31e jaargang nr. 5 (mei 2017)
thema: Sola scriptura, maar welke scriptura?

J. van Bruggen
Tekstvariatie en bijbelvertaling
Enkele kanttekeningen

De overleveringsgeschiedenis van de Bijbelse teksten heeft geleid tot het ontstaan van varianten. Bijbelvertalers moeten daaruit soms een keuze maken. Matthijs de Jong is van oordeel dat de Herziene Statenvertaling op dit punt teleurstelt. Deze vertaling plaatst volgens hem de liefde voor de reformatorische tekstvorm boven het respect voor de originele tekst van het Nieuwe Testament.
En dat heeft dan gevolgen, want de teksttraditie heeft zich volgens De Jong (en vele anderen) juist steeds meer verwijderd van het origineel. Mijns inziens zijn bij dit heldere overzichtsartikel van De Jong wel enkele kanttekeningen te plaatsen.

Variatie verandert tekstbetekenis niet
De betekenis van de nieuwtestamentische teksten als geheel verandert gelukkig niet door de keuzes die men op het niveau van woord en zin maakt uit de diverse varianten. Illustratief kan zijn dat de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt in 1984 alle Bijbelcitaten in hun drie reformatorische belijdenisgeschriften probleemloos hebben overgezet van Statenvertaling (textus receptus) naar Nieuwe Vertaling-1951 (Nestle-tekst). Een uitzondering geldt artikel 9 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (Guido de Brès 1561): daar is 1 Johannes 5:7b als ‘getuigenis voor de leer van de Drie-eenheid’ verwijderd omdat dit zinsdeel in de vertaling van 1951 niet meer tot de oorspronkelijke tekst werd gerekend. Artikel 9 veranderde daar niet van, want er bleef in dit artikel nog een reeks van getuigenissen over voor de leer van de Drie-eenheid.
Helaas wordt tekstvariatie soms behandeld alsof de keuze voor of tegen een variant gevolgen zou hebben voor onze geloofsinhoud. Bijbelvertalingen zonder het zojuist genoemde Comma Johanneum (1 Joh. 5:7b) worden dan verdacht gemaakt als strijdig met de leer van de Drie-eenheid. Ten onrechte, want de variatie binnen de teksttraditie van de nieuwtestamentische geschriften geeft geen aanleiding tot diversiteit in geloofsovertuiging.

Is het nu echter niet zo, dat sommige varianten wél theologisch gemotiveerd waren? Volgens De Jong zijn sommige varianten duidelijk ‘toevoegingen met een theologische bedoeling’. Hij noemt als voorbeeld Lucas 2:33 waar in de HSV ‘Maria wel Jezus’ moeder wordt genoemd, maar Jozef niet meer zijn vader’. Hoewel De Jong het niet zegt, ligt hierin toch de suggestie dat de leer van de maagdelijke geboorte een latere ontwikkeling zou kunnen zijn en dat de lezing die de HSV volgt de oorspronkelijke geschiedenis afdekt (‘Jozef niet meer zijn vader’). In ieder geval wordt door anderen deze consequentie expliciet verbonden aan deze variant.
Heeft deze variant werkelijk dat theologische gewicht? Of heeft ze helemaal niets te maken met theologie? Om dit na te gaan, moeten we iets verder kijken dan een half zinsdeel. We ontdekken dan al gauw dat het nooit de bedoeling van de variant in 2:33 kan zijn geweest om de benaming van Jozef als ‘Jezus’ vader’ weg te werken. In alle handschriften lezen we namelijk in 2:48 hoe Maria (!) haar man Jozef tegenover Jezus aanduidt als zijn vader: Je vader en ik hebben naar je gezocht’ (HSV: ‘Uw vader en ik’). Uit de voorafgaande hoofdstukken 1-2 is wel duidelijk dat het hier om een bijzonder soort ‘vaderschap’ gaat.
Wat is er dan aan de hand met de variatie in vers 33? Dat komen we op het spoor wanneer we ook vers 43 erbij betrekken. In beide verzen hebben de meeste handschriften de woorden ‘Jozef en zijn moeder’. Dat is taalkundig een dubbelzinnige uitdrukking, die kan worden misverstaan alsof het hier om de moeder van Jozef zou gaan in plaats van om de moeder van Jezus. Deze dubbelzinnigheid verdwijnt wanneer je leest ‘zijn vader en moeder’ (2:33) of ‘zijn ouders’ (2:43). Het is denkbaar dat filologisch bewuste kopiisten deze dubbele ‘verbetering’ hebben ingevoerd: in de meeste handschriften is die ‘correctie’ niet overgenomen. Met theologie heeft dit allemaal niets te maken, hoogstens met al of niet acceptabel geachte filologische tekstcorrecties.
Een ander voorbeeld van eventuele ‘tekstverandering’ is Handelingen 8:37. De NBV verwijst dit vers naar een kanttekening, maar het staat voluit in de HSV: ‘En Filippus zei: Als u met heel uw hart gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zei: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is’. De Jong schrijft hierbij: ‘Deze latere toevoeging verandert de tekst: de eunuch wordt nu pas gedoopt nadat hij zijn geloof heeft beleden’. Maar is dit werkelijk een verandering in tekstbetekenis? Zouden we zonder deze ‘toevoeging’ een tekst voor ons hebben die doet denken aan een doop zonder voorafgaand(e) geloof(sbelijdenis)? Zeker niet. Ons wordt verteld dat Filippus met de eunuch sprak ‘over het evangelie van Jezus’ (8:35). Uit heel het boek Handelingen blijkt dat dit het evangelie is van Jezus als de Christus, de Zoon van God (2:36; 9:20). Kennelijk heeft de eunuch dit aanvaard. Waarom zou hij anders vragen om de doop? Ook zonder vers 37 is impliciet in de tekst dat de eunuch vanwege zijn geloof in Jezus gedoopt wil worden. Zonder vers 37 horen we niet of en met welke woorden Filippus nog navraag heeft gedaan naar dit geloof. We kunnen dit echter moeilijk een ‘verandering van de tekst’ noemen, omdat de doop altijd volgt op een oproep om te geloven (2:38,41), ook bij Filippus (8:12). Kortom: de ons bekende variatie binnen het Nieuwe Testament is niet ontstaan omdat men de betekenis van de tekst wilde veranderen.

Ook Aland niet boven discussie verheven
De Jong legt (met vele anderen) veel nadruk op het feit dat de moderne editie Aland tegenwoordig door vrijwel allen wordt aanvaard. Deze terechte constatering kan gemakkelijk de klank van een overtuigend argument krijgen. Ten onrechte. Dat heeft de geschiedenis ons wel geleerd. De tekst die in de zeventiende eeuw algemeen aanvaard werd omdat hij sinds de editie Elzevir ‘door allen aanvaard’ heette, bleek zeker niet zonder meer de originele tekst te zijn. Ditzelfde kan ook het geval blijken te zijn met de tegenwoordige textus receptus.
Is dit niet theoretisch? Wij hebben toch veel meer handschriften, waaronder oude papyri en originele majuskels (bepaalde handschriften die alleen in hoofdletters zijn geschreven red.)? Dit is juist: we hebben veel meer materiaal dan in de zeventiende eeuw. Maar er zijn enkele problemen.

  1. Het materiaal is niet volledig representatief. Uit de eerste drie eeuwen hebben we wel papyri, maar die zijn afkomstig uit een zeer beperkt gebied en zeker niet representatief voor het totaal van de teksttraditie in de eerste eeuwen. Bovendien is dit papyri-materiaal, hoe waardevol ook, heel fragmentarisch en onderling niet uniform. Uit de latere eeuwen hebben we veel majuskels, maar deze hebben onderling relatief veel varianten en bovendien kunnen we niet meer nagaan of niet vele heel belangrijke majuskels omstreeks de achtste eeuw verloren zijn geraakt omdat zij inmiddels in minuskelschrift (kleine letters) waren overgezet.
  2. De criteria op grond waarvan keuzes worden gemaakt uit deze varianten zijn nogal heterogeen en soms ook tegenstrijdig. Zo kan een kortere tekst bijvoorbeeld worden uitgelegd als niet-origineel, dan zou er iets zijn weggevallen, maar ook als wel origineel, omdat de kortere lezing de voorkeur verdient (de langere lezing bevat een toevoeging t.o.v. de kortere). De samenstellers van het Griekse Nieuwe Testament voor bijbelvertalers hebben veel varianten dan ook moeten kiezen bij meerderheid van stemmen.
  3. Het is zeker waar dat het materiaal via de computer intensiever onderzocht kan worden. Deze kwantitatieve verbetering heeft echter geen invloed op de kwaliteit van de tekst. De computer stuurt niet. Dat doen de mensen die de computer van zoek- en selectiecriteria voorzien.

Ik kan mij met De Jong goed voorstellen, dat Bijbelvertalers zich vandaag (net als vroeger) aansluiten bij de meest verbreide tekstuitgave van het Griekse Nieuwe Testament. Het is moeilijk te zeggen of zij daarmee dichter bij de originele tekst komen. Er is daarom ook geen reden om bij voorbaat vertalingen te veroordelen die inzake varianten andere keuzes maakten.

Honing uit de Byzantijnse tekst?!
De Byzantijnse tekst, te vinden in de meeste handschriften, is een veroordeelde tekst. In de negentiende eeuw is zij schuldig bevonden aan redactie en aan verandering van het origineel. Inmiddels is gebleken dat deze aanklacht moet worden teruggenomen, maar helaas bleef vrijspraak uit. De Byzantijnse tekst heeft geen eigen stem bij de tekstvaststelling in de twintigste en eenentwintigste eeuw. Een voorbeeld kan dat duidelijk maken.
In Lucas 24:42 lezen we dat de leerlingen aan Jezus ‘een stuk geroosterde vis’ gaven. In de HSV wordt daaraan toegevoegd ‘en een stuk van een honingraat’. Deze honing vinden we in de Byzantijnse tekst, maar ook in een aantal niet-Byzantijnse handschriften. Wanneer de Byzantijnse tekst mocht meetellen, zouden we een brede steun hebben voor deze honing. Echter: de handschriften die deze woorden missen, krijgen de voorkeur. Je vraagt je dan wel af, waarom iemand ooit deze woorden zou hebben toegevoegd. Het is aannemelijker dat deze zinsnede over de honing ooit uit de tekst is weggevallen. Bij het overschrijven kan de regel ooit per ongeluk over het hoofd zijn gezien. Wanneer we namelijk het aantal letters in het Grieks tellen, zijn het er eenentwintig. Samen één regel in een kolom. Bovendien begint deze regel met hetzelfde woord als het direct erop volgende vers 43 (kai) en de zinnen lopen goed door zonder deze regel. Gelukkig is die honing weer teruggeplaatst en zo vinden we haar ook in de Byzantijnse manuscripten. Helaas, die Byzantijnse tekst (samen met andere handschriften) vindt geen gehoor, ‘for it is not likely that [these words] would have fallen out of so many of the best representatives of the earlier text-types’. Blijkbaar kunnen de momenteel tot beste uitgeroepen manuscripten geen kwaad meer doen…

Bemoedigend perspectief
Bijbelvertalingen willen zo dicht mogelijk bij de originele tekst komen. Daarom zijn details van tekstvariatie altijd een discussie waard. De meningsverschillen die daarmee gepaard kunnen gaan, moeten ons niet blind maken voor het grote wonder dat bijbelvertalers de geschriften van profeten, evangelisten en apostelen in de eenentwintigste eeuw kunnen vertalen zonder dat zij in varianten en leemten verstrikt raken of vast komen te zitten. Gelet op de vijandigheid tegenover de profeten en gezien de perioden van vervolgingen, is het bijzonder dat deze geschriften slechts schrammetjes opliepen en dat hun boodschap onbevangen kan worden doorgegeven in vertalingen, ook in Gewone Taal. Aandacht voor varianten in de teksttraditie is noodzakelijk, maar dan wel in het bemoedigende perspectief van een bijzondere voorzienigheid die deze profetische geschriften zo voor ons heeft beschermd. 

Dr. Jakob van Bruggen is emeritus hoogleraar Nieuwe Testament (TU Kampen). Onder zijn redactie verscheen de serie Commentaar Nieuwe Testament. Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Afdrukken