32e jaargang nr. 1 (sept. 2017)
thema: Laten wíj bidden!

F.G. Immink
Bewust en ruimhartig gereformeerd

De klassiek-gereformeerde eredienst bestaat niet (meer). Wel is het zo dat de gereformeerde kerkdienst in het spoor van de Zwitserse Reformatie primair een Woorddienst is. De gemeentezang, de gebeden en de preek spelen daarin de hoofdrol. Wordt het tijd om de eenheid van Schrift en Tafel te herstellen, zoals de oecumenische traditie voorstaat? Of moeten we juist meer ruimte bieden aan de vrije uitingen van de Geest, zoals de evangelische beweging propageert?
Gereformeerde liturgieën zijn er tegenwoordig in soorten en maten. Ik heb de indruk dat de diversiteit de laatste jaren sterk is toegenomen. Dat geldt zeker voor gemeenten die zichzelf graag typeren als klassiek gereformeerd. Voorheen was het in de Hervormde Kerk zo dat kerkdiensten in de Hervormd-gereformeerde richting gekenmerkt werden door psalmgezang en door twee gebeden: het grote gebed (een soort verzamelgebed van aanbidding, schuldbelijdenis en het gebed om de verlichting met de Heilige Geest) in het aanvangsdeel van de kerkdienst en de voorbeden na de prediking. In de Christelijk Gereformeerde Kerken en in de Vrijgemaakte Kerken was er globaal gesproken een vergelijkbaar klimaat.

Oecumenische vernieuwing
In grote delen van de Hervormde Kerk en in de synodaal Gereformeerde Kerken heeft in de tweede helft van de twintigste eeuw de oecumenische vernieuwing en herbezinning grote liturgische veranderingen teweeggebracht. Dat geldt niet alleen voor de inrichting van de eredienst, maar ook voor de aard van de gebeden. Het meest typerende acht ik de invoering van het Tafelgebed bij de viering van het Heilig Avondmaal. Bovendien werd de lezing van de tien geboden, met daaraan gekoppeld het gebed van verootmoediging en schuldbelijdenis, vervangen door de combinatie van kyrie en gloria. Niet onvermeld mag blijven de toename van het responsorische karakter van de kerkdienst: de wisselwerking tussen voorganger en gemeente in gesproken woorden en gezongen teksten. Daarnaast zijn er nog twee kenmerken te noemen. (1) Een liturgisch klimaat waar hoge eisen gesteld worden aan de literaire en muzikale stijl van de liederen en gebeden. (2) Gevoel voor het oud-kerkelijke dogma en voor de oud-kerkelijke belijdenissen. Over het algemeen zijn protestants-oecumenische vieringen niet vrijzinnig.
Het is opmerkelijk dat de oecumenische vernieuwing nagenoeg voorbij is gegaan aan de gereformeerde orthodoxie. Wel heb ik gemerkt dat confessioneel getinte gemeenten tegen het eind van de 20e eeuw niet meer uit de voeten konden met het klassieke avondmaalsformulier (alleen al vanwege de lengte) en dan toch maar overgingen tot een ‘mengvorm’ waarbij het Tafelgebed – zij het schoorvoetend – een plaats kreeg.

Evangelische stroming
Het is echter zeer opmerkelijk dat een andere golfbeweging wel grote invloed heeft uitgeoefend op de klassiek gereformeerde liturgie. Ik bedoel de evangelisch getinte stijl en geloofsbeleving. Vooral in de eerste twee decennia van de 21e eeuw heeft de evangelische beweging zich een plaats veroverd in de gevestigde kerken. Juist in de orthodoxe vleugel van de Protestantse Kerk in Nederland en – opmerkelijk genoeg – in de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken is die invloed momenteel vrij groot. In de liturgie is dat qua vormgeving vooral te merken op het gebied van de liedkeuze (veel opwekkingsliederen) en in de lossere stijl van de dienst als geheel. Het gaat er losjes en gemoedelijk aan toe. He statige zingen van de psalmen onder orgelbegeleiding wordt afgewisseld met het op de piano of door een band begeleid zingen van een evangelisch lied. In Hervormd-gereformeerde kring heeft de bundel Op Toonhoogte voorzien in een behoefte. Qua stijl en inhoud is er zodoende een mengvorm ontstaan. Er kwam meer beweeglijkheid in de dienst en meer variatie in het gebruik van muziekinstrumenten.
De invloed van een meer evangelisch gekleurde geloofsbeleving is niet nieuw. Piëtistische stromingen hebben al eeuwenlang een bedding in de gevestigde kerken. Dat geldt ook voor de bevindelijke vleugel van de gereformeerde orthodoxie. De nadruk op de persoonlijke geloofsbeleving en de aandacht voor bekeringsverhalen biedt als het ware een natuurlijke bedding voor evangelische invloeden. Uit de liedbundel van Johannes de Heer werd in huiselijke kring en op bijeenkomsten veelvuldig gezongen. Daar komt nog bij dat de Evangelische Omroep via radio en tv heeft bijgedragen aan de verbreding van de godsdienstige horizon.

