39e jaargang nr. 2 (maart 2025)
thema: Dona nobis pacem. Over oorlog en vrede
Beatrice de Graaf
Zaklamp, securitas, of beter wat meer certitudo in de kast
Een Bijbels perspectief op weerbaarheid
Hebt u uw noodpakket al in huis gehad, en kunt u zich 72 uur zonder elektriciteit en toevoer van water en internet redden? Dat zou wel zo moeten zijn. De overheid adviseert alle burgers om ‘weerbaar’ te zijn in tijden van crisis. Menig burger kreeg zo’n pakket cadeau van Sinterklaas, eind 2024. Zijn we dan dus weerbaar, als we onszelf met wat kaarsen en blikken bonen een paar dagen kunnen redden?
In deze bijdrage wil ik dit concept van weerbaarheid nader belichten. Eerst stip ik aan waar de term vandaan komt. Wat bedoelt de Rijksoverheid als ze de burgers adviseert een noodpakket aan te schaffen, en allerlei richtlijnen en agenda’s uitvaardigt waarin de weerbare samenleving wordt aangeprezen dan wel verordonneerd? Tegen welke achtergrond is die aandacht voor weerbaarheid toegenomen?
We zullen zien dat weerbaarheid sinds de Russische inval in Oekraïne in 2022 in toenemende mate een militaire bijklank heeft gekregen en dat onze open samenleving moeite heeft daar serieus mee om te gaan. Een Bijbels perspectief kan daarom behulpzaam zijn. Het koppelt actief werken aan aardse vrede en militaire weerbaarheid aan zowel een diep besef van het menselijk tekort (en de grenzen van maakbaarheid) als aan het inzicht dat dat werken een afschaduwing is van de ultieme vrede die met recht gepaard gaat.
Weerbaar volgens de overheid
Sociale weerbaarheid, soms ook veerkracht, zijn termen die passen in het bestuurlijke discours van de overheid dat gericht is op het bevorderen van zelfredzaamheid van de burgers, waarbij praktische zin gekoppeld wordt, zoals blijkt in de teksten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over democratisch bewustzijn. Het gaat niet om weerbaarheid in algemene zin, maar om zelfredzaamheid van de burger in een democratische rechtsstaat.
Die weerbaarheid heeft meer dimensies dan alleen het individueel-pragmatische van de zaklamp en de radio. In juli 2023 stuurde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de ‘Agenda Veerkrachtige en Weerbare Samenleving’ naar de Tweede Kamer. Daarin werd weerbaarheid op drie verschillende niveaus gedefinieerd. Allereerst is er individuele veerkracht. Dat ‘verwijst naar het proces van, vermogen voor of resultaat van een succesvolle aanpassing, ondanks uitdagingen of bedreigende omstandigheden waarmee iemand wordt geconfronteerd’. Vervolgens kennen we veerkracht binnen samenlevingsverbanden. Dat omschrijven we als ‘een proces waarin de verschillende leden van een gemeenschap samen het aanpassingsvermogen ontwikkelen om een positieve weg in te slaan in een negatieve omstandigheden’. Tot slot is er nog een collectieve vorm, de maatschappelijke veerkracht als geheel.
Kortom, bij weerbaarheid is het niet de bedoeling dat we ons afzonderen of isoleren. Het gaat niet om overleven in splendid isolation. We worden niet opgeroepen om ‘preppers’ te worden. Dat is een modern verschijnsel dat gaat over mensen die zich juist aan de burgerlijke samenleving en de democratische regels onttrekken en op hun eigen erf een soort eigen rijk opbouwen waarin ze volkomen zelfvoorzienend proberen te zijn. Verhalen daarvan komen we soms in de media tegen. Meestal blikken vervaarlijk uitziende types, à la Indiana Jones, dan in de camera, die in combat outfit met survival gear en het liefst ook een lading wapens zich min of meer op het Armageddon voorbereiden. Die vorm van militante eigengereidheid is niet wat onze minister voor ogen had. We hoeven maar naar de Capitol Riots van 6 januari 2021 te kijken om te begrijpen dat zo’n vorm van radicale eigengereidheid snel kan ontsporen in gewelddadige en zeer antidemocratische uitspattingen. Ook de Reichsbürger in Duitsland en de Soevereinenbeweging in Nederland laten zien dat er een duister kantje aan militante weerbaarheid kan zitten.
Militaire weerbaarheid
Sinds de Russische inval in Oekraïne in 2022 heeft dit denken over weerbaarheid in toenemende mate een militaire bijklank heeft gekregen. Admiraal Rob Bauer kondigde als voorzitter van het Militair Comité van de NAVO in januari 2024 dan ook aan dat er een ‘mindshift’ nodig was: we zijn immers van een tijdperk waarin alles planbaar was beland in een tijdperk waarin we het onverwachte moeten verwachten. Hij riep daarom op tot een ‘whole of society’-benadering. De burger, de samenleving, het bedrijfsleven, iedereen moet zijn weerbaarheid opschroeven. De productiecapaciteit van de defensie-industrie moet omhoog, de samenleving moet zich bewust worden van de kwetsbaarheden in het licht van mogelijke (Russische) militaire en cyberdreigingen. Nu de Russische gaskraan is afgesloten moeten we bovendien zuiniger omgaan met onze energie.
