34e jaargang nr. 4 (maart 2020)
thema: 75 jaar bevrijding

George Harinck
De Nederlandse kerken en de Duitse bezetting

De geschiedenis van de Nederlandse kerken onder de Duitse bezetting is moeilijk te begrijpen zonder de vooroorlogse periode daarbij te betrekken. Voor de Nederlandse kerken in de jaren dertig was Duitsland ver weg. De kerken waren nationaal georganiseerd en georiënteerd. Ze kenden hun plaats, op behoorlijke afstand van de politieke en de maatschappelijke actualiteit. De Duitse inval van 10 mei 1940 overviel de kerken net zozeer als de gehele natie en zorgde voor verwarring en mijdingsgedrag, maar ook voor heroriëntatie en confrontatie.

Ook in de kerken was men uiteraard op de hoogte van de revolutie die de Machtübernahme van januari 1933 in Duitsland teweeg had gebracht. Maar dat was een politieke gebeurtenis, in een buurland bovendien. Daar reageerden kerken in het algemeen niet op. Alles wat samenleving en politiek betrof was voor de kerk feitelijk taboe. Dit had te maken met de scherpe scheiding tussen kerk en staat die de grondwet van 1848 bewerkstelligd had. Er was in Nederland geen staatskerk of bevoorrechte kerk, en de godsdienstvrijheid was algemeen. Dit impliceerde dat er in het publieke domein geen rol was voor één van de kerken.

Daar kwam nog bij dat de sinds omstreeks 1900 dominante samenlevingsvisie van de gereformeerden (kuyperianen) inhield dat ook organisatorisch de kerk buiten politieke en maatschappelijke kwesties stond. Voor sociale vragen was er, volgens de kuyperiaanse idee van de ‘souvereiniteit in eigen kring’, de vakorganisatie, voor politieke vragen de ARP, CHU en RKSP of andere partijen. De kerk had een ring van organisaties om haar heen, die haar reikwijdte beperkte. Dit maatschappelijk isolement van de kerk was voor sommigen in katholieke en protestantse kring een punt van zorg. Zij meenden dat de stem van de kerk werd verstikt, of dat ze te zeer de burgerlijk-kapitalistische samenlevingsstructuur als feit nam en stimuleerden een kritische bezinning op de rol van de kerk. Sommigen bekritiseerden het burgerlijke karakter van de kerk, anderen zochten een verband met het socialisme. Na de Eerste Wereldoorlog kregen deze laatste opvattingen een organisatorische bedding in onder meer de vredesbeweging, de Nederlandse Christen-Studenten Vereniging (NCSV) en het christen-socialisme in de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP). In katholieke kring ging de Katholieke Actie de strijd aan tegen secularisering van de samenleving. Er moest weer een ‘bezield verband’ (Hendrik Marsman) komen dat als een middeleeuwse kathedraal over alles heen welfde. Bij protestanten was er de roep om een radicaler en kritischer boodschap van de kerk (Karl Barth).

Van veel kerkelijke sensitiviteit ten aanzien van maatschappelijke uitsluiting of uitholling van de democratie was geen sprake. Het antikapitalistische, antiburgerlijke communisme werd over het algemeen als een veel groter gevaar gezien dan het ‘positieve christendom’ van het nationaalsocialisme in het gerespecteerde Duitsland. In dit licht valt op dat een aantal kerken zich midden jaren dertig desondanks uitsprak tegen onder meer de nationaalsocialistische ideologie van de NSB en tucht oefende over leden die zich bij deze politieke partij hadden aangesloten. Dit was uniek, niet eerder hadden kerken een specifieke politieke organisatie afgewezen. Deze positiekeuze betrof de Rooms-Katholieke Kerk en een aantal kleinere protestantse kerkgenootschappen, maar niet de intern verdeelde Hervormde Kerk, waar predikanten zich openlijk tot de NSB bekenden. De reden van deze kerkelijke uitspraken was niet, dat zoveel kerkleden zich bij de NSB aansloten. Het feit dat de partij zich op het christendom beriep, maakte het echter wenselijk de afstand tot haar ideologie te markeren. De argumenten van kerken tegen de NSB waren niet zozeer politiek (democratie ingeruild voor dictatuur) of sociaal (protest tegen antisemitisme) als wel ideologisch: de leer van het nationaalsocialisme stelde staat of ras boven godsdienst en was daarom heidendom.

