39e jaargang nr. 2 (maart 2025)
thema: Dona nobis pacem. Over oorlog en vrede
Pieter Vos
Gevechtsbereid of gericht op vrede?
In zijn spraakmakende eerste toespraak als NAVO-chef benadrukte Mark Rutte dat het tijd is om ons mentaal voor te bereiden op oorlog. In de Nederlandse krijgsmacht domineert momenteel het narratief van ‘hoofdtaak 1’: het beschermen van het eigen grondgebied en dat van bondgenoten. In de EU woedt een debat over het ophogen van de nationale en Europese defensiebegrotingen.
Is dit alles geen oorlogsretoriek, waardoor het als een selffulfilling prophecy wel op oorlog moet uitdraaien? Zouden christenen hier niet heel kritisch op moeten zijn en hiertegenover voluit voor vrede moeten pleiten? En vergeten we niet wat de impact is van geweldsuitoefening op de militairen die blootgesteld worden aan oorlogsomstandigheden, om nog maar te zwijgen over alle andere oorlogsslachtoffers?
Gevechtsbereidheid ter afschrikking
De eerste grondwettelijke taak van de Nederlandse krijgsmacht staat dus weer helemaal op de voorgrond: het verdedigen van het eigen grondgebied en dat van bondgenoten bij een gewapend conflict. Sinds de Russische agressie tegen Oekraïne is daar alle reden voor. Naast andere geopolitieke dreigingen, zoals conflicten in het Midden-Oosten en de Sahel en de toenemende assertiviteit van China, is verdediging tegen mogelijke Russische agressie de belangrijkste reden in de Defensienota van 2024 om vol in te zetten op de kernopdracht ‘voldoende gevechtskracht te leveren voor een geloofwaardige afschrikking’.
Deze formulering, die meerdere keren terugkeert in de Defensienota, wijst op een paradox die inherent is aan het versterken van de krijgsmacht. Het doel is afschrikking van de vijand, om deze ervan te weerhouden aan te vallen. Anders gezegd, het doel is dus om oorlog juist te voorkomen. Maar de paradox is dat dit gebeurt door de gevechtskracht van de krijgsmacht zo sterk mogelijk te maken, dat wil zeggen, voorbereid te zijn op oorlog. Dat roept een narratief op van een sterkere krijgsmacht, voorbereid zijn op een grootschalig conflict, waarbij ook het woord ‘oorlog’ niet geschuwd wordt. Van militairen wordt ‘sneuvelbereidheid’ gevraagd – of, wat betreft minister Brekelmans, liever ‘gevechtsbereidheid’. Kortom, om de vijand effectief af te schrikken moet je jezelf tot de tanden toe bewapenen en gereed zijn voor oorlog.
Met deze doctrine is op zich niet iets mis. Het is geen militarisme, want dat is verheerlijken van oorlog en krijgsmanschap. Maar het is wel cruciaal dat voortdurend het achterliggende doel en de ‘paradox’ benoemd blijven worden: in het voorbereiden op oorlog is alles erop gericht om die oorlog te voorkomen. Het wordt gevaarlijk als dit laatste element wegvalt. Dat kan gemakkelijk gebeuren als alleen die voorbereiding op oorlog alle aandacht krijgt. Daarom is het volgens mij ook cruciaal dat er naast het narratief van voorbereiding op oorlog ook een ander narratief is: inzetten op bevordering van vrede, het zoeken naar diplomatieke wegen om oorlog of escalatie te voorkomen, het doen van vredeswerk, het versterken van de internationale rechtsorde, het opkomen voor recht en vrede wereldwijd. Dit is wat in just peace-benaderingen wordt gedaan, in belangrijke mate geïnspireerd door katholiek en protestants denken waarin niet ‘rechtvaardige oorlog’, maar ‘rechtvaardige vrede’ centraal staat. Zelf denk ik dat beide benaderingen elkaar nodig hebben. Het is nodig om voorbereid te zijn op oorlog (si vis pacem para bellum), maar het is evenzeer nodig om voorbereid te zijn op vrede (si vis pacem para pacem).
Inzet voor vrede, veiligheid en rechtsorde
Zo’n breed perspectief is ook van belang voor degenen die eerst en vooral ‘gevechtsbereid’ moeten zijn: de militairen. Het is cruciaal om te reflecteren op de vraag ‘waartoe’ de krijgsmacht dient. Geestelijk verzorgers bij de krijgsmacht, waaronder zo’n vijfenveertig krijgsmachtpredikanten, proberen het gesprek over dit soort vragen met militairen te voeren. Als militairen ‘gevechtsbereid’ moeten zijn, dan zouden ze immers ook een idee moeten hebben waarvoor ze dan vechten en waarvoor ze bereid zouden moeten zijn zelfs het ‘hoogste offer’ te geven: hun eigen leven.