Vorm en vrijheid
In de gereformeerde liturgische traditie bestaat er vanaf het begin een spanningsveld tussen vorm en vrijheid. “Vorm” staat voor het vaststaande element, de vaste liturgische ordening, de kerkelijk vastgestelde formulieren, de stilistische vormgeving bij de bediening van de sacramenten, de formuliergebeden, het Onze Vader, de geloofsbelijdenis, het kerkelijk goedgekeurde lied, het ambtelijke gezag, et cetera. Maar de vorm kwam ook voortdurend in de hoek van de verdachtmaking terecht: het zou kunnen leiden tot formalisme, tot een formele uitwendige waarheid, tot een verouderde gewoonte. Daartegenover staat dan de “vrijheid”: de vrijheid des Geestes wel te verstaan. Datgene wat direct opkomt uit het gemoed, de spontane geestesuiting, de hartstochtelijke vrije gebeden, het persoonlijke geloof, het profetische getuigenis, de getuigenissen van bekeerde mensen, het vrije woord in de preek.
Deze ambivalentie in de gereformeerde traditie heeft de eenheid in de liturgie altijd sterk onder druk gezet. Er is geen voorgeschreven liturgische ordening zoals in de Rooms-katholieke en Lutherse traditie. In de Hervormde Kerk bleef het dienstboek uit 1955 een dienstboek-in-ontwerp en het dienstboek uit 1998 van de SOW-kerken bleef een proeve. Dat is niet alleen een gevolg van de kerkelijke verdeeldheid, maar is inherent aan de gereformeerde traditie. Wie teveel hamert op de eenheid van de vorm, krijgt de vrijheid als een boemerang terug.

Gebedsleven
Bidden is een van de meest fundamentele geloofspraktijken. In het gebed treden we voor Gods aangezicht en vindt er een samenspraak plaats tussen God en mens. Juist in de protestantse traditie speelt die directe communicatie een belangrijke rol. God heeft gesproken en ons bidden is een antwoord op het spreken van God. Dit betekent onder andere dat het horen van de stem van God cruciaal is voor de gebedspraktijk. Uiteraard heeft dat horen van de stem van God te maken met het verstaan van de openbaring in Jezus Christus en met ons inzicht in het Schrift geworden Woord. Dat neemt echter niet weg dat het in het gebed gaat om een reële ontmoeting waarin de biddende mens een levendig en op het hier-en-nu betrokken besef van Gods tegenwoordigheid en werkzaamheid heeft. Ik kan daar nu niet uitvoerig op ingaan. Ik verwijs hiervoor naar mijn boek: Bidden in het besef van Gods tegenwoordigheid, Zoetermeer: Boekencentrum 2016).
Mij is opgevallen dat in de evangelische beweging het luisteren naar de stem van God als Gods antwoord op ons bidden een belangrijke rol speelt. Op die manier wordt de levendige wisselwerking tussen God en mens sterk beklemtoond. Het getuigt van de diepe overtuiging dat God niet alleen gesproken heeft in de openbaringsgeschiedenis, maar ook nu een levende werkelijkheid is. Dat actuele-spreken-nu is enerzijds een innerlijk horen of waarnemen van Gods stem, maar is anderzijds tegelijkertijd ingebed in concrete praktijken van Bijbellezen, gesprekken voeren, letten op bijzondere tekenen, mediteren, et cetera.
Ik noem nog enkele kenmerken die ik typerend vind voor het gebed in de evangelische beweging. (1) Een zekere gretigheid om buitengewone gebeurtenissen die plaatsvinden in het gewone en alledaagse leven te zien als antwoord van God op het gebed. Dus hele concrete aanwijzingen van God: een briefkaart, een telefoontje van iemand op een cruciaal moment, een onverwachte genezing, een plotseling inzicht, et cetera. (2) Het gemoedelijke praten met God. Ook wel ‘babbelend spreken’ genoemd. Vertrouwelijkheid en nabijheid voeren de boventoon, de heilige distantie schuift naar de achtergrond. Wie in gebed voorgaat in de samenkomst hanteert vaak die gemoedelijke toonaard, waardoor het onderscheid tussen een persoonlijk gebed en een publiek gebed nagenoeg verdwijnt. (3) Sterke nadruk op de ervaringen van God in het heden. Het geloof krijgt daardoor een enigszins actualistisch karakter. Het pleiten op de beloften en het beroep op de heilsfeiten treedt minder op de voorgrond. (4) De lofprijzing en de vreugde (als we de liedcultuur erbij betrekken) nemen een belangrijke plaats in. Na een blok lofprijzingsliederen kom je maar moeilijk in de modus van de verootmoediging. Dat heeft er ook mee te maken dat er minder besef is van de blijvende gebrokenheid en zondigheid in een mensenleven.

