meest recente boek van Sam Wells dat op mijn bureau ligt heet: How then Shall we Live? De kerk, vindt Wells, of de kerkdienst, moet ons voorbereiden op ‘hoe te leven’, op kind-van-het-Koninkrijk-zijn middenin de wereld van alledag. De liturgie rust mensen toe voor een lofzingend leven, ook op de werkvloer, op de straat, in allerlei ontmoetingen, en thuis.

Dat is één kant van de liturgie als ‘voorbereiding op het Koninkrijk’. Maar voordat ik, gewapend met deze gedachte, de kerkdienst binnenwandel in de hoop een op mijn maat toegesneden toerusting te ontvangen voor mijn leven morgen is het belangrijk ook nog een andere dimensie van ‘liturgie als oefening’ in het oog te vatten. Daarvoor ga ik te rade bij Rowan Williams – en ik veronderstel dat Wells dit geen gekke beweging zou vinden. Williams beschrijft (in een lezing over ‘The Christian Priest Today’, gemakkelijk terug te vinden op internet) het gevaar dat we de kerk beschouwen als alleen maar de verzameling van gelijkgezinde individuen die samenkomen om hun geloof te vieren, te delen, en uit te delen. Voordat je het weet zit je dan vast aan een geloof dat zich afspeelt in je hoofd, op het vlak van individuele beslissingen. Als de kerk de plaats is waar God door Christus en de Geest mensen verandert naar het beeld dat Hij van ze heeft, dan wordt de kerk met haar liturgie ook een soort afspiegeling van het Koninkrijk. De kerk is dan geen club of vereniging, maar een landschap, een klimaat. Geen plek om van alles te organiseren (de liturgie bijvoorbeeld) maar een plek om te bewonen (opnieuw bijvoorbeeld de liturgie).

Voorbij het behaaglijke
Typerend voor landschappen is dat ze zich voor je ogen ontvouwen. Je vindt er van alles in, en er gebeurt van alles met je terwijl je erin vertoeft. Onafhankelijk van jou ligt het daar, met prachtige elementen die indruk op je maken en waar je geen genoeg van krijgt; en misschien ook met obstakels voor je oog die je er misschien zelf nooit in aangebracht zou hebben. Maar zo ligt het er, en zo wandel je erin rond. Steeds meer raak je er thuis.

Als ik op die manier naar de liturgie kijk, ga ik de oproep van de Psalmisten “Zing voor de Heer een nieuw lied” anders horen dan ik geneigd ben te doen. Het gaat er niet om dat ik steeds meer nieuwe woorden vind, en zing, voor God (de kwantitatieve benadering), maar vooral dat ik de nieuwe kwaliteit van de lofzang steeds beter ga proeven, dat ik leer om in haar eschatologische klank te wonen.

Wat betekent dat voor het gesprek over de liturgie? Ik wil hieronder zes in elkaar grijpende inzichten, of vragen, benoemen die in dat gesprek aan de orde zouden moeten komen. Ze komen allemaal op uit het basisinzicht dat het liturgische gesprek niet kan gaan over de vraag wat mij het beste ligt, wat ik het gemakkelijkste consumeer, welke show mij het meeste prikkelt. Dan blijf ik te dicht bij mijn eigen beslissingen en mijn eigen hoofd, of onderbuik. De vraag hoe de gemeente en ik in een nieuw landschap leren wonen, kan ons denk ik weghouden uit een eindeloze en heilloze discussie over genres, smaken en esthetische waarden. Wat zit ons dicht genoeg op de huid om ons te maken tot wie we in Gods ogen moeten zijn, en wat trekt de dekens van behaaglijkheid juist van ons af? Om het uit te werken in zes vragen: Wat helpt jou en ons om:

1. … te zijn waar en wie je bent?
De gedachte die Sam Wells de laatste jaren keer op keer herhaalt is dat het in het evangelie gaat om ‘being with’. Het gaat er niet om dat je van alles doet, al doe je het voor een ander, maar dat je er bent, bij de ander. God zelf is daar ook op gericht. ‘Ik ben erbij’, betekent zijn naam. En Jezus wordt ook wel ‘Immanuël’ genoemd. Daarom zullen zijn discipelen daar ook in moeten oefenen: in niet altijd in de actie-modus te schieten, te vluchten in acties, maar om bij anderen te zijn, ook en juist als die ander je vreemd is, je tegenstaat, zich onhebbelijk gedraagt enzovoorts.