De krijgsmacht probeert met de slogan ‘beschermen wat je dierbaar is’ militairen wel te bepalen bij waar het in hun inzet om gaat. Maar het blijft erg open waarop dit ‘dierbare’ precies duidt. In het licht van hoofdtaak 1 zou dit vooral betekenen: je eigen mensen, je geliefden, je familie, je vrienden, je volk en je land verdedigen tegen een mogelijke agressor. Militairen noemen overigens vooral hun buddy’s als degenen voor wie ze bereid zijn hun leven te geven als het er echt op aankomt. Bij terugkeer kunnen militairen daarom lijden aan survivor guilt, gevoelens van schuld over het feit dat zij het hebben gered en hun kameraden zijn omgekomen. Immers, met welk recht zouden zij wel en hun maten niet verder mogen leven? Van uitgezonden Nederlandse militairen weten we ook dat ze vaak diep geraakt zijn door het leed van de lokale bevolking en kunnen worstelen met de vraag of ze niet meer hadden moeten doen om dit leed te verzachten. Dit laat al zien dat er voor militairen moreel gezien meer op het spel staat dan beschermen van eigen volk en vaderland.
In het narratief van ‘hoofdtaak 1’ lijkt het vooral om zelfverdediging te gaan. Maar is dit niet een versmalling, zeker in het licht van de missies van de afgelopen veertig jaar? Daarbij ging het om inzet voor vrede, veiligheid en rechtsorde wereldwijd, termen die verbonden zijn met de tweede grondwettelijke taak van de krijgsmacht. Bij alle nadruk op het beschermen van het eigen grondgebied en bondgenootschappelijke verbanden zou ook dit bredere perspectief van recht en gerechtigheid in de wereld steeds benadrukt moeten worden. Dan is het versterken van de krijgsmacht niet maar een kwestie van zelfbehoud, maar altijd gericht op het bevorderen van de internationale rechtsorde en vrede. ‘Beschermen wat je dierbaar is’ duidt dan op het beschermen van de fundamentele waarde en rechten van alle mensen.
De Anglicaanse theoloog Oliver O’Donovan heeft erop gewezen dat ‘zelfverdediging’ of survival theologisch gezien niet deugt als rechtvaardiging van het inzetten van militair geweld. Niet zelfverdediging maar het doen van recht en gerechtigheid is waartoe christenen het in de traditie hebben kunnen rechtvaardigen om deel uit te maken van een krijgsmacht. Daarom was voor Augustinus de naastenliefde leidend. Een vijand wordt dan niet bestreden uit zelfbehoud maar uit liefde voor die vijand, bijvoorbeeld om deze ervan te weerhouden nog meer kwaad te doen. Voor Augustinus geldt bovendien dat oorlogen verschrikkelijk zijn en tot het uiterste moeten worden voorkomen. Oorlog is te rechtvaardigen als een uiterst redmiddel, als alle pogingen om oorlog te voorkomen en vrede te bewaken zijn gestrand. Bovendien is het een zaak van de overheid die als ‘legitieme autoriteit’ het zwaard hanteert. Daarvoor moet een ‘rechtvaardige reden’ zijn: het bestrijden van onrecht en het doen van gerechtigheid. In hedendaagse termen is dat: de verdediging van burgers en staten tegen een agressor, de bescherming van burgerbevolking van wie fundamentele rechten zijn afgenomen en het vestigen of herstellen van een rechtvaardige politieke orde. Bij dat alles moet ook de ‘intentie’ juist zijn en die is niets minder dan het herstellen of creëren van een rechtvaardige vrede.
Vanuit deze christelijke visie heeft niet oorlog maar vrede het primaat. Tegelijk heeft een rechtmatige overheid de volmacht om daartoe in het uiterste geval de krijgsmacht in te zetten. Vanuit de gerichtheid op vrede en recht is het daarom legitiem om voorbereid te zijn op een mogelijk conflict in tijden van dreiging. Die voorbereiding roept echter een mentaliteit op van readiness, bereidheid om te vechten, het trainen van gevechtssituaties, een toename van het wapenarsenaal en het vergroten van de defensie-industrie. Het wordt problematisch als dit alles een doel op zich wordt. Daarom moeten we steeds benadrukken waar het om gaat: voorbereiding op oorlog heeft als doel oorlog te voorkomen en als oorlog niet te voorkomen is, recht te doen en vrede te herstellen. Bovendien zou gevechtsbereidheid breder moeten zijn dan de gerichtheid op zelfverdediging. Militairen dienen recht en vrede. Ze zijn gericht op de bescherming van de waardigheid en rechten van de mensen met wie ze te maken hebben. Hierop inzetten is niet alleen op nationaal en internationaal niveau van belang, maar ook op het niveau van de individuele militair die de dirty job van gewelduitoefening moet uitvoeren.