Overwegingen
Wie deelneemt aan een meer ‘hoog-kerkelijke’ viering komt in een heel ander klimaat dan het zojuist geschetste. De gebedsteksten zijn meer gestileerd en komen niet ter plekke op uit het gemoed. Willem Barnard noemde het ‘honds en brutaal’ om zonder zorgvuldige (schriftelijke) voorbereiding voor Gods aangezicht te verschijnen. Kyrie en gloria zijn meestal vaststaande teksten; het gebed van de zondag is een voor-geformuleerd gebed. De taal van de kerk der eeuwen klinkt door in de gezongen en gesproken woorden. Het is onjuist om te denken dat de gereformeerde orthodoxie alleen maar jongeren ‘verliest’ aan de evangelische beweging. Er zijn er ook heel wat die hun weg vinden in meer oecumenisch getinte kerkdiensten. Wie enigszins op de hoogte is van binnenkerkelijke twisten, weet maar al te goed dat het niet echt botert tussen de evangelische en oecumenische groeperingen. Op het gebied van de gebeds- en liedcultuur zijn de verschillen enorm.
Dat de bevindelijk gereformeerde richting wel meer ontvankelijk is voor de evangelische beweging is op zichzelf wel begrijpelijk. De aandacht voor persoonlijk geloof, voor de innerlijke werking van de Heilige Geest, voor de wedergeboorte en de heiliging komen overeen. Toch moeten we ons er niet op verkijken. De bevindelijk gereformeerde richting denkt vanouds kerkelijker en leerstelliger. Ik zeg bewust ‘vanouds’, want ik ben er niet zeker van dat er juist op deze punten verschuivingen optreden. Het besef van kerkelijke verbanden en structuren is tegenwoordig aan erosie onderhevig. Dat we deel uitmaken van een traditie, dat de Bijbel een heilshistorische component heeft, dat we opgenomen zijn in een groter verband dat de eeuwen omspant, dat de liturgie en de sacramenten een institutionele dimensie hebben – leeft dat besef wel voldoende? En dan het leerstellige: ik bedoel daarmee de geloofsinhoud. Juist bij de gebeden speelt de inhoud een grote rol. Guardini (Rooms-katholiek) heeft het ooit treffend zo verwoord: ‘Alle gebed is een verheffing van het gemoed tot God. Doch het gemoed moet ook door de gedachte geleid, gesteund, verlicht worden.’ Juist het gemeenschappelijke gebed in de eredienst moet gedragen worden door rijke godsdienstige gedachten. De gereformeerde traditie heeft daar juist wel oog voor vanwege de onderwijzende (vormende) component van de liturgie. En dat zit niet alleen in de preek, maar ook in de gebeden. Wie voorgaat in gebed in de kerkdienst moet een goed ontwikkeld dogmatisch bewustzijn hebben. Wat zeg je precies als je God aanroept om ontferming en genade te midden van de nood van de wereld? Wat vragen we als we voorbede doen voor zieken? In onze gebeden zijn we in de weer met de geheimen van het geloof en met de grote vragen van het leven. Dat vereist theologische bezonnenheid en pastoraal inlevingsvermogen.