Dat God zo onvoorwaardelijk bij ons wil zijn, heeft ook consequenties voor de liturgie. Vieringen mogen bijvoorbeeld geen religieuze vlucht worden: oases van mooie handelingen en fijne woorden en meeslepende liederen waarin ik me terugtrek, uit de wereld van alledag. Liturgie is niet het opkloppen van emoties die me even in een andere wereld lijken te trekken voor zolang als de viering duurt. Als God bij ons wil zijn in de liturgie, dan kunnen de liederen die ik zing en de gebeden die ik bid niet geïsoleerd in mijn leven staan, als deel van één of ander religieus compartiment van mijn leven. Dat zou een opgeklopte vroomheid worden die me verhindert te zien dat God werkelijk bij mij wil zijn. Nee, in de liturgie ontdek ik juist wie ik ben, niet zozeer in mijn meest verheven gevoelens, maar vooral in mijn minder fraaie neigingen. En in mijn wanhoop. Kanten van mezelf die ik zelf misschien minder snel met Gods Koninkrijk zou verbinden. Daar wandelt de liturgie niet lichtjes overheen. Hier gebeurt het wonder dat juist die kanten van mijzelf toch verbonden worden met dat Koninkrijk. En, aan de andere kant: wat er goed en mooi is aan mijzelf, wat waardevol is en bruikbaar, komt ook in het juiste licht te staan. Ik hoef het niet op te pimpen, omdat er al een genadig licht over schijnt. Juist in een liturgische setting leer ik dat te zien.

2. … te worden wie en waar je bent?
Tegelijkertijd is het de bedoeling dat de liturgie transformerend werkt. Juist waar God bij ons wil zijn in onze minst fijne kanten, en waar wij het daarom ook met elkaar en met onszelf uithouden en niet wegvluchten – juist daar weerspiegelt de liturgie de nieuwe werkelijkheid, het Koninkrijk dat over ons komt. Daar kunnen de zaken niet blijven zoals ze zijn. Daar ontstaat iets kwalitatief nieuws. Daar wordt deelname aan de liturgie tot het verkennen van een landschap. Dus in een gesprek over de liturgie zal de vraag aan de orde moeten komen: hoe kan de liturgie de gemeente vernieuwen (wat vanzelfsprekend een andere vraag is dan: hoe kan de gemeente de liturgie vernieuwen)? Brengt de liturgie je het nieuwe te binnen, zodat het je leven meer en meer gaat tekenen? De liturgie is dienst aan God, maar ook aan zijn gemeente. Liturgie wil de gemeente voortdurend openbreken naar het nieuwe toe.

3. … zicht te krijgen op hoe de wereld is?
De bedoeling van ‘liturgie als landschap’ is dat ik steeds beter ga zien dat het licht dat in de viering over mijzelf valt, over heel de schepping valt. Ook daar is veel dat van waarde is, dat geheiligd wordt door het gebed (Gezang 100, Liedboek voor de kerken, Smelik). Door God te prijzen ontstaat daar steeds meer zicht op; en door het nieuwe zicht wordt ook de lofzang aan de Schepper steeds vernieuwd. Maar ook hier is de andere kant er evenzeer: hoe meer zicht er ontstaat op dat nieuwe ‘landschap’, des te meer inzicht ontstaat er ook in wat er allemaal ontstellend oud is en de verdwijning nabij. Je ogen worden ervoor geopend dat de relatie met de nieuwe schepping maar niet tot stand wil komen op allerlei plekken waar je misschien jarenlang met plezier hebt vertoefd. Ineens vind je de atmosfeer er toch bekrompen en de lucht bedompt. Met een door de liturgie gescherpte blik ga je benoemen wat er ongezond is. Je begint te zoeken naar ruimte. Je begint te roepen om het vallen van de goden (Psalm 82, 97). Een belangrijke vraag voor het gesprek over de liturgie lijkt me hoe ons gezamenlijke zingen en bidden zo kan werken.

Ook hier gaat het (net zoals bij vraag 1) om werkelijk in en bij de wereld zijn. Ik zing mezelf er niet van los, maar zingend en biddend word ik er juist meer op betrokken, word ik gestimuleerd om werkelijk te zijn bij de wereld waarin ik leef. Comfortabel is het er niet altijd. Maar zingend en biddend houd ik het er wel vol, en zie ik ook altijd nog genoeg om me over te verwonderen.

Over ‘comfortabel’ gesproken: hopelijk ontwikkelen we al zingend, biddend, en vierend ook een scherpe blik voor wat we misschien met een comfortabel christelijk dekentje hebben toegedekt maar wat toch puur menselijk is. Blijft het lied dat je zingt, wel een nieuw lied? Of is het het oude liedje geworden?

4. … zicht te krijgen op hoe de wereld wordt?
Door biddend en prijzend te vertoeven in het landschap van het komende Koninkrijk wordt ook de hoop voor de wereld verdiept. Terwijl mijn blik wordt gescherpt voor het oude in de wereld, zie ik ook steeds scherper de tekenen die op het nieuwe wijzen. Het lijkt me een vraag om aan de orde te stellen in het gesprek over de liturgie: welke manier van vieren vergroot mijn zicht op de mogelijkheden die de wereld biedt – die God aan de wereld biedt – om een Koninkrijk te herbergen waar het leven goed is?

