31e jaargang nr. 2 (nov. 2017)
thema: En de aarde bracht voort

A. Markus
Schepping en evolutie – lessen uit het debat

Het gesprek over schepping en evolutie wordt vandaag op allerlei plekken gevoerd. Het is een grote verdienste van Gijsbert van den Brink dat hij met zijn heldere en doorwrochte boek dit debat een duw in de rug heeft gegeven. In dit artikel wil ik uit het debat zoals het rond het boek van Van den Brink gevoerd is en wordt een aantal lessen trekken voor verder gesprek.

In het debat wordt over en weer het verwijt gemaakt van het maken van een ‘categoriefout’. Maar mijns inziens gebeurt dat niet altijd terecht. De categoriefout waarover het gaat, is dat fysisch spreken (wetenschappelijk spreken) en metafysisch spreken (geloofsspreken) door elkaar worden gehaald of tot elkaar herleid. Wat er dan gebeurt is dat je een wetenschappelijk argument gebruikt voor een geloofsconclusie (of andersom: een geloofsargument voor een wetenschappelijke conclusie). Voorbeelden van deze categoriefout zijn: ‘We kunnen de geboorte van een kind wetenschappelijk helemaal verklaren, dus je kunt niet geloven dat dit kind een geschenk is van God’ en ‘Leven is ontstaan via evolutionaire processen, dus er is geen schepper’. Dit zijn categoriefouten, omdat wetenschappelijke verklaringen wel onderling met elkaar in conflict kunnen komen en geloofsverklaringen onderling ook, maar een wetenschappelijke bewering kan niet leiden tot conflict of bevestiging van een geloofsopvatting. Een wetenschappelijke (fysische) verklaring van een verschijnsel sluit daarom ook niet uit dat er ook nog een geloofsverklaring (metafysisch) kan zijn. Bijvoorbeeld omdat je gelooft dat God een kind geschonken heeft of deze wereld geschapen heeft doordat Hij door de natuurlijke processen heen heeft gewerkt.
Het feit echter, dat je wetenschappelijk spreken en het spreken van het geloof helder moet onderscheiden, wil echter helemaal niet zeggen dat je beide vormen van spreken niet op elkaar mag betrekken. We moeten niet gaan voor een boedelscheiding. Juist niet, want beide vormen van spreken gaan over dezelfde werkelijkheid. Zowel de wetenschappelijke theorieën over het ontstaan van het leven op aarde als het scheppingsgeloof gaan over dezelfde aarde.

1. Helder onderscheiden zonder boedelscheiding
Als Van den Brink scheppingsgeloof wil verwoorden met gebruik van wetenschappelijke inzichten, kun je daar van alles van vinden. Maar mijns inziens gaat hij niet zover dat hij bovengenoemde categoriefout maakt (Dat in tegenstelling tot wat Bert de Leede betoogt in een recent nummer van Wapenveld, nr. 4, jaargang 67). Zeggen dat God de wereld heeft geschapen en dat hij dat best gedaan kan hebben door middel van evolutie is geen categoriefout. Net zomin als zeggen dat de geboorte van een kind een geschenk is van God, omdat God doormiddel van de natuurlijke processen heeft gewerkt.
Van den Brinks voorstel om de zondeval 45.000 jaar geleden in het evolutionair proces te dateren, vind ik zelf niet zo overtuigend en je kunt er exegetische en hermeneutische bezwaren tegen invoeren. Zowel van de kant van wie Genesis 3 historisch letterlijk wil lezen als van de kant van wie Genesis 3 mythisch of symbolisch wil lezen. Maar toch lijkt me dat zelfs hier geen sprake is van de genoemde categoriefout (zoals enkele auteurs in deze Kontekstueel wel suggereren). Zolang de zondeval maar niet als bewijs voor een bepaald stadium in de evolutie wordt aangevoerd of een bepaald evolutiestadium als bewijs voor de zondeval wordt aangevoerd.