Bewust gereformeerd
Staat de gereformeerde liturgie onder druk? In grote delen van de Protestantse Kerk in Nederland is de protestants-oecumenische liturgie stevig ingeburgerd. In sommige confessionele gemeenten heeft het Tafelgebed voet aan de grond gekregen. In het kader van deze bijdrage kan ik niet uitvoerig ingaan op de avondmaalsviering, maar daar ligt wel een belangrijke wissel wat de gereformeerde liturgie betreft. De epiclese (bede om de werking van de Heilige Geest) is ook in een gereformeerde avondmaalsliturgie essentieel, maar niet als onderdeel van het Tafelgebed. Waarom niet? Omdat de inzettingswoorden niet thuishoren in een gebed tot God, maar gesproken worden tot de gemeente. De gedachtenis van Christus heeft in een gereformeerde liturgie een instruerende functie met het oog op de communie. De gereformeerde Reformatie heeft welbewust een streep gehaald door het eucharistisch gebed (als offerhandeling) en dat heeft zijn stempel gezet op het karakter van de viering.
Op het punt van de avondmaalsliturgie is nadere bezinning trouwens hard nodig. Veel gemeenten weten niet goed raad met het erg lange klassieke formulier. Vanwege de evangelische invloed stuiten we uitgerekend hier op het spanningsveld tussen vorm en vrijheid. In evangelische kring ligt er niet alleen meer nadruk op het vreugdevolle karakter van de Maaltijd, maar wordt er ook veel losser omgegaan met vaststaande formuleringen. Vrije formuleringen van de gedachtenis van Christus door de voorganger zijn daar niet vreemd. Het klassiek-gereformeerde formulier bevat tal van oud-kerkelijke motieven die we niet verloren moeten laten gaan. Het klassieke karakter kunnen we handhaven als we het vierende karakter goed laten uitkomen en beseffen dat het onderwijzende deel gericht is op de waardige gedachtenis van Christus tijdens de communie.
Het is mogelijk om het eerste deel van het formulier dat gaat over het zelfonderzoek (en dat vaak gelezen wordt op de zondag voorafgaand aan de viering) een liturgische plek te geven in het aanvangsdeel van de kerkdienst. Dat is vanouds de plaats van de tien geboden en de verootmoediging, c.q. schuldbelijdenis. Het eerste deel van het formulier past daar naadloos in. Op die manier wordt het formulier minder statisch-didactisch en meer liturgisch-dynamisch. Dat brengt mij op een ander karakteristiek kenmerk van de gereformeerde liturgie: de gezamenlijke verootmoediging en schuldbelijdenis in het aanvangsdeel. Dat maakt de toonzetting van de dienst toch anders dan een kyrie en gloria. Ik weet wel dat de protestants-oecumenische liturgie een drempelgebed kent. Maar toch, het klinkt en voelt anders. En ook met het oog op de invloed van de evangelische liedcultuur op de gereformeerde liturgie is het gebed van verootmoediging een noodzakelijke tegenhanger om niet verzeild te raken in een zelfgenoegzame vroomheid.

Een gebed (in het aanvangsdeel van de kerkdienst)

Barmhartige God,
Vol dankbaarheid en vreugde zijn we hier bijeengekomen.
In onze liederen zingen we het uit.
U legt ons aloude woorden in de mond en geeft ons vreugde in het hart.
Wij danken U voor het leven dat U ons geeft en wij gedenken Uw goedheid.

Heere, we belijden dat U woont in heiligheid.
Dat doet ons soms huiveren:
 - als we merken hoezeer we vastzitten in een wereld vol onrecht en niets ontziend geweld
 - als we geconfronteerd worden met de donkere kanten van ons eigen bestaan
 - als we beseffen dat het ons niet lukt uw geboden te volbrengen.
Wij bidden U, barmhartige God, laat ons niet los.
Toon ons Uw vriendelijk aangezicht.
Kom in ons midden met Uw genade.
Omarm ons met de liefde van Jezus Christus.

Heere, we zijn bijeen om gesterkt te worden in het geloof.
We kunnen het zelf niet in stand houden. Soms dooft het uit.
Kom met Uw Geest. Inspireer ons door Uw Woord met inzicht en hartstocht.
Rust ons toe, opdat we hoopvol in het leven staan.
Amen

Dr. Gerrit  Immink is emeritus-hoogleraar praktische theologie van de Protestantse Theologische Universiteit. Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.


Afdrukken