39e jaargang nr. 3 (mei 2025)
thema: Herbetovering. Om al uw tekens te verstaan
Lydia de Kok-Meeuse
Het jubeljaar: hoop door herstel, herstel door te delen
Leviticus 25
Wist u dat wij leven in een jubeljaar? Paus Franciscus heeft 2025 uitgeroepen tot een heilig jaar, een jubeljaar. Vorig jaar kondigde hij het aan: 2025 wordt een jaar van hoop. De kerk roept regeringsleiders op om de schulden van de armste landen kwijt te schelden. Zo krijgen ze een nieuwe start. Een profetisch woord in een tijd van het economische recht van de sterkste.
In de bul, getiteld Spes non confundit (hoop stelt niet teleur, naar Romeinen 5:5), schrijft de paus dat niemand met een goed geweten kan rondlopen als hij weet dat veel broeders en zusters lijden onder armoede en sociale uitsluiting. ‘Dit laten gebeuren is een zonde.’
Het grotere plaatje van deze maatschappelijke en economische kwetsbaarheid is onder andere te vinden in de buitenlandse schulden van landen. De Verenigde Naties melden dat negentien ontwikkelingslanden meer geld uitgeven aan rente op hun schulden dan aan onderwijs. Voor 45 landen geldt dit met betrekking tot hun gezondheidszorg.
Als u het mij vraagt, heeft de paus de bedoeling van het jubeljaar goed begrepen. De wetten rondom het jubeljaar zijn te vinden in Leviticus 25. Leviticus 25 betekent hoop. Hoop door herstel en herstel door te delen.
Jubeljaar in Israël
Leviticus 25 vermeldt de wetten rondom het jubeljaar (yóbél; gerelateerd aan yôbél, ramshoorn, trompet). Na zeven sabbatsjaren begint op Grote Verzoendag, de dag dat de vergeving en de verzoening met God en elkaar centraal staat, het jubeljaar. ‘Elk vijftigste jaar zal voor jullie een heilig jaar zijn, waarin kwijtschelding wordt afgekondigd voor alle inwoners van het land. Dit is het jubeljaar, waarin ieder naar zijn eigen grond en zijn eigen familie kan terugkeren’ (Lev. 25:10).
Wanneer Israëlieten de grond die zij toebedeeld hebben gekregen toen zij het beloofde land inkwamen, hebben verkocht, mogen ze daarnaar terugkeren. Wanneer Israëlieten zichzelf als slaaf hebben moeten verhuren, komen ze weer vrij. Het is een jaar van rust en herstel. Zo streeft de wetstekst naar een gezonde balans tussen eigen verantwoordelijkheid en genade. 49 jaar lang mocht je aanmodderen of aanpakken, één jaar mocht je delen in genade.
Hoewel de concrete uitwerkingen van deze wetstekst een ver-van-het-bed-show zijn voor veel moderne Nederlanders, zitten er onder die concrete regels rondom grondbezit en tijdelijke slavernij een aantal basisprincipes. Deze basisprincipes zijn ook vandaag een inspiratiebron in hoe om te gaan met grond en bezit, medemens en werk. Ze wijzen je op weg in hoe je kunt kiezen voor hoop door herstel, en herstel door te delen.
Grondbezit
De eerste serie aan wetten betreft het grondgebruik (Lev. 25:13-24). Toen het volk Israël uit Egypte naar het beloofde land trok, werd het land eerlijk verdeeld (Num. 33:50-56, Ps. 16:6). Dit vormde de basis voor het opbouwen van hun maatschappij en economie. Het was toegestaan om het toebedeelde land te verkopen, bijvoorbeeld bij geldnood of als investering. Tegelijkertijd bestond het terugkooprecht: te allen tijde kon de familie aan wie het land oorspronkelijk was toebedeeld de grond terugkopen. De landprijs hing af van (1) de huidige marktwaarde en (2) de oogstpotentie, oftewel, hoeveel mogelijke oogsten er tussen het verkoopmoment en het jubeljaar zaten. In het vijftigste jaar werd de oorspronkelijke, eerlijke verdeling namelijk hersteld.
Een belangrijk principe in het jodendom is dat wat jij gemaakt hebt, van jou is. De grond is gemaakt door God, wat betekent dat de aarde en het land van Hem is (Ps. 24: 1-2). Als 21e-eeuwse westerlingen zetten we een is-gelijk-teken tussen eigendom en bezit. Maar bij God en grond werkt dat anders. Wij bezitten misschien grond, maar God is de eigenaar. De grond die je hebt, heb je in bruikleen. De gebruikersvoorwaarden worden bepaald door de eigenaar, in dit geval door God.