De morele prijs van geweldsinzet
Uit tal van psychologische onderzoeken weten we dat de reacties van militairen op wat ze moeten doen in oorlogsomstandigheden, ingrijpend zijn. In zijn studie On Killing: The Psychological Cost of Learning to Kill in War and Society laat Dave Grossman zien dat de mens van nature een diepgewortelde weerzin heeft tegen het doden van medemensen. Militaire training is er steeds op gericht om deze natuurlijke weerzin te overwinnen. Hij laat zien wat de psychologische prijs hiervoor is. Zo beschrijft hij het verhaal van een Amerikaanse oorlogsveteraan die als officier in de South Pacific op een nacht geconfronteerd werd met een aanval door een Japanse soldaat die hem met zijn bajonet wilde doden. De Amerikaan was hem voor en doodde hem met zijn pistool. Na afloop van het gevecht vond hij een foto van de ‘twee prachtige kinderen’ van de gedode Japanner. Dit beeld achtervolgt hem zijn leven lang: ‘ik heb hun vader vermoord.’
Dit is een voorbeeld van wat in de literatuur ‘combat trauma’ wordt genoemd. Het gaat om gevoelens van schuld en schaamte over het verwonden en doden van tegenstanders. Vanuit moreel opzicht kun je natuurlijk zeggen dat het doden van de Japanner geheel gerechtvaardigd was. De militair verdedigde zich tegen een onnodige nachtelijke aanval en streed bovendien tegen een land dat de agressor was. Hij kon niet anders dan deze vijand ter bescherming van zichzelf en van zijn manschappen doden. Toch voelt hij zich er diep schuldig over. Volgens Grossman heeft dit te maken met onze natuurlijke aversie tegen het doden van medemensen. Het is een moreel grensoverschrijdende daad, die diep ingrijpt. Militairen betalen dus een hoge prijs voor wat politici besluiten met instemming van het volk, om hun land te beschermen en burgers ‘veilig te kunnen laten slapen’, zoals militairen het wel eens formuleren. Sommigen lijden daardoor aan een posttraumatisch stresssyndroom. Het gaat bij PTSS om heftige stressreacties na een ingrijpende gebeurtenis die angstgevoelens oproept. In het voorbeeld valt echter op dat niet de angst als gevolg van bedreiging het kernprobleem is, maar gevoelens van schuld en schaamte over eigen handelen. De Amerikaanse veteraan lijdt aan moral injury. Dit begrip doet recht aan het gegeven dat de vragen en worstelingen moreel van aard zijn.
In de worsteling om met dergelijke ervaringen in het reine te komen, voelen veteranen zich door de samenleving dikwijls aan hun lot overgelaten. Weliswaar is er veel goede hulpverlening waarbij ook geestelijk verzorgers een belangrijke rol spelen. Geestelijk verzorgers zijn midden in de krijgsmacht present, gaan mee op uitzending en zullen ook naar het front gaan mocht Nederland onverhoopt in een oorlog verzeild raken. Daarom begrijpen ze van binnenuit wat veteranen doormaken. Toch kan bij al deze hulp morele verwonding verengd worden tot een probleem van alleen de individuele militair. Ten onrechte. Het is immers de politiek die namens de samenleving besluit tot inzet van de krijgsmacht. Militairen zetten zich in ter bescherming van burgers. Daarvoor riskeren militairen hun leven, hun psychisch welzijn en hun moraliteit. De ingrijpende morele en existentiële vragen van militairen ontstaan weliswaar door hun eigen handelen, maar staan in nauw verband met de politieke gemeenschap die besluit om militairen in te zetten ten behoeve van vrede en veiligheid. Kortom, de last van morele verwonding, trauma en stress drukt primair op de individuele militair die eraan lijdt, maar zou evenzeer moeten drukken op degenen die tot inzet hebben besloten (de politiek) en op degenen voor wie militairen zich inzetten (de samenleving). Dat betekent dat we als samenleving bereid moeten zijn de intense morele vragen die militairen zichzelf stellen, ook aan onszelf te stellen.
Het lijkt een goede christelijke houding om zo veel mogelijk afstand te nemen van iedere vorm van oorlog en geweld. Maar zolang je geen absolute pacifist bent en het in principe legitiem acht dat er een krijgsmacht is en dat deze als uiterste redmiddel ingezet moet kunnen worden ten dienste van recht en vrede, zul je ook bereid moeten zijn de morele lasten die daarmee gegeven zijn mede te dragen. Christenen zouden daarom betrokken moeten zijn op militairen, ze moeten ondersteunen, verantwoordelijkheid moeten nemen voor besluitvorming en de morele ambivalentie van geweldsinzet moeten erkennen. Een check zou kunnen zijn: steun ik de geweldsinzet ook als ik zelf zou worden ingezet? Daarmee wordt de vraag naar gevechtsbereidheid ook een morele vraag aan ieder van ons. Dat de samenleving zich moet voorbereiden op oorlog gaat niet over het aanleggen van een noodpakket, maar over de onderliggende morele vraag: welke prijs zijn we samen bereid te betalen als we militairen laten vechten voor recht en vrede?
Prof. dr. P.H. Vos is hoogleraar ethiek en geestelijke verzorging bij de krijgsmacht aan de Protestantse Theologische Universiteit.
Mailadres:
- Raadplegingen: 680