31e jaargang nr. 2 (nov. 2017)
thema: En de aarde bracht voort

G. van den Brink
Hoe nu verder?

Wanneer ik probeer de reacties op En de aarde bracht voort tot dusver te overzien, dan laten die zich globaal indelen in drie groepen. Allereerst waren er veel dankbare reacties van lezers die zich door het boek geholpen wisten – de lezer zou het na het doornemen van de voorafgaande artikelen in dit nummer wellicht niet vermoeden, dus daarom begin ik er maar even mee.

Deze lezers hadden het gevoel dat hier vanuit de kerkelijke theologie ‘eindelijk’ serieus genomen werd wat iedereen buiten de bubble van kerk en theologie wel min of meer weet, maar wat in de kerken nog altijd met allerlei twijfels en verdachtmakingen omgeven bleef, namelijk dat het leven op aarde een evolutionaire geschiedenis heeft. Bovendien voelden ze zich geholpen door het feit dat de geloofsvragen die dat met zich meebrengt niet (zoals in vrijzinnige theologie vaak gebeurt) gemakkelijk weggewuifd werden, maar juist serieus werden genomen. En ten slotte hielp het hen dat door de problemen heen een begaanbare weg gewezen werd, waarbij het geloof beleden blijft worden in continuïteit met zowel de kerk der eeuwen als met de gereformeerde traditie. De nadruk die het boek legt op het blijvende belang van de trits schepping – zonde – verlossing als dragend gebinte van een bijbelse en gereformeerde theologie, was voor hen wat dat betreft verhelderend.
De meeste mensen die op deze manier reageerden, zijn christenen met een academische opleiding. Opgegroeid met het nodige wantrouwen jegens evolutie, ontdekten ze gaandeweg niet alleen dat de gangbare evolutietheorie goede papieren heeft, maar velen die haar onderschrijven dat op een integere manier doen, zonder enig anti-christelijk sentiment. Misschien moet men deze academische wereld ook wel enigszins van binnenuit kennen om te kunnen peilen hoe dat werkt, en hoe het komt dat de evolutietheorie nu ineens weer zo nadrukkelijk op de agenda staat in christelijke kring. Dat heeft iets te maken met de (doorgaande) emancipatie van orthodox-gereformeerde en evangelicale christenen, wier kinderen vaker dan voorheen een academische opleiding afronden. In de huidige discussie ziet men dan ook dat het onbegrip toeneemt naarmate men lager opgeleid is.

Klip en klaar
Toch is het goed een kanttekening te plaatsen bij deze wat stereotype duiding. Toen ik op een zondag in Katwijk aan Zee een kerkenraadskamer binnenstapte, vertrouwde een wat oudere ouderling me toe dat men in zijn gemeente geen moeite had met mijn denken, omdat de Katwijkse vissers regelmatig fossielen als bijvangst in hun netten aantreffen, en dan wel door hebben dat die vele malen ouder zijn dan de traditionele zes- tot tienduizend jaar. In mijn boek voer ik ergens een gereformeerde agrariër op, die op luide toon liet weten dat hij niet van de apen af wenst te stammen. Zo’n voorval bevestigt het stereotype beeld natuurlijk. Daarom is het goed hier een ander voorval naast te zetten. In reactie op de bijeenkomst van 22 september in Nijkerk waarop dit nummer van Kontekstueel grotendeels teruggaat, verklaarde een rustend boerin die alleen lagere schoolopleiding heeft genoten: ‘Zie je wel, ik heb van kinds af aan geweten dat je het scheppingsverhaal niet letterlijk moet nemen. Ik snap niet dat er nog steeds geleerde mensen zijn die dat wel doen.’ Het ligt dus niet zwart-wit. Omgekeerd is het ook goed aandacht te blijven geven aan twijfels rondom (de derde laag van) de evolutietheorie die in academische kring onverminderd blijven bestaan. Ook onder hoger opgeleiden met kennis van zaken ligt het niet eenduidig. De gedachte dat het inmiddels allemaal klip en klaar is en dat je dom bent als je de neodarwinistische synthese niet accepteert, is net zo ideologisch bepaald als de gekunstelde constructies waar creationisten vaak mee aankomen.