2. Blijven vasthouden aan een open werkelijkheid
Geloven in God die mens wordt in Jezus, die handelend optreedt, ook in het scheppingsproces, veronderstelt ruimte voor het handelen van God in onze werkelijkheid. Dat is een geloofsveronderstelling die (per definitie) niet door de wetenschapen kan worden uitgesloten, maar wel door veel wetenschappers wordt verworpen.
Christenen geloven echter wel in een open werkelijkheid. Een werkelijkheid die ook open is voor handelen van God tegen de natuurwetten in, voor zover wij die kennen. Denk aan opstanding, maar je kunt ook denken aan zulke ‘bovennatuurlijke’ ingrepen tijdens het scheppingsproces.
Maar het is niet nodig en helemaal niet Bijbels of eigen aan het christelijk geloof om Gods handelen in de werkelijkheid te beperken tot ingrepen en optreden tegen de natuurlijke orde in. Heel veel van Gods handelen in onze wereld gaat via natuurlijke processen. God handelt bijvoorbeeld via natuurlijke oorzaken en processen bij de geboorte van een kind. Dat kun je ook zo geloven ten aanzien van het ontstaan van de aarde en het leven daarop. Mochten wetenschappelijke hypothesen en theorieën goede verklaringen bieden voor het ontstaan van leven of het ontstaan van het universum, dan is er niets mis mee als je als gelovige op grond van de openheid van de werkelijkheid veronderstelt dat God op die manier gehandeld heeft. Wetenschappelijke inzichtelijkheid in ontstaansprocessen doet niets af aan de grootsheid van Gods scheppingshandelen.

3. Geloof niet ophangen aan een bepaalde stand van zaken in de wetenschap
Wetenschappelijke inzichten kunnen altijd wijzigen. We moeten als gelovigen wetenschap ook wetenschap laten en niet verheffen tot geloof. We geloven dat God de wereld en onszelf geschapen heeft. Hoe precies, dat mogen wetenschappen proberen te achterhalen. Nu is het mainstream om dat te doen via evolutietheorieën en de bigbang theorie. Op een later moment kantelt de wetenschap misschien en raken andere hypothesen in zwang. Dat is prima, dan zijn dat de hypothesen die wetenschappelijk iets zeggen over processen die God wellicht heeft gebruikt in zijn scheppingswerk.
Maar we geloven niet in evolutie of andere wetenschappelijke theorieën, we geloven in God de schepper die nog steeds scheppend en onderhoudend optreedt in onze wereld.

4. Schriftvisie en leren Bijbellezen
In de ontmoeting met moslims is het me meerdere malen opgevallen hoe zij hun geloof in de Koran als openbaring van God verdedigen door te betogen dat de Koran onfeilbaar is in alle opzichten. Er staan geen onjuistheden in, ook geen wetenschappelijke onjuistheden. Ga de Koran maar lezen, dan zie je het vanzelf dat het goddelijke openbaring is. Mijns inziens is dat niet de schriftvisie die wij als christenen moeten aanhangen. Wij geloven in een God die mens werd en zijn openbaring in de Schriften heeft ook iets van incarnatie. De Bijbel is Gods Woord omdat zij ons tot Christus brengt, in wie wij God ontmoeten. De Bijbel is waar en betrouwbaar omdat God ons met zijn Geest van die waarheid overtuigt, niet omdat de Bijbel op historisch, natuurwetenschappelijk of biologisch vlak geheel en al onfeilbaar is. God is een levende God die niet zit opgesloten in de Bijbeltekst of in de intentie van de auteurs, maar Hij spreekt ons in en door de Bijbeltekst nu aan.
De pogingen om te laten zien, in het hele debat van schepping en evolutie dat de Bijbel geen wetenschappelijk onbetrouwbare dingen overlevert, door de wetenschap aan te passen of door de wetenschap in te lezen in te Bijbel, lijkt me anachronistisch, niet vruchtbaar en niet christelijk. Leer mensen om als orthodox gelovige de Bijbel te lezen als openbaring die ons onfeilbaar vertelt wie God is en wie wij zijn in zijn ogen. Die openbaring gaat zeker ook over historische gebeurtenissen en over de werkelijkheid die wij wetenschappelijk onderzoeken, maar heeft niet de intentie om historisch of wetenschappelijke correctheid na te streven.