Deze wetten, en met name het onderliggende grondbeginsel – God is de grondeigenaar, mensen hebben grond in bruikleen – geven de gelegenheid om verschillende thema’s aan te kaarten in een preek. Neem bijvoorbeeld de duurzame omgang met de schepping. Als je iets in bruikleen hebt, is het niet de bedoeling dat je het kapot maakt. Of neem het doen van investeringen. De wetten rondom het jubeljaar laten zien dat je mag groeien en risico’s nemen met je bezit, maar niet tot in het oneindige. Uiteindelijk is het de bedoeling dat je ervan deelt en dat je het welzijn van de ander op het oog hebt.
Bijstand en loondienst
De tweede serie aan wetten betreft de werkende mens (Lev. 25:35-43). Wat als je helemaal platzak was in het oude Israël? Allereerst is er dan de oproep aan je omstanders om bijstand te verlenen. De wet stipt de diepe verbinding aan tussen ontzag voor God en hoe menselijk de omstandigheden zijn van je naasten (zie ook Jes. 58:6-7, Jer. 22:16, Mi. 6:8). De liberale Joodse rabbijn Jonathan Sacks wijst in zijn boek Leviticus op de diepe wijsheid die schuilt in het Hebreeuwse woord tsedaka. Het woord betekent liefdadigheid én rechtvaardigheid. Armoede bestrijden is niet alleen liefdadig zijn en geven uit je overvloed. Het is ook streven naar een rechtvaardige maatschappij waarin ieder kan floreren en daadwerkelijk delen. Rijkdom is dus een verantwoordelijkheid om de toestand van je minderbedeelde naasten te verlichten.
Naast de bijstand was er de mogelijkheid om jezelf te verkopen als slaaf. Dit was een beschamende toestand. Maar: andere Israëlieten en jijzelf mochten je niet beschouwen als slaaf. Je kon een poosje als slaaf werken, maar dat was steeds een voorbijgaande toestand en nooit een identiteit. Daarbij gold het lossersrecht (geula), het recht om jezelf of een familielid vrij te kopen. En in het jubeljaar raakte je weer vrij. In dat jaar trad God op als losser.
Het lossersrecht was niet alleen een juridisch systeem dat menselijke waardigheid en vrijheid waarborgde. Het is ook hoe God zichzelf openbaart in de geschiedenis. God heeft de Israëlieten uit de slavernij ver-lost (gal) en uit Egypte geleid. God trad op als losser. Daarom zijn de Israëlieten in de eerste plaats Gods dienaars. Alleen als je God dient, kun je vrij zijn (Ps. 81). Omdat je in dienst bent van God, kan tijdelijke slavernij nooit je identiteit bepalen.
Deze wetten en met name dit tweede uitgangspunt – God heeft je verlost, je bent zijn dienaar – geeft de mogelijkheid om thema’s rondom armoedebestrijding en naastenliefde in maatschappelijk-economisch perspectief aan te kaarten. Hoewel de wereld van de tekst en die van het moderne Europa enorm verschillen, zijn lijnen naar bijstand en loondienst mogelijk.
Daarnaast geeft het de mogelijkheid om de theologische lijn door te trekken naar het Nieuwe Testament. In het vroege jodendom leefde de toekomstverwachting dat de Messias het gebod uit Leviticus 25 zou vervullen (Jes. 61). Dat kon geen kwaad, aangezien Jeremia 34 laat zien dat deze wetstekst nooit echt geschiedenis is geworden. Geven uit overvloed was prima, maar het ideaal van (herver)delen kostte te veel.
In Lucas 4 betrekt Jezus deze verwachting op zichzelf: ‘De Geest van de Heer rust op Mij, want Hij heeft Mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen (…) om een genadejaar van de Heer uit te roepen’ (vers 18-19). Jezus heeft geweten dat delen om te herstellen en daardoor nieuwe hoop te bieden iets van jezelf kost. Het kostte zijn hele zelf. De vraag die er ligt voor de gelovige vandaag is dan: wat betekent het dat je God mag dienen, omdat Hij je ver-lost heeft?
C.A.J. de Kok-Meeuse is predikant van de Protestantse Gemeente Haulerwijk-Waskemeer.
Mailadres:
- Raadplegingen: 172