Afwijzing
Een tweede type reacties op En de aarde bracht voort bevond zich aan de andere kant van het spectrum, en bestond uit felle afwijzing en verdachtmaking. Opmerkelijk was dat deze reactie aanvankelijk uit bleef, maar pas na verloop van tijd opkwam, vooral bij mensen uit de rechterflank van de gereformeerde gezindte die het boek niet gelezen hadden, en soms zelfs (zoals in het geval van ds. C. Harinck) openlijk erkenden dat ze niet veel met de thematiek hadden. Het Reformatorisch Dagblad wist deze toon aanvankelijk te vermijden: de daarin geplaatste bijdragen, hoe kritisch ze soms ook waren, deden recht aan mijn intenties en gaven helder aan dat er geen reden was om op ketterjacht te gaan. Het gevolg daarvan was echter wel dat er op het grondvlak ‘verwarring’ ontstond, omdat men gewend was dat pogingen geloof en evolutie te combineren met een handomdraai afgewezen werden. Waarom gebeurde dat nu niet meer? Dat veel kritischer geluid uitte zich in sommige ingezonden brieven die geplaatst werden, en in reactie daarop leek ook de toon van de hoofdredactie (bijvoorbeeld in een tweede redactioneel commentaar dat aan de kwestie gewijd werd) te verharden.

Mijn indruk is wel dat dit type reactie beperkt blijft tot delen van de hersteld-hervormde kerk en de gereformeerde gemeenten. Een hersteld hervormde mannenvereniging trok haar uitnodiging om met haar over mijn boek van gedachten te wisselen schielijk weer in nadat een dominee ’s zondags op de kansel nogal fel uitgehaald had. De christelijke boekhandel in mijn woonplaats Woerden (met sterke banden in de Ger. Gem.) zag bij nader inzien toch maar af van het idee een inloopsessie rondom het boek te organiseren. En het Hoornbeeck-college in Apeldoorn trok zelfs een uitnodiging in om voor ouderejaars-leerlingen over een volstrekt ander (nl. apologetisch) thema te spreken – uiteraard niet omdat men er zelf een probleem mee had, maar omdat men telefoontjes van bezorgde ouders vreesde... De soms groteske vertekening van mijn visie in deze kringen is intussen stuitend. Zo zou ik evolutie ‘omarmen’ (waarom toch altijd dat emotioneel getinte werkwoord in plaats van het nuchtere ‘aanvaarden’?), de schepping ‘loslaten’, allerlei zaken voor ‘bewezen’ houden (een werkwoord dat ik juist vermijd), hoog opgeven van ons vermogen om zaken te doorgronden (dat doe ik juist niet), et cetera. Het zij zo. Het mag echter duidelijk zijn dat de vragen zich niet laten wegduwen. Laten we niet de fout van Assen 1926 herhalen. Want waar ze nú weggeduwd worden, melden ze zich ongetwijfeld in de volgende generatie des te heviger.

Waardering en kritiek
Het derde type reactie beweegt zich tussen beide polen in, en combineert waardering met kritiek. De waardering gaat doorgaans terug op een toegenomen probleembewustzijn: zo simpel als we vroeger dachten, ligt het blijkbaar niet. Men ziet dan ook in dat er gerede aanleiding is voor een hernieuwde bezinning op de oorsprongsvragen, en breder: op de vragen rond de verhouding van geloof en wetenschap. De oproep om een commissie te vormen die reformatorische kerken en scholen bij die bezinning wil helpen, is hier een teken van. Ook al zal dit er wel op uitdraaien dat er piketpaaltjes geslagen gaan worden rondom de ontwikkelingstheorie, zo’n initiatief is op zichzelf toe te juichen. Dat voorkomt hopelijk dat simplisme en vanzelfsprekendheid toch weer de toon gaan zetten.

