34e jaargang nr. 3 (jan. 2020)
thema: Gender en transgenders

Henk Jochemsen
Elkaar aanvaarden en bevragen
Woord en wederwoord (2)

De redactie van Kontekstueel heeft mij gevraagd om een reactie te schrijven op het artikel van Jolanda Molenaar en Heleen Zorgdrager. In mijn ‘wederwoord’ volg ik min of meer de vier ontwikkelingen die zij graag op gang zien komen in – wat zij noemen – orthodox-gereformeerde kerken. Om te beginnen de ontwikkeling met betrekking tot de opvattingen over Schriftuurlijke waarheid.

De omgang met de Bijbel is altijd spannend. Hoe benaderen we die compilatie van geschriften? Als neerslag van ervaringen van mensen met wie of wat zij ervaren als God? Ervaringen die ons kunnen helpen om die God ook te leren kennen? Of als Woord van de levende God die zich aan mensen bekendmaakt en dwars door menselijke ervaringen en verwoordingen heen dat doet op een manier die voor ons normatief is? Hoewel dit een versimpelde tegenstelling is, vallen mijns inziens op dit vlak ook voor ons onderwerp cruciale beslissingen. Molenaar en Zorgdrager lijken mij in de buurt van eerstgenoemde opvatting te zitten, ikzelf zit bij de tweede.
Ik erken het risico dat hier gesignaleerd wordt in orthodoxe kring. In de omgang met elkaar binnen de kerk wordt gevraagd allereerst goed te luisteren en het oordeel op te schorten. En wel des te langer naarmate de ander ervaringen verwoordt die we moeilijk begrijpen. Maar een gemeente die wil leven naar aanwijzing van Gods Woord kan er niet omheen op een gegeven moment elkaar te bevragen over Gods bedoeling met mensen en met ieders leven. En dan is een duiding van genderdysforie onvermijdelijk. Ik erken ook dat daarbij de vier bronnen die Molenaar en Zorgdrager noemen, een rol spelen. Hermeneutische sensitiviteit is zeker belangrijk. Maar dat maakt niet alles vloeibaar. Molenaar en Zorgdrager geven geen enkele duiding van genderdysforie afgezien van de ervaringen van de betreffende mensen. Dat is te weinig om te komen tot een christelijk zicht op het ‘goede leven’, ook van transgenders.

Schepping, zonde en kwaad
Met de duiding van Molenaar en Zorgdrager van de ervaringen van transgender personen kan ik niet meegaan. Allereerst verdwijnt het onderscheid tussen schepping, intrede van het kwaad, verlossing en voltooiing. De schepping is zeker dynamisch maar in onze wereld zijn schepping en verstoring vaak onontwarbaar vermengd. De verstoringen in het leven en in de werkelijkheid zijn niet een foutje van God, maar doorwerking van het kwaad dat door menselijke schuld in de wereld is gekomen. In ieders leven manifesteert zich die verstoring, al is het bij de een zwaarder dan bij de ander. Een concrete verstoring mag ook niet gezien worden als persoonlijke schuld van die het betreft (vgl. Johannes 9).
Als genderdysforie een schepselmatige variant van mens-zijn zou zijn, waarom ervaren zoveel transgenders hun situatie dan als zo problematisch? Vanwaar die ervaring van verscheurdheid? Waarom die uiterst ingrijpende medische interventies om het leven in hun ervaring beter leefbaar te maken? Dat is toch om datgene wat als probleem wordt ervaren zo goed mogelijk ‘bij te stellen’?
Men kan erkennen dat genderrollen in belangrijke mate cultuurafhankelijk zijn, zonder van mening te zijn dat sekse een glijdende schaal is tussen (extreem) mannelijk en (extreem) vrouwelijk. Intersekse condities worden toch ook algemeen als een probleem ervaren dat men met medische ingrepen zo goed mogelijk tracht te herstellen? In hulp die tracht lijden dat met iemands conditie gepaard gaat, te verlichten, zien we inderdaad iets van Gods liefde. Zoals ook Jezus mensen genas, maar niet aandoeningen, van welke aard ook, tot variant van Gods schepping verklaarde. En dat in de verheerlijkte schepping in Gods rijk seksualiteit niet meer zal functioneren zoals nu, en genderdysforie verleden tijd zal zijn, en ook geheiligde ervaringen van gelovige transgenders iets moois zullen bijdragen, betekent nog niet dat we nu gegeven ordeningen met technische middelen mogen doorbreken.

Pastoraat en inclusiviteit
Met deze insteek in het pastoraat kan ik in belangrijke mate meegaan. Met de kanttekening dat de leiding van de Heilige Geest niet buiten Gods Woord omgaat. En dat er dus in het pastoraat ook plaats zal komen voor ambtelijke en onderlinge spiegeling van ons leven in het licht van dat Woord. En dan is de vraag naar wat de goede weg is in de schrijnende problematiek van genderdysforie op termijn onvermijdelijk. Daarbij spelen diepgaande antropologische en medisch-ethische vragen. Ik noem enkele kwesties, zonder er hier op in te kunnen gaan.  Is de uitspraak: ik ben een vrouw in een mannenlichaam (of omgekeerd), niet een vorm van dualisme, en een vorm van psychisch essentialisme die antropologisch wel heel problematisch is? Zit in de ervaring en zelfduiding van veel mensen met genderdysforie niet een enorme spanning? Als transgenderisme of transseksualiteit dan een normatief valide tussenvorm is tussen man en vrouw, zoals ook door Molenaar en Zorgdrager wordt voorgesteld, waarom zoeken veel van hen dan de transitie naar een van beide? Gaat de praktijk van de transitie van biologisch naar ervaren geslacht en gender niet juist uit van het onderscheid tussen man en vrouw? En, meer op het vlak van de medische ethiek: is de zelfervaring van transgenders voldoende grond voor zulke ingrijpende interventies als volledige transitie? Als medische mogelijkheden instrument worden van individuele zelfervaringen – hoe sterk en schrijnend die ook zijn – dreigt het lichamelijke bestaan substraat en de arts ingenieur te worden van de gewenste identiteit. Mede door allerlei nieuwe technische mogelijkheden komt deze problematiek steeds sterker op ons af. Temeer wanneer er sprake is van een huwelijk en eventueel ook van kinderen, vind ik volledige transitie, dus inclusief alle operaties, ethisch ten minste problematisch.
Dit neemt niet weg dat de gemeente in het pastoraat gemeenteleden met genderdysforie blijft begeleiden en als mens ondersteunen zonder morele steun voor de weg die iemand gaat; althans zolang die persoon dat toestaat en zolang de gemeente dat kan hanteren zonder gespleten te raken. Een kerkelijke viering of zegen van een transitie lijkt mij theologisch in diverse opzichten onbegaanbaar. Een kerkelijke liturgie kent altijd een element van viering van Gods heil. En ook wanneer een transitie, in elk geval in eerste instantie, als een positieve stap wordt ervaren, blijft die stap naar mijn besef te zeer staan in het teken van de gebrokenheid, die ook na transitie ervaarbaar blijft, om die te vieren als gestalte van heil. Wel dient een transgender gemeentelid in alles met gebed te worden omringd en zoveel mogelijk geholpen in het dragen van de moeiten, zowel voor als na een transitie.

Prof. dr. ir. H. Jochemsen, voormalig directeur van het Prof. Lindeboom Instituut en emeritus bijzonder hoogleraar christelijke filosofie te Wageningen. Hij is eveneens ouderling in de Christelijk Gereformeerde Kerk te Bennekom-Oosterbeek.
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Afdrukken