Deze uitgesproken stellingname, die niet in lijn lag met de traditie van maatschappelijke en politieke onzijdigheid, was gewaagd (denk bijvoorbeeld aan het feit dat deze positiekeuze van de Nederlandse katholieke kerkprovincie afweek van de koers van Rome, dat een concordaat sloot met het Derde Rijk) en kreeg binnen de kerken kritiek. Er leefde binnen de kerken wel enige sympathie voor het vaderlandslievende karakter van de NSB en haar zin voor fatsoen en nationale eensgezindheid. Het ideaal van een nationale kerk in een protestantse natie (Ph.J. Hoedemaker) had er raakvlakken mee. Slechts een kleine kring binnen de kerken opereerde voor de oorlog in de zin van de kritische stellingname. Daartoe moeten vooral de barthianen gerekend worden en ook gereformeerden, zoals de jurist V.H. Rutgers en de theoloog K. Schilder. De barthianen stonden in verbinding met de kring rond Karl Barth in Duitsland en breder met de Bekennende Kirche aldaar. Deze verzetten zich na 1933 binnen de tot staatskerk gelijkgeschakelde Deutsche Evangelische Kirche onder meer middels de Barmer Thesen uit 1934 tegen de inmenging van het nationaalsocialisme in de kerk. Deze tegenspraak maakte Hitler voorzichtiger in zijn omgang met de kerk. De Duitse kerkstrijd kreeg met name via barthianen aandacht in kerkelijk Nederland. Hitlers gevangene uit de Bekennende Kirche, ds. M. Niemöller, werd een bekendheid in ons land.

Toen het Duitse leger op 10 mei 1940 Nederland binnenviel, was van een politieke stellingname van de kerken dus nauwelijks sprake geweest en moest er ideologisch nog meer helderheid komen. Maar de schending van de soevereiniteit raakte wel de nationale snaar in de Hervormde Kerk. Voor het eerst sinds de negentiende eeuw richtte deze kerk zich die meimaand met een woord van troost niet tot haar leden, maar tot het gehele Nederlandse volk. Voor de secretaris van de hervormde synode ds. Koeno Gravemeijer lag dit in lijn met zijn hoedemakeriaanse afwijzing van de scheiding van kerk en staat.

Vanaf het begin van de bezetting rees de vraag wie de overheid was waarvoor in de kerkdiensten voorbede moest worden gedaan: de Nederlandse regering in London of de Duitse bezetter? Het gebed voor de overheid werd een brandpunt van conflict met de bezetter. Vele predikanten zijn gedurende de oorlog om deze reden gearresteerd.

Kerkelijke stellingname
De vraag was dus hoe te handelen in de nieuwe situatie van de bezetting. Hoe uitdagend die vraag was, blijkt uit het feit dat de protestantse kerken in de zomer van 1940 hun tegenstellingen overwonnen en besloten hierover gezamenlijk te overleggen. Dit was een unieke stap, die nog betekenisvoller werd toen in 1941 ook de Rooms-Katholieke Kerk zich bij dit Interkerkelijk Overleg (IKO) aansloot. Vanaf het najaar van 1940 hebben de kerken – de één meer geremd dan de andere – via verzoeken en kanselboodschappen blijk gegeven van hun kritische houding ten aanzien van het beleid van de bezetter. Hun eerste verzoek betrof het intrekken van het ambtenarenverbod voor Joden (via de zgn. Ariërverklaring). Kanselboodschappen volgden en het liep uit op regelrechte publieke afwijzing van het nationaalsocialisme in een herderlijk schrijven uit 1942 en een protest uit 1943 tegen het vertreden van de gerechtigheid, barmhartigheid en vrijheid van levensovertuiging, zowel wat betreft het verdelgen van Joden als de verplichte arbeidsdienst, de schending van de onderwijsvrijheid, de gedwongen tewerkstelling in Duitsland, de onmenselijke concentratiekampen en het doden van gijzelaars. Dit laatste protest was feitelijk een oproep tot burgerlijke ongehoorzaamheid: wie meewerkte aan het bezettingsbeleid was medeschuldig aan het kwaad.

