32e jaargang nr. 1 (sept. 2017)
thema: Laten wíj bidden!

J.H.F. Schaefer
Vast of vrij?
De waarde van liturgische gebeden

Mijn kennismaking met een formuliergebed was toen ik een jaar of 8 was. Op woensdagmiddag uit school ging ik bij een vriendje spelen. Eerst gingen we eten – en dus ook bidden. 

“Waar menig mens eet brood der smarte,
Hebt Gij ons mild en wel gevoed;
Doch geef dat onze ziele niet
aan dit vergank'lijk leven kleev’.
Maar alles doet, wat Gij gebiedt,
en eind’lijk eeuwig bij U leev’”.

Ik begreep er niets van: hocus-pocus en abacadabra. Is zo’n formuliergebed waardevol?

Het gaat mij om de tegenstelling tussen een vastgesteld, welomschreven ‘formuliergebed’ en het zogenaamde ‘vrije gebed’ dat spontaan in de bidder opwelt. Formuliergebeden worden door sommigen beschouwd als formalistisch, traditioneel en statisch. In andere tradities worden ze beleefd als weldadig, krachtig en solide. In sommige kerken worden formulieren in de kerkdienst steeds minder gelezen. In andere wordt veelvuldig gebruik gemaakt van teksten uit het Dienstboek of het nieuwe Liedboek. Een ander voorbeeld van vastgestelde liturgische teksten is het in 2012 verschenen boek Bid luister leef (Rick Timmermans en Heleen Dekens). Hierin staan bij elke dag korte gebeden op schrift die je kunt aanvullen met vrij gebed. Maar er staan ook Psalmen in die je samen hardop in afwisseling kunt bidden. Psalmen zijn tenslotte de oudste formuliergebeden van de kerk. Naast een aversie tegen formuliergebeden is er dus ook een fascinerende herintroductie van oude, soms voor-reformatorische vormen die in nieuwe gedaanten gretig aanvaard worden door nieuwe generaties. Kennelijk is er toch ook behoefte aan dit soort vaste vormen.

Vastleggen wat er gebeurde
Het is zinvol te bedenken hoe het vastleggen van teksten te maken heeft gehad met een proces van overlevering, traditie: dit is wat er gebeurt als wij vierend bij elkaar komen. Het Nieuwe Testament biedt immers geen duidelijk normatief format voor de samenkomst. Christus’ gemeente heeft hierin een weg gezocht. Er was in die eerste eeuwen een soort kern-rite die lokaal en regionaal op verschillende wijze werd omlijst met gebeden. Vanaf de vierde eeuw komen er steeds duidelijker uitgewerkte liturgische teksten, toen het christelijk geloof de bevoorrechte godsdienst in het Romeinse rijk werd. Het leek er even op dat de politieke eenheid van de christelijke wereld uiteindelijk ook een grote mate van liturgische eenheid zou gaan betekenen. De val van het Romeinse rijk zorgde echter er echter voor dat liturgie toenemend lokaal-regionaal werd ontwikkeld. Zeker in het Westen ontstaat zo een grote diversiteit, terwijl in het minder gedesintegreerde Oosten meer liturgische eenheid bewaard bleef. Met andere woorden: de vastheid van de liturgie was vooral het vastleggen van wat er gebeurde. In de praktijk ontstonden zo lokale en regionale tradities: dit is wat wij doen en willen doorgeven. Het vastleggen dient twee doelen. Allereerst wordt zo gestreefd naar een zekere mate van eenheid op basis van het vastleggen van wat er gebeurt: dit is de praktijk die ons samenbindt. Daarnaast heeft zo’n vastlegging ook een normatief-uniformerende werking: om eenheid te beleven moeten we deze praktijk op deze manier vormgeven. In de tijd van de Reformatie was dat niet anders, ook als het gaat om de gebeden. Lutherse kerken gebruikten in continuïteit met de voor-reformatorische kerk de klassieke gebeden. In de calvinistische traditie waren er ‘onvoorbereide gebeden’ die aansluitend aan de preek ontsproten aan de boodschap, naast de geschreven overgeleverde gebedsteksten. In de puriteinse traditie werd dit ‘onvoorbereide gebed’ steeds belangrijker.

Heeft liturgie  formuliergebeden nodig?
Na de Verlichting en de Romantiek gaf Abraham Kuyper vanuit (neo)calvinistisch perspectief aan dat het vrije gebed ‘ideaal’ was (Onze Eeredienst, 1911). “Vrij te zijn is de natuur van het gebed. Wie van het gebed naar zijn aard wil handelen, zal altoos van het vrije gebed moeten uitgaan”. Echter, als het gaat om de publieke eredienst waarbij de gezamenlijke gemeente bidt is zo’n geestelijk gebed niet af te dwingen. En er dreigt nog een ander gevaar. “Waar het vrije gebed den Dienaar zoo licht verleidt tot een kleine predikatie in gebedsvorm moet juist het formuliergebed hem weer tot den rechten standaard van het gebed terugroepen”. Het oordeel over formuliergebeden is dus dubbelzinnig: vormen zijn belangrijk om misvorming te voorkomen – maar het is niet ideaal.

James Smith wijst op drie redenen waarom vastgestelde vormen onder protestanten geen goede naam hebben. Allereerst associëren wij dit met dode orthodoxie en een vorm van werkheiligheid. Een herhaald ritueel klinkt alsof wij van onderaf onze eigen redding willen bewerken. In de tweede plaats ervaren we zulke herhaalde vormen als uitingen van dankbaarheid en aanbidding. In onze tijd wordt zo’n houding echter gemakkelijk gekaapt door individualistisch-emotivisme: ik moet mijn allerpersoonlijkste emotie uiten, en dan voelt herhaling al snel niet meer oprecht. Tenslotte voegt zo’n beleving van liturgie naadloos in in de hedendaagse consumptiemaatschappij. Oud is snel passé, en nieuw is altijd beter (James K.A. Smith, Imagining the Kingdom, 182).

Liturgie vormt ethiek en dogmatiek
Ook elders in de theologie is dit gesprek gaande. Kontekstueel besteedde eerder aandacht aan theologen als Samuel Wells en Stanley Hauerwas. In hun visie is de ethiek geënt op de liturgie: vanuit de onderdelen van de kerkdienst (gebed, zegen, belijdenis, preek, avondmaal etc.) wordt bezien hoe deze het concrete christelijke leven vorm kunnen geven. Door de liturgie wordt een mens gevormd in zijn christen-zijn. Met andere woorden: het gesprek over vormen is niet alleen iets van hoog- of laag-kerkelijkheid. Het is ook niet alleen een gesprek over oude gewoontes en nieuwe ideeën. De liturgie bepaalt in deze visie de vorm van ons christen-leven – of: zij zou dat moeten bepalen. James Smith pleit voor hetzelfde met behulp van het denken van onder meer Merleau-Ponty en Bourdieu.

Een andere invalshoek biedt Nicholas Wolterstorff. Als godsdienstfilosoof heeft hij zich de laatste jaren toegelegd op de liturgie. Zijn recente boek The God We Worship (2015) wordt dit najaar gevolgd door Acting Liturgically: Philosophical Reflections on Religious Practice. Woltertorff ontrafelt op weergaloze wijze hoe  wat wij zeggen in de liturgie, dogmatische uitspraken impliceert. Liturgische teksten zoals bijvoorbeeld een Sanctus (Heilig, heilig, heilig) zeggen iets over God: ze zeggen dat Hij het waard is om aanbeden te worden als de heilige en almachtige. Het gaat over ons ontzag voor Hem, onze eerbied, en onze dankbaarheid. Wolterstorff benadrukt dat het inoefenen van zulke vastgestelde liturgische teksten van groot belang is. Het is deze vorm die ons een inhoud overlevert en inprent die we uit onszelf niet snel zouden ontdekken.

Nog belangrijker is dat de gemeente in de liturgie zichzelf wordt: in het vereren en prijzen van God wordt de kerk kerk. Niet als uiting van een innerlijk gevoel, maar zo dat door deze woorden te spreken de kerk het grote mysterie van de Drie-ene God die omgaat met zondige mensen wordt beleefd en beleden. Dat Woltertorff hierbij vooral de scripted liturgies bespreekt spreekt dan ook vanzelf. Wat in zulke liturgieën impliciet en expliciet over God gezegd wordt ontstaat niet in het hoofd of hart van die ene predikant, toevallig op dit of dat tijdstip, ergens op de wereld. Zulke teksten komen tot ons vanuit de boezem van de kerk (Kuyper) en dragen het gewicht van eeuwen en eeuwen, overgeleverd van generatie op generatie.

Onmisbare vormen
Dat brengt mij bij het belangrijkste. De Amerikaanse theoloog John Witvliet is directeur van het Calvin Institute of Christian Worship. Toen hij in november 2016 in Nederland was gaf hij een lezing waarin hij het onderscheid benadrukte tussen expression en formation, tussen ‘uiten van je gevoel’ en ‘gevormd worden door’. Beide elementen horen bij de christelijke eredienst. Vandaag zie ik een overaccentuering van dat uiten. Dat komt mede door de nadruk op authenticiteit en een verzet tegen autoriteit. Onuitgesproken lijkt soms te gelden dat alles wat ik in de eredienst doe, diep vanuit mijzelf moet komen. Ik moet het authentiek en intrinsiek menen en alles kunnen meemaken: wat er gezegd en gezongen wordt moet mijn eigen doorleefde ervaring zijn of op dat moment (weer) worden.

Ik vermoed dat dit ook de achtergrond is van het fenomeen van het blok aanbiddingsliederen aan het begin van de kerkdienst. Al zingend worden we elk voor zich en samen op het niveau van de lofprijzing gebracht zodat ik deze mijzelf eigen maak en er uiting aan geef, vaak met een duidelijk stijgende lijn qua intensiteit en emotie gedurende dit blok van liederen. Liederen en gebeden geven dan enerzijds uiting aan het aanwezige geloof, en tegelijk wordt het geloof verondersteld te groeien en authentiek beleefd te gaan worden door deze aanbiddingsliederen waarin de Heilige Geest in ons werkt.

Het gesprek over vaste gebedsvormen gaat dus over meer dan smaak of gewoonte. De christelijke kerk moet haar wortels en tradities kennen en waarderen omdat het God zelf behaagt om ‘in de loop van de tijd’ te werken. Christen ben je sowieso nooit op je eentje, dus betrek in de gemeenschap dan ook het verleden. Als we samen met alle heiligen kerk zijn, is het gesprek met ‘de heiligen ons voorgegaan’ onmisbaar. Zo doen we recht aan hoe God werkt: via de uiterlijke middelen van het geloof. Gebruik je zorgvuldig oude gestileerde zinnen en vormen dan toon je liefde voor Gods geschiedenis met deze wereld. Diezelfde zorgvuldigheid betekent echter ook vernieuwing op gezette tijden. Die zorgvuldige, liefdevolle vormgeving van de liturgie kan dan in zichzelf een belichaming zijn van belangrijke christelijke waarden en hoop: dat de Eeuwige in taal en teken Zichzelf aan ons wil verbinden. Dit mysterie is groot: Magnificat anima mea Dominum / Et exsultavit spiritus meus in Deo salutari meo (Lukas 1,36). Deze bewustwording schept de ruimte om te beleven en te groeien, te verwijlen en te klagen. Juist de vormen geven de mogelijkheid om mijzelf ertoe te verhouden – en te beseffen dat er altijd meer is en God altijd groter.
In de context van fresh expressions en de weerbarstigheid van een gewone Hervormde of Gereformeerde dorpsgemeente lijkt het bovenstaande misschien hoogdravend. Toch vormt het vooropstellen van overgeleverde vormen (1) een evangelisch tegenwicht tegen de loodzware druk mijn geloof altijd authentiek-intens te moeten beleven. Bovendien (2) geeft dit woorden aan christelijke bescheidenheid. Het evangelie is niet bij ons begonnen. Zo schept God steeds opnieuw een gemeenschap van leerlingen die al doende (zingend en biddend, luisterend en vierend) op weg gaat.

Dr. Hans Schaeffer is universitair hoofddocent Praktische Theologie aan de TU Kampen en hoofd onderzoek Praktijkcentrum. Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.


Afdrukken