5. Dateren van zondeval niet noodzakelijk
Van den Brink doet een creatieve poging om het theologische gegeven van de zondeval, in te lezen in de door wetenschap geformuleerde geschiedenis. Daar is op zich niets mis mee (al maakt hij het wel heel erg belangrijk). Mijns inziens moeten we niet te veel ophangen aan zo’n mogelijke datering, omdat dat voor het christelijk geloof niet noodzakelijk is. Net zomin als het noodzakelijk is om Adam per se als een historisch persoon te zien. Het lijkt me voldoende om te zeggen dat de mens een gevallen wezen is, ongehoorzaam geworden aan Gods roeping om naar Gods wil te leven. Hoe dat precies gegaan is in de geschiedenis, dat is minder relevant. Het is bovendien ook zeer speculatief om op dit vlak dateringen te doen, omdat ook de wetenschap maar weinig harde feiten heeft over de werking van het brein en het morele besef dat mensachtigen hadden en dat de homo sapiens had in verschillende stadia.
Als je wilt speculeren over hoe de zondeval plaatsvond, dan voel ik me meer thuis bij C.S. Lewis die een speculatie heeft – die zelfs wel wat lijkt op die van Van den Brink – maar die nadrukkelijk presenteert als ‘mythe’ (in de zin van ‘een niet onwaarschijnlijk verhaal’),[1] en veel minder als een (bijna) historisch dateerbare gebeurtenis.
Kortom, er zullen ooit mensen voor het eerst gezondigd hebben, door Gods roeping ongehoorzaam te zijn. Dat zal ergens gebeurd zijn in de evolutionaire ontwikkeling van de mensheid. Maar voor het geloof hoeven wij niet te weten wie, wanneer en hoe.

6. Het scheppingsgeloof verwoorden in taal van vandaag
Toch moet de waarde van het voorstel van Van den Brink of van C.S. Lewis ten aanzien van de zondeval niet onderschat worden. Het evolutionisme vertelt haar levensbeschouwing door de pure wetenschappelijke ontdekkingen en verklaringsmodellen te mixen met geloofsvooronderstellingen, bijvoorbeeld de vooronderstelling dat alles materie is. Zo vertelt ze haar levensbeschouwing als een groot verhaal, dat laat zien hoe wetenschappelijke inzichten aansluiten bij seculiere geloofsinzichten. Dit vertellen als verhaal heeft een ongelofelijke impact op mensen in onze cultuur, ook op mensen die christelijk zijn opgevoed.
Daarom kan het enorm waardevol zijn om ook als christen en theoloog zo'n verhaal te vertellen. Vertel het christelijk geloof in schepping en zondeval ook door gebruik te maken van wetenschappelijke inzichten als een verhaal voor mensen die nu leven in een verwetenschappelijkte cultuur.
“Wij geloven in Jezus Christus, in wie God mens werd, de God die de wereld schiep en je zou je kunnen voorstellen dat het met die schepping gegaan is op de manier van …” “In Jezus komt God mensen redden die gevallen zijn in zonde en daarin gevangen zijn, stel je voor dat die zondeval zo is gegaan bij de homo sapiens, etc.”

Het kan dat je als theoloog het verhaal van Van den Brink niet overtuigend vindt of te mager. Uitstekend, maar waag zelf ook een poging! Niet om de categoriefout te maken dat je wetenschappelijke inzichten als argument invoert voor geloofsmatige, theologische beweringen, laat staan om het scheppingsgeloof afhankelijk te maken van een bepaald wetenschappelijk model, maar om over je theologie en je geloof te vertellen met gebruikmaking van de taal en inzichten van onze huidige tijd.
Eigenlijk op vergelijkbare wijze als de schrijver van Genesis 1 en die van Genesis 2 en 3 het geloof in God de schepper verwoordt met behulp van kritische gebruik van de mythische taal en het mythische wereldbeeld van hun dagen of zoals Paulus in Kolossenzen 1 kritisch taal en denkbeelden van de vroege gnostiek gebruikt om (tegen de gnostiek in) het geloof te verwoorden dat door Jezus Christus alles geschapen is. (Zie voor dit 'vertellen in de taal van een ander' h. 2 uit Van Beeks Een lichtkring om het kruis. Scheppingsleer in een christologisch perspectief). Doe een poging om tegen het Evolutionisme in met kritisch gebruik van inzichten uit de evolutiewetenschappen het geloof in God de Schepper te verwoorden voor onze tijd.

Dr. Arjan Markus is predikant (PKN) te Rotterdam-Delfshaven en voorzitter van de redactie van dit blad. Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

[1] C.S. Lewis, Het probleem van het lijden (Kampen 2001), p. 76 e.v.


 


 

Afdrukken