Het is moeilijk uit te maken wat het effect van deze stellingname van de kerken op het beleid van de bezetter is geweest. Soms leek het erop dat de bezettende macht even pas op de plaats maakte, bijvoorbeeld toen de kerken protesteerden tegen de sterilisatie van Joodse partners van gemengd gehuwde paren en opriepen deze ‘schandelijke praktijken’ te verhinderen.[1] Maar evenzeer leek door de jaren heen elk protest van de kerken tegen de Jodenverdelging wel zinloos te zijn. Het schrijnendst is misschien de interventie van de kerken ten bate van gedoopte Joden. Het kerkelijke protest tegen hun deportatie leidde er begin 1943 toe dat deze in Vught werden ondergebracht. Even later bleek dat katholieke Joden deze bijzondere behandeling alsnog niet kregen, omdat de Katholieke Kerk te kritisch sprak naar Duitse zin. De hervormde predikant J. Koopmans deed — ondanks zijn bezwaren tegen het gemaakte onderscheid tussen Arische en Joodse christenen — zijn best doopbewijzen voor Joden te regelen, maar liep vast op de synodale bureaucratie en de Duitse passiviteit.[2] Want uiteindelijk bleken de Duitsers zulke uitzonderingen alleen te maken om de niet-Joodse bevolking gerust te stellen en werden deze Joden in 1944 alsnog gedeporteerd.[3]

Feit is dat de Nederlandse kerken, anders dan de Duitse, niet alleen hun eigen domein hebben verdedigd tegen de nationaalsocialistische ideologie, maar ook zijn opgekomen voor de beginselen van een christelijke samenleving, die vorm hadden gekregen in zaken als de vrijheid van onderwijs en jeugdwerk onafhankelijk van de staat. Er is in Nederland geen kerkstrijd ontbrand. Misschien waren de nationaalsocialisten voorzichtiger geworden na de Duitse kerkstrijd, misschien was de tegenstand van de Nederlandse kerken voor hen beheersbaar. Ook gold dat de Duitsers aan het Arische ras verwante volken als het Nederlandse meer toelieten, ook aan kerken, en dat ze zoals elk dictatoriaal regime beducht waren om martelaars te maken. Hoe dan ook, in Nederland werd de kerken enige ruimte gelaten om hun invloed uit te oefenen. Ook de aanval op het christelijke onderwijs uit 1941 is door de Duitsers niet doorgezet. Wel werd de kerkelijke pers aan banden gelegd en werden christelijke organisaties ontbonden. Kardinaal Jan de Jong voorkwam gelijkschakeling van katholieke organisaties door zijn kerkleden kort voordien met succes op te roepen deze te verlaten.

Niet zwart-wit
De kerkelijke tegenstem was niet zonder betekenis, al hebben kerken ook geaccommodeerd en hebben ze fouten gemaakt. Nochtans was de kerk tijdens de bezetting één van de weinige instituten die niet gelijkgeschakeld was. Daar kon je nog een Nederlands geluid horen dat niet door de Duitse censuur gefilterd was, soms expliciet in een voorbede voor het koningshuis of in een preek, soms in de codetaal van een Bijbeltekst als ‘Vergeet de herbergzaamheid niet’ (Hebr. 13:2). Loe de Jong concludeert dat de kerk in Nederland ‘de leer en de praktijken van de bezetter veelvuldig en duidelijk publiekelijk verworpen en bestreden heeft’.[4]