Met het aantreden van Donald Trump als president is die urgentie voor Europa alleen maar groter geworden. Vicepresident J.D. Vance liet in februari 2025 in München weten dat Amerika niet meer als veiligheidsgarant zal optreden, en dat Europa zelf een eigen troepenmacht op de been moet brengen als het Oekraïne wil verdedigen. Kortom, de Poolse premier Donald Tusk had niet ongelijk toen hij waarschuwde dat Europa zich in een vooroorlogs tijdperk bevindt, vergelijkbaar met de situatie in 1939, en daarop niet goed is voorbereid. De bijeenkomst van februari 2025 in München herinnerde onherroepelijk aan de ‘Peace in our time’-bijeenkomst in München 1938. Zeker toen Washington meteen erna over de hoofden van Oekraïne en Europa in Riyad de onderhandelingen met Rusland opende en een einde van de sancties en herstel van relaties met Moskou aankondigde. Dat was niet alleen een mindshift, in de woorden van Bauer. Het was een geopolitieke renversement des alliances, een diplomatieke revolutie, vergelijkbaar met die van de achttiende eeuw.
Commentatoren die dachten dat Poetin niet echt een oorlog zou beginnen, of meenden dat we de woorden van Trump met een korreltje zout moeten nemen, kunnen maar beter de geschiedenisboeken erbij pakken: despoten en autocraten doen meestal echt wat ze zeggen te gaan doen. Voor de weerbaarheid van de Nederlandse samenleving, en onze eigen rol daarin, heeft dit alles grote gevolgen. Het gaat niet slechts om het aanschaffen van een noodpakket of het uitkijken voor Russische phishingmails. Het gaat om het opschalen van de samenleving naar een staat van paraatheid die we in Europa lange tijd niet gezien hebben.
Tussen securitas en certitudo
Kan tegen de achtergrond van al dat wapengekletter, angst en onzekerheid een eeuwenoud Bijbels perspectief behulpzaam zijn? Ja, want juist de angst voor oorlog en ellende waarin we anno 2025 volop zitten, is niet alleen een objectieve staat van zijn, maar heeft alles met onze verwachting voor de toekomst te maken. ‘Veiligheid is de geanticipeerde staat van ongedeerd blijven in de nabije toekomst’, zei Jeremy Bentham al. Veiligheid zet grote ogen op: van blinde paniek, of van verwachting. In Heilige Strijd. Het verlangen naar veiligheid en het einde van het kwaad heb ik zo’n Bijbels perspectief verder uitgewerkt en twee lijnen geschetst waarlangs je veiligheid en weerbaarheid kunt denken.
Enerzijds is er de ‘securitas’. Dat slaat op het werken aan aardse veiligheid, door een goede krijgsmacht op te stellen, grenzen te bewaken, politie en justitie op orde te hebben. Zowel in vredestijd als in oorlogstijd is er een orde nodig, het liefst een orde die vrede en recht aan elkaar koppelt. Want zonder recht wordt elk regime tot een roversbende, zoals Augustinus al wist. Toch moeten we het hier op aarde stellen met onvolmaakte, menselijke, securitas. En daar hoeven we niet altijd blij mee te zijn, daar mogen we tegen protesteren – we mogen investeringen in defensie afkeuren als christen – maar er zijn vormen van aardse securitas nodig.
Maar dan de ‘certitudo’. Die is veel spannender, omdat het daarbij gaat om het besef van zekerheid, veiligheid in het licht van Gods koninkrijk. Dat is een veiligheidsbesef dat weet heeft van het einde van het kwaad. Certitudo leert ons iets over de verwachting en laat ons smachten naar volmaakte veiligheid: die veiligheid waar vrede en recht volledig zijn verwerkelijkt en dood en kwaad voorgoed overwonnen. Betekent dat dan een soort wereldmijding, een ‘stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’? Nee, juist in het oog van de storm geeft deze vorm van veiligheid ons instructie om te werken aan een weerbaarheid die recht doet aan vraag en antwoord 27 en 28 van de Heidelbergse Catechismus. Certitudo is de praktische oefening in vertrouwen op Gods voorzienigheid. Niet alleen de voorzienigheid als scheppingsleer, waarin we mogen vertrouwen op Gods behoud (de conservatio) of Christus’ heerschappij (gubernatio) over de wereld, maar ook de voorzienigheid als een opdracht en instructie om de ‘concursus’, het samendoen, het meelopen serieus te nemen. Certitudo is dus de geestelijke weerbaarheid die we, gevoed door de Geest, in tijden van crisis en ontzetting moeten beoefenen.
Bij weerbaarheid in termen van securitas zijn we als christenen niet anders dan verplicht als elke burger: schaf dat noodpakket aan, doe je plicht, onttrek je niet aan verantwoordelijkheden, schamper niet onnodig op de autoriteiten in tijden van crisis, en houd recht en waarheid overeind. Maar bij certitudo-weerbaarheid moeten we ons veel nadrukkelijker oefenen in het uitdragen van een grondhouding die recht doet aan die ultieme vrede van Gods koninkrijk. Dat kan een radicale vorm van pacifisme zijn. Ik ben zelf geen pacifist, maar voor pacifisten die dit niet vanuit lui intellectualisme, opportunisme, of eenzijdig anti-imperialistisch of anti-Amerikaans gevoel handelen, maar rigoureus elke vorm van geweld of verzet afzweren, heb ik groot respect. Zij geven een profetisch getuigenis en zijn bereid daar hun leven en voordeel voor op te geven.
Maar ook als we geen pacifist zijn, zijn er volop weerbaarheidsoefeningen vanuit het licht van de certitudo te verrichten. Met Rik Peels doe ik onderzoek naar de ‘moreel-epistemische grondhoudingen’ die in het licht van tegenslag en tegenstand mensen moed geven om door te gaan. Geloof is bij uitstek zo’n grondhouding die activeert – in immanente en transcendente vorm. Dat kan geloof in God zijn, maar ook geloof in de democratie, of geloof in je relatie. Zelfs al gaan er dingen mis, je geeft je relatie of de democratie toch niet zomaar op?
Gemeenschapszin
Hoe je zo’n houding oefent, is veel over te zeggen. Maar belangrijk is dat het oefenen van weerbaarheid met het oog op certitudo niet vertrekt vanuit eigen heilige woede of overtuiging, maar vanuit Johannes 7:18: dat het de eer zoekt van de God die Christus gezonden heeft. En dat het niet alleen betrekking op het eigen leven en de eigen (geloofs)zekerheid heeft, maar op de gemeenschap in bredere zin: de gemeenschap van gelovigen, maar ook de gemeenschap in eigen stad en land. Weerbaarheid is altijd een sociale bezigheid en praktisch te vertalen. In de Huizingalezing van 2024, Wij zijn de tijden getiteld, heb ik dit gekoppeld aan de klassieke deugden: wijsheid (prudentia), dapperheid of moed (fortitudo), rechtvaardigheid (justitia) en beheersing (temperantia), geloof (fides), hoop (spes) en liefde (charitas). Die deugden dienden het publieke leven vorm en richting te geven.
Het vergt oefening, scholing en gemeenschapszin om die deugden in de praktijk te brengen, zeker in tijden van crisis en onzekerheid. Maar geestelijke weerbaarheid kan ook liturgisch worden versterkt, met gezang en gebed. Theologie kan op die manier als sociaal copingmechanisme functioneren. Denk daar niet te eenvoudig over. Want worden we in de samenleving, op school of in het gezin nog geschoold in dergelijke oefeningen van geestelijke weerbaarheid en solidariteit? Spoort u uw kinderen aan om moedig te zijn, solidair, om belasting te betalen, en recht en vrede na te streven? De democratische rechtsstaat heeft dit soort prepolitieke oefenplaatsen van transcendente weerbaarheid nodig die verder gaan dan de zorg voor het eigen hachje.
Zouden we ook in de kerk elkaar niet meer op die grondhoudingen kunnen aanspreken? Dikwijls wordt er vanuit een individualistische pastorale theologie eindeloos veel begrip voor twijfel, angst, woede en boosheid gevraagd (‘de PVV-stemmer is eigenlijk gewoon bang of boos’). Soms wordt de twijfel of de apocalyps zelfs breed uitgevent en wentelen we ons in onzekerheid. Maar theologie is niet alleen individueel pastoraat. Het is ook collectief en sociaal getuigen van Gods voorzienigheid om mensen aan te sporen tot die concursus, bijvoorbeeld door in de kerk actief voor de lokale, nationale en internationale overheden te bidden. We hoeven in de kerk niet partijpolitiek actief te zijn (liever niet), maar kunnen wel sterker politiek spreken in situaties van onrecht. De Bijbel leent zich daar bij uitstek voor. Als we daar als ouders, opvoeders, pedagogen en theologen niet meer bij kunnen, dan kunnen we de Heidelbergse Catechismus, die handleiding voor geestelijke weerbaarheid, ook wel afschaffen. Terwijl juist die zondag 27 en 28, in een literaire echo van Romeinen 8:38-39, ons vertelt waar de ultieme certitudo te vinden is: in Gods liefde en betrokkenheid op de wereld. Want ‘ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons bewezen heeft in Christus Jezus, onze Heer.’ Dat is het geheim van echte weerbaarheid en gemeenschapszin.
Prof. dr. B.A. de Graaf is faculteitshoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en wetenschappelijk directeur van de Adapt Academy die zich richt op onderzoek naar weerbaarheid rondom crises in heden en verleden.
Mailadres:
- Raadplegingen: 686