De kritiek die op deze waardering volgt, komt intussen van twee kanten. Enerzijds zijn er die menen dat ik de gangbare historische lezing van de Bijbel teveel loslaat (zoals M.J. Paul in dit nummer). Ik erken dat ik als systematicus niet elke afzonderlijke bijbeltekst recht heb kunnen doen, en dat ik in die zin veel openlaat. Ik geef ook geen exegese van Genesis 2-3, omdat dat eenvoudig buiten de probleemstelling van het boek viel. Ik stel slechts de vraag: wat als de evolutietheorie klopt? en probeer helder te krijgen welke typen exegese daarmee verenigbaar zijn. Dat dat voor de ahistorische exegese geldt, wisten we al wel; spannender en verrassender is, dat daarnaast ook historische duidingen mogelijk blijven. Daar ben ik met name in geïnteresseerd, vanwege het historisch karakter van het christelijk geloof. Maar niet alle beschrijvende teksten kunnen zomaar historisch geduid worden. Pogingen om elke verwijzing naar contemporaine wereldbeelden uit de Bijbel weg te houden (bijvoorbeeld door, als het gaat over het mosterdzaad als kleinste van alle zaden, de woorden “in Israël” in de tekst binnen te smokkelen) zijn niet overtuigend. Daarom zullen we hier nader op moeten studeren: waar spelen toenmalige wereldbeelden een rol in de bijbeltekst, en waar niet? Dat wil natuurlijk niet zeggen dat zulke beelden – bijvoorbeeld in Genesis 2-3 – voor ons van nul en generlei waarde zouden zijn, en dat alleen de historisch kern over zou blijven. Het gaat er echter om dat we leren onderkennen wat er door de bijbelschrijvers met die beelden gedaan wordt: dáárin schuilt hun blijvende zeggingskracht, niet in hun letterlijkheid.

Anderzijds zijn er die menen dat ik juist teveel aan de gangbare historische lezing van de relevante bijbelteksten vasthoud (zoals T.A. Smedes in de Volkskrant en W.M. Dekker in dit nummer). Maar hebben die teksten niet óók een gebeurtenis-achtige strekking (om het woord historisch maar even te vermijden) dat we er niet van af kunnen pellen zonder ze onrecht te doen? Wie bijvoorbeeld probeert de zondeval op niet-historische wijze te duiden, komt in allerlei gedachtekronkels terecht die de notie van een val niet serieus nemen en ook niet meer in continuïteit staan met het historische christendom. De val wordt immers datgene wat er met ons allen gebeurt wanneer we zondigen, terwijl Bijbel (Rom. 5) en traditie (erfzondeleer) toch altijd de bijzondere rol van de eerste mens in dit opzicht erkend hebben.

Verder
Willen we met elkaar verder komen, dan moeten we misschien wat wegkomen uit de sfeer van eigen voorkeuren, en juist als het om de structuur van onze theologie gaat de continuïteit met het historische christendom in het oog houden. Daarbij kan met name het concilie van Chalcedon ons goede diensten bewijzen, vanwege de manier waarop men daar enerzijds volstrekt vasthield aan de goddelijkheid van Christus en anderzijds even compromisloos aan diens aanstootgevende aardsheid en menselijkheid. Die twee pasten uiteraard niet bij elkaar, vandaar de waarschuwing ze niet met elkaar te vermengen (‘onvermengd en onveranderd’). Maar ze kwamen in Christus nu juist wel bij elkaar, vandaar de oproep ze vooral bijeen te houden: ongedeeld en ongescheiden. In die richting moeten we het naar het mij voorkomt zoeken als het gaat om de verhouding van schepping en evolutie, theologie en geschiedenis, geloof en wetenschap. Vermeng ze in het lezen van de Bijbel niet met elkaar alsof je wetenschap, historie en evolutie er zomaar uit af zou kunnen lezen. Maar tegelijk: maak ze ook niet van elkaar los, want dan houd je al gauw een etherisch soort theologie over dat de band met de concreet-aardse geschiedenis kwijt is. Daarom: ja, Adam heeft ooit geleefd in de concrete geschiedenis, die aanstootgevende circa 45.000 jaar geleden, opkomend uit mensachtigen. En zijn val was maar geen historisch feitje – ze was meteen ook de onze. Vandaar dat Christus precies in die akelig concrete wereld af wilde dalen om mens te worden als wij, tot onze verlossing.

Prof. dr. Gijsbert van den Brink bekleedt de University Research Chair voor Theology & Science aan de faculteit der Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam. Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.


 


 

Afdrukken