In zijn boekje How then Shall we Live? wijst Wells erop dat de hoop de kern is die het verschil maakt. Hoop geeft je redenen om te trainen. Wanneer het voornaamste doel van het leven is om eruit te halen wat erin zit, hoef je eigenlijk niet te trainen. Wat erin zit is immers al voorhanden. Maar wanneer je mogelijkheden ziet om een doel te bereiken dat niet zomaar voorhanden is – namelijk als het mogelijk wordt dat in een lofprijzend leven een ander Koninkrijk gestalte gaat krijgen – dan is er alle reden om te trainen. De liturgie is de sportschool van het geloof. Of de zangles voor een leven dat zingend geleefd wordt. Een leven waarin de hoop regeert. Dat het Koninkrijk zo zichtbaar wordt, dwing je niet af. Maar als het – God zij dank – zichtbaar kan worden, als er ruimte voor gemaakt kan worden, dan zo.

5. … de beweging naar de wereld toe te maken?
Met deze laatste zinnen raak ik aan gedachten van Bonhoeffer, over laatst en voorlaatst, over bidden en het goede doen. Liturgie kan betekenen: biddend uitzien en verwijlen in een landschap dat je levendig voor ogen wordt geschilderd, een wereld die komt. Die komst dwingen wij niet af. Want dat is het laatste, en dat is aan God. Maar als ik de mogelijkheden van de wereld scherper ben gaan zien, kan het niet meer bij ‘verwijlen’ alleen blijven. Wat ik al verwijlend heb gezien, gaat ook mijn handelen stempelen. Ik kom in beweging, vanuit de viering (het laatste) het schouwtoneel van de wereld op (het voorlaatste). Liturgie zet aan tot actie, tot het goede doen. Een vraag die in het gesprek over de liturgie gesteld mag worden, is: hoe zet de liturgie de gemeente in beweging de wereld in? Welke vormen van vieren hebben we daarvoor nodig?

6. … de beweging de liturgie in te maken?
Maar actie verwordt tot activisme als de omgekeerde beweging uitblijft. Actie in de wereld moet voortdurend gevoed worden door de liturgie, en dat veronderstelt dat ook de beweging terug steeds weer gemaakt moet worden. Ook dat lijkt me een vraag die gesteld moet worden in het gesprek over de liturgie: (hoe) wandelt de wereld onze vieringen binnen, en wie wandelt er mee; (hoe) verandert de wereld onze liturgie (dat is opnieuw een andere vraag dan: hoe verandert de gemeente de liturgie)?

Het Koninkrijk is onder u
Ik schrijf de laatste alinea’s van dit artikel op Nieuw Hydepark. De dagen worden hier geopend met een morgengebed in de kapel, en afgesloten met een avondgebed. Dat is één van de mooiste kanten van zo’n setting. Alle mooie gedachten over liturgie en gesprekken over vieren blijven leeg als je niet regelmatig tot vieren overgaat. Alle vragen die ik hierboven stel, en de hele metafoor van liturgie als oefening, veronderstellen dat de liturgie geen consumptiegoed is dat je bij gelegenheid eens tot je neemt. Het gaat allemaal pas werken als je met grote regelmaat de liturgie viert. Hoe frequenter hoe beter. Misschien moet het met de kerk in deze tijd wel die kant op: dat ze veel gelegenheid biedt tot vieren. Tot het biddend, zingend, luisterend verkennen van een landschap. Dat kan door dagsluitingen te organiseren, ik noem maar wat. Het kan ook door in allerlei kerkelijke en pastorale settingen expliciet werk te maken van het gegeven dat waar kerk is – dat daar ook liturgie is.

Als ik Rowan Williams goed begrijp, is liturgie voor hem niet alleen oefening in het zien van het Koninkrijk. Voor hem stelt de liturgie het Koninkrijk ook present. Ik kan in die gedachte nog niet helemaal meekomen – want we kunnen de presentie van het Koninkrijk ook wel danig in de weg zitten en daarom moet er beweging in de liturgie zitten, en moet erover gesproken worden. Maar Williams’ beeld van de kerk als landschap, als klimaat, kan wel een nieuwe richting geven aan gesprekken over de liturgie.

Prof. dr. Edward van ’t Slot is seminariedocent en onderzoeker aan de Protestantse Theologische Universiteit en bijzonder hoogleraar Systematische theologie en kerk in de 21e eeuw aan de Rijksuniversiteit Groningen (vanwege de Confessionele Vereniging). Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 


 

Afdrukken