Volgens Ger van Roon hadden de kerken een veel sterkere positie dan ze dachten, maar is deze door hen onvoldoende onderkend en uitgebuit.[5] Dat zou waar kunnen zijn. De kerken deinsden na hun protesten herhaaldelijk terug voor Duitse dreigementen, of kerken deden dat zekerheidshalve uit zichzelf. Angst was geregeld raadgever. Daarbij speelde ook de vraag mee of de bezetting niet als straf van God passief moest worden ondergaan en of verzet tegen de overheid niet in strijd was met Romeinen 13? Aan de bevindelijke rechterflank van het protestantisme werden deze vragen het vaakst positief beantwoord, maar dat betekende nog niet dat daar meer met de bezetter werd gecollaboreerd dan in andere protestantse kringen, al was de accommodatie er veelal sterker.[6] Maar anderzijds werden de kerken vanwege hun tegenstem door de bezettende macht hard getroffen. Aan protestantse zijde werden in Nederland 200 predikanten gearresteerd en deels naar kampen afgevoerd, dat is een kleine tien procent van deze beroepsgroep. Bijna 40 predikanten kwamen om door Duitse hand. In Azië kwamen er nog eens 65 om onder de Japanse bezetting.[7] Nochtans zweeg de kerk niet.[8]

Vijf notities
Wat heeft de bezetting betekend voor de kerken? Ten opzichte van de vooroorlogse situatie – maatschappelijke afzijdigheid en ideologische onduidelijkheid – zijn de volgende notities te maken:
1. De Hervormde Kerk heeft in de oorlog een rol als kerk voor de Nederlandse samenleving op zich genomen. Daarbij speelde negentiende-eeuwse nationale kerkidealen als van Gravemeijer en barthiaanse ideeën omtrent een kritische stem van de kerk in de samenleving vruchtbaar op elkaar in. De Hervormde Kerk kwam herboren de oorlog uit, devalueerde de christelijke organisaties en was vervuld van elan om een centrale positie in de samenleving te vervullen als Christus belijdende volkskerk. De Gereformeerde Kerken scheurden door de Vrijmaking van 1944. Deze kerken verloren daardoor een deel van hun wel zeer sterk zelfbewustzijn van voor de oorlog, terwijl de nieuwe Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) net als de Hervormde Kerk het kerkelijk instituut ontdeden van haar vooroorlogse onmachtige positie.
2. Tot aan de rechterflank van de protestantse kerken verloren de kerken iets van wat Bosma hun ‘maatschappelijk onschuld’ noemde. Geen bemoeienis hebben met de samenleving is ook een bemoeienis en de kerken beseften dat hun afzijdigheid niet mocht betekenen dat totalitaire ideologieën de daardoor ontstane morele leegte in de samenleving kunnen vullen.
3. De Rooms-Katholieke Kerk won nationaal in aanzien door haar moedige rol in de oorlog onder leiding van kardinaal de Jong.
4. Er ontstond een begin van wederzijdse herkenning tussen de kerken die na de oorlog niet geheel ongedaan gemaakt is.
5. De kerken waren in de oorlog geen schuldige toeschouwers, maar kort na de oorlog werd toch te nadrukkelijk de aandacht gevestigd op het verzet dat ze hadden gepleegd. Het menselijke (en theologische) tekort jegens de Joodse gemeenschap werd toen nauwelijks verdisconteerd.

Prof. dr. G. Harinck is hoogleraar geschiedenis aan de Theologische Universiteit Kampen en de Vrije Universiteit Amsterdam. Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

[1] Katja Happe, Veel valse hoop. De Jodenvervolging in Nederland 1940-1945, Amsterdam/Antwerpen 2018, 257.
[2] C.C. den Hertog, Het spreken van de kerk in de theologie van J. Koopmans, Utrecht 2018, 64-69.
[3] Happe, Veel valse hoop, 236, 280-281.
[4] L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 5, ’s Gravenhage 1974, 664.
[5] Ger van Roon, Protestants Nederland en Duitsland, 1933-1941, Kampen 19902, 317.
[6] E.G. Bosma, Oude waarheid en nieuwe orde. Bevindelijk gereformeerden en het nationaalsocialisme 1920-1950, Apeldoorn 2015, 593-601; zie ook 304-307.
[7] Jan Ridderbos, ‘Totaaloverzicht van Nederlandse predikanten in kampen te West-Europa’, in: George Harinck en Gert van Klinken, Van kansel naar barak. Gevangen Nederlandse predikanten en de cultuur van herinnering, Zoetermeer 2011, 196-198.
[8] Jan Bank, God in de oorlog. De rol van de kerk in Europa 1939-1945, Amsterdam 2015, 209.

  

Afdrukken