39e jaargang nr. 3 (mei 2025)
thema: Herbetovering. Om al uw tekens te verstaan
Jan Martijn Abrahamse
In Hem leven en bewegen wij
Een pleidooi voor sacramentaliteit
In het evangelicaal-protestantse milieu waarin ik opgroeide was er een moeizame verhouding met de wereld. Het ware was toch vooral geestelijk en de Bijbel en de heilige Geest waren goedbeschouwd de enige bronnen van wat goed, schoon en waar is. Geloof moest bovendien persoonlijk bij je worden en mocht niet rusten op je opvoeding, op gewoonte, op je ontvangen doop, of zelfs maar op het deel zijn van de kerk.
Ik herinner me nog goed het eerst liedje dat ik leerde toen ik voor het eerst als zesjarige naar de zondagschool ging in de evangelische gemeente: ‘Zit je deur nog op slot?’ Met als kern de oproep én belofte: ‘Van je krr, krr, krr, doe ’m open voor God, want de Heer wil bij je wonen en dan ben je nooit alleen.’ Theologisch gezien moeten dit soort kinderliederen niet onderschat worden: God woont in harten en jij moet God bij jou uitnodigen. En ‘God uitnodigen in je hart’ was – en is – een belangrijke uitnodiging waartoe ook een evangelische prediker zijn gehoor kon oproepen. Deze romantische beweging náár het hart was tegelijk een correctie op de rationaliteit van de gereformeerde kerken of het institutionalisme van het rooms-katholicisme. Maar met de wending naar het gelovige ik, hoe waardevol en begrijpelijk die ook was, verdween het besef van Gods dragende tegenwoordigheid in het geheel van onze werkelijkheid naar de achtergrond. Soms leidde dit zelfs tot een dualisme, waarin ‘de wereld’ uitsluitend nog als een verloren plek werd gezien. Het is daarom niet vreemd dat spiritualiteit voor velen eenzijdig ‘verticaal’ gericht was. De wereld met haar structuren, kunst, wetenschap, en ook de zorg voor de niet-menselijke natuur speelden nauwelijks of geen rol. Hoe anders is het gedicht van Gerard Manley Hopkins (1844-1889):
The world is charged with the grandeur of God.
It will flame out, like shining from shook foil;
It gathers to a greatness, like the ooze of oil
Crushed. Why do men then now not reck his rod?
Generations have trod, have trod, have trod;
And all is seared with trade; bleared, smeared with toil;
And wears man’s smudge and shares man’s smell: the soil
Is bare now, nor can foot feel, being shod.
And for all this, nature is never spent;
There lives the dearest freshness deep down things;
And though the last lights off the black West went
Oh, morning, at the brown brink eastward, springs –
Because the Holy Ghost over the bent
World broods with warm breast and with ah! bright wings.
Dat de wereld vrijwel uitsluitend door de lens van ‘verloren’ is bekeken, hangt volgens mij samen met de crises van dit moment – zowel de sociale als de ecologische. Behulpzaam was voor mij ook het boek van Amitav Ghosh, De vloek van de nootmuskaat. Hierin beschrijft hij hoe de moderniteit een manier van leven heeft voortgebracht die, naast veel zaken waarvoor we dankbaar kunnen zijn, ook verlies heeft voortgebracht. Te beginnen bij de volken en gebