31e jaargang nr. 5 (mei 2017)

thema: Sola scriptura, maar welke scriptura?

M.J. de Jong
Wat is de beste Griekse tekst van het Nieuwe Testament?

Wie de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) en de Herziene Statenvertaling (HSV) naast elkaar leest, stuit soms op opmerkelijke verschillen. Zo kun je zien dat Handelingen 9:5-6, het visioen van Paulus op weg naar Damascus, in de HSV veel omvangrijker is dan in de NBV. Dergelijke verschillen zijn er meer. Ze zijn te verklaren doordat de NBV en de Bijbel in Gewone Taal (BGT) een andere Griekse tekst volgen dan de HSV.

Het doel van een vertaling is om een goede en betrouwbare weergave te bieden van de oorspronkelijke tekst. Voor het vertaalwerk begint, ligt er al een vraag: wat is de oorspronkelijke tekst, en in welke vorm hebben we die beschikbaar? De NBV volgt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament die het meest ‘up to date’ is. Dit is de Griekse tekst die – met de kennis van vandaag – het dichtst in de buurt komt van de oorspronkelijke Griekse tekst.
De HSV volgt de textus receptus, een Griekse tekst die in de zestiende/zeventiende eeuw is vastgesteld en sindsdien wordt gereproduceerd. Volgens het overgrote deel van de tekstwetenschappers staat als een paal boven water dat dit een minder betrouwbare tekst van het Nieuwe Testament is. Toch heeft de HSV bewust aan deze tekst vastgehouden.

Ontstaan van de textus receptus
Het verhaal begint met Erasmus. Vijfhonderd jaar geleden publiceerde hij als eerste een Griekse teksteditie van het Nieuwe Testament. Hij baseerde zijn uitgave op acht Griekse handschriften, die dateerden uit de tiende tot de vijftiende eeuw. Geen van die handschriften bevatte het volledige Nieuwe Testament. Een serie van verbeterde edities van de tekst van Erasmus – verzorgd door Erasmus zelf, door Beza, en door anderen – leidde uiteindelijk tot de Griekse tekst die als textus receptus, de aanvaarde tekst, bekend kwam te staan. Die benaming werd voor het eerst gebruikt in de editie van 1633.
Deze Griekse tekst vormde de basis voor de vertaling van Luther, de Engelse King James vertaling en de Nederlandse Statenvertaling. Het was op dat moment – met de kennis van toen – de beste Griekse tekst die beschikbaar was.
Let wel: de textus receptus volgde niet één oeroud Grieks manuscript. Het was een tekst die door geleerden als Erasmus en Beza was samengesteld op basis van de handschriften die zij tot hun beschikking hadden; voor de editie van 1633 waren dat er inmiddels een kleine dertig. Waar de Griekse handschriften tekortschoten, werd de Latijnse tekst geraadpleegd. Zo zijn er in de textus receptus ook woorden en zinnen terechtgekomen die in geen enkel Grieks handschrift te vinden zijn, vooral in het boek Openbaring. In Openbaring 22:19 spreekt de textus receptus over ‘het boek des levens’. Dat komt niet uit de Griekse handschriften, maar uit de Latijnse tekst. In de Griekse tekst staat hier (zo weten we nu) ‘de boom van het leven’.

Nieuwe vondsten
In de vijf eeuwen na Erasmus’ eerste editie is er grote vooruitgang geboekt. Inmiddels zijn er 5648 Griekse nieuwtestamentische handschriften geregistreerd. Als je kijkt naar de tekstvondsten, zie je een opvallende ontwikkeling.
1. In de tijd van Erasmus, Beza en het ontstaan van de textus receptus was een beperkt aantal handschriften beschikbaar; die kwamen uit de late periode (tiende-vijftiende eeuw) en kwamen vrijwel allemaal uit dezelfde ‘hoek’ – de Byzantijnse teksttraditie (zie onder).
2. In de periode die volgde kwamen steeds meer Griekse handschriften beschikbaar; nog steeds voornamelijk van vrij late datum. Geleerden begonnen lijsten aan te leggen van ‘varianten’: tekstplaatsen waar de Griekse handschriften onderling verschilden. En die lijsten werden langer en langer.
3. In de negentiende eeuw werden teksten ontdekt die een stuk ouder waren dan het overgrote deel van de handschriften dat al bekend was. Dit betrof de grote codices (meervoud van ‘codex’), zoals de Codex Sinaïticus, de Codex Vaticanus en de Codex Alexandrinus. Dit waren teksten met het complete Nieuwe Testament, daterend uit de vierde-vijfde eeuw.
4. Pas in de laatste fase, in de twintigste eeuw, werden de oudste tekstgetuigen ontdekt: papyri – vaak maar kleine fragmenten – uit de tweede eeuw en later. Dat is dus kort na de gebeurtenissen van het Nieuwe Testament.
Zo ging de ontdekking van nieuwe handschriften stapsgewijs en stap voor stap kwamen er ook steeds oudere documenten beschikbaar.

Ontwikkeling van de tekstkritiek
In de eeuwen na Erasmus ontwikkelden geleerden een methode om op basis van al het beschikbare materiaal een tekst vast te stellen die de oorspronkelijke tekst het beste zou kunnen benaderen. Zo ontstond de tekstkritiek, een vakgebied met algemeen erkende principes en argumentatieve uitwisseling, waardoor geleerden van over de hele wereld kunnen samenwerken.
Door deze methode toe te passen kun je in de eerste plaats nagaan hoe er in de loop van de tijd wijzigingen in de tekst terecht zijn gekomen: doordat er fouten werden gemaakt bij het overschrijven en doordat er in de traditie soms woorden of zinnen aan de tekst werden toegevoegd. Maar in de tweede plaats kan het ook gebeuren dat een relatief laat handschrift een tekstvariant heeft die vermoedelijk in de oorspronkelijke tekst stond. Oudere handschriften zijn niet per definitie beter dan latere.
In onze tijd heeft computergestuurde analyse het tekstkritische onderzoek van het Nieuwe Testament op een hoger plan getild. Het ontstaan en de ontwikkeling van variante lezingen kan nu worden getraceerd, vertakkingen in de overlevering kunnen worden vastgesteld, tendensen binnen families van handschriften kunnen worden blootgelegd. Dit heeft tot veel nieuwe inzichten geleid.

Nieuwe tekstedities
In de tweede helft van de twintigste eeuw verschenen er sterk verbeterde uitgaven van de Griekse tekst van het Nieuwe Testament. De bekendste en meest gebruikte is de teksteditie van Nestle-Aland, met de zesentwintigste editie uit 1979, de zevenentwintigste uit 1993 en de achtentwintigste uit 2012. Dit betreft een wetenschappelijk vastgestelde Griekse tekst die de oorspronkelijke tekst zoveel mogelijk probeert te benaderen.
Het gaat om een samengestelde tekst: geleerden hebben de best mogelijke Griekse tekst proberen samen te stellen op basis van de handschriften die ze tot hun beschikking hebben – net zoals Erasmus en Beza dat in hun tijd deden. Het grote verschil tussen toen en nu is, ten eerste, de enorme toename in beschikbare Griekse handschriften, en ten tweede, de toegenomen kennis van de relatieve waarde van al die handschriften dankzij het tekstkritische onderzoek.

Natuurlijk heeft de uitkomst van het tekstonderzoek altijd een voorlopig karakter. Tegelijk is het helder dat deze wetenschappelijke uitgave van het Griekse Nieuwe Testament momenteel de beste basis biedt voor de brontekst van het Nieuwe Testament. De bijbelgenootschappen wereldwijd nemen daarom deze tekst als uitgangspunt bij het vertalen van het Nieuwe Testament. Dat doet ook het Nederlands Bijbelgenootschap. De NBV en de BGT zijn erop gebaseerd. Hetzelfde geldt overigens voor andere Nederlandse vertalingen, zoals de Willibrordvertaling en de Naardense Bijbel. De HSV is de uitzondering.

De Byzantijnse tekst?
Dankzij tekstkritisch onderzoek is ook de zogenoemde Byzantijnse tekst goed in kaart gebracht. De Byzantijnse tekst biedt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament in een bepaalde, herkenbare vorm. De Griekse tekst werd in díe vorm vele, vele malen overgeschreven in de late middeleeuwen, vanaf de tiende eeuw. Zodoende hebben we nu een massa Griekse handschriften van het Nieuwe Testament die ‘Byzantijns’ zijn. Je kunt de Byzantijnse tekst zien als een ‘doorontwikkelde’ tekst van het Nieuwe Testament. In een ontwikkeling van eeuwen werden allerlei verbeteringen in de tekst aangebracht. Het gaat vaak om kleine toevoegingen die verduidelijking bieden, om verzen die vanuit het ene evangelie aan het andere zijn toegevoegd, en om (theologische) aanvullingen die de tekst willen verhelderen.
De Byzantijnse tekst zoals we die kennen uit de talrijke handschriften van de late middeleeuwen, is geleidelijk aan ontstaan: vanaf de vierde eeuw ontwikkelde deze tekst zich stap voor stap, tot die zijn uiteindelijke vorm bereikte: voor de evangeliën in de zesde eeuw en voor de andere boeken van het Nieuwe Testament in de negende eeuw.
Er zijn wel enkele geleerden die ervan overtuigd zijn dat de Byzantijnse tekst de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament het best benadert. Maar de algemeen aanvaarde opvatting in de tekstwetenschap van het Nieuwe Testament is dat de Byzantijnse tekst zich pas later heeft ontwikkeld en juist talloze verschuivingen (vooral toevoegingen) vertoont ten opzichte van de oorspronkelijke tekst. Die visie heeft niets te maken met een negatieve kijk op de Byzantijnse tekst, maar volgt uit het methodische onderzoek. Recent tekstkritisch onderzoek laat zien dat ook Byzantijnse manuscripten soms tekstvarianten bevatten die zeer waarschijnlijk oorspronkelijk zijn – maar de Byzantijnse tekstvorm als zodanig is een latere ontwikkeling.
De textus receptus is niet hetzelfde als de Byzantijnse tekst, maar ligt er dicht tegenaan. Vrijwel alle handschriften waarop de textus receptus is gebaseerd waren van het Byzantijnse type. Het verschil is, dat de textus receptus niet één handschrift volgt, maar samengesteld is op basis van meerdere handschriften (waaronder ook één niet-Byzantijns) en dat de samenstellers ook gebruikmaakten van de Latijnse tekst. De textus receptus bevat vele karakteristieken die eigen zijn aan de Byzantijnse tekst.

Hoe ziet het verschil eruit?
Tussen de textus receptus en de moderne editie van Nestle-Aland zijn circa drieduizend vertaalbare verschillen. Vaak gaat het om minimale verschillen, maar in een substantieel aantal gevallen gaat het om echt inhoudelijke verschillen. Die vallen op als je de NBV en de HSV met elkaar vergelijkt.
Handelingen 9:5-6 is dus in de HSV veel omvangrijker dan in de NBV. Dat komt omdat er een extra passage is toegevoegd, afkomstig uit Handelingen 26:14. Zo zijn Handelingen 9 en 26 – immers hetzelfde verhaal over Paulus’ visioen – beter op elkaar afgestemd.
Ook in Handelingen 8, over Filippus en de eunuch uit Ethiopië, biedt de HSV een extra passage (Hand. 8:37). In de NBV en de meeste andere vertalingen lees je dat de eunuch vraagt om gedoopt te worden, en vervolgens wordt gedoopt (vers 36-38). In de HSV staat er een extra vers tussen: ‘En Filippus zei: Als u met heel uw hart gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zei: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is’ (Hand. 8:37). Deze latere toevoegingen verandert de tekst: de eunuch wordt nu pas gedoopt nadat hij zijn geloof heeft beleden.
Zo komen we allerlei tekstverschillen tegen: het kan gaan om verklarende toevoegingen die de tekst willen verduidelijken (zie bijvoorbeeld in Hand. 18:21), om aanvullingen in het ene evangelie afkomstig uit het andere (zie bijvoorbeeld Mat. 17:21), of om toevoegingen met een theologische bedoeling (bijvoorbeeld Luc. 2:33, waar in de HSV Maria wel Jezus’ moeder wordt genoemd, maar Jozef niet meer zijn vader).

De Griekse tekst die de HSV vertaalt bevat allerlei harmonisaties (waarbij de ene passage is aangepast aan de andere), invullingen ter verduidelijking en theologische toevoegingen. Een van de meest verstrekkende verschillen is 1 Johannes 5:7-8, het zogenoemde comma Johanneum:

HSV

NBV

7 Want drie zijn er die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. 8 En drie zijn er die getuigen op de aarde: de Geest, het water en het bloed; en deze drie zijn één.

7 Er zijn dus drie getuigen:

 8 de Geest, het water en het bloed, en het getuigenis van deze drie is eensluidend.

De HSV biedt niet alleen een langere tekst, maar ook een tekst die theologisch veel explicieter is. Natuurlijk kún je het eensluidende getuigenis van de Geest, het water en het bloed uit de tekst van de NBV op de goddelijke drie-eenheid betrekken. Maar in de tekst van de HSV is dat een gegeven geworden: het gáát hier over de drie-eenheid. Dit is een zwaarwegend inhoudelijk verschil.

Welke tekst is het beste?
In alle hierboven genoemde gevallen geldt dat de HSV, in navolging van de textus receptus, een latere, minder oorspronkelijke tekst biedt dan de NBV. In al die gevallen wordt de lezer het zicht op de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament in feite ontnomen.
Bij het laatste voorbeeld, het zogenoemde comma Johanneum, speelt er nog iets extra’s mee. Deze toevoeging op de tekst komt niet uit de Byzantijnse tekst. Er zijn zelfs nauwelijks Griekse handschriften te vinden die deze toevoeging bevatten. Het is een theologische toevoeging afkomstig uit de Latijnse traditie. Hoe hartgrondig je het ook eens kunt zijn met deze aanvulling op 1 Johannes 5, die stond niet in de oorspronkelijke tekst.

Keuze van de HSV
Waarom houdt de HSV vast aan de textus receptus, terwijl die een minder betrouwbare basis biedt voor de tekst van het Nieuwe Testament? Niet uit overtuiging dat dit tóch de betere tekst is – deze keuze wordt in elk geval niet op die manier verdedigd in de verantwoording bij de HSV. Het lijkt puur een keuze voor de traditie te zijn. Dwingend is die reden niet. Kijk maar naar Duitsland, waar men de traditie van de Lutherbibel beslist in ere houdt. Toch is al bij de herziening van 1912 overgestapt op de wetenschappelijke Griekse tekst van het Nieuwe Testament. Die stap heeft de HSV niet gezet.
De verklaring zal zijn dat de doelgroep die men voor ogen had, sterk hecht aan de vertrouwde tekstvorm van het Nieuwe Testament gebaseerd op de textus receptus. En inderdaad: het is juist deze vorm van het Nieuwe Testament, inclusief alle latere toevoegingen, waarop de belijdenisgeschriften en vele theologische werken van de afgelopen vijf eeuwen zich baseren. De HSV presenteert zichzelf als staande in de reformatorische traditie, en daar hoorde het volgen van de textus receptus bij.
Op zichzelf is dit een keuze die te begrijpen en te billijken is. Maar wel met één stevige kanttekening: je moet dan wel open en eerlijk erkennen dat trouw aan de traditie hier ten koste gaat van trouw aan de brontekst. Het is prima dat je grote waarde hecht aan déze tekstvorm van het Nieuwe Testament en die wilt doorgeven. Maar lezers hebben er ook recht op om te weten dat ze als gevolg van die keuze minder dicht bij de oorspronkelijke tekst komen dan wanneer de moderne teksteditie als uitgangspunt was genomen. Het zou veel onnodige verwarring onder bijbellezers voorkomen als deze kwestie in alle openheid op tafel ligt.

Dr. Matthijs de Jong is hoofd vertalen bij het Nederlands Bijbelgenootschap. Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.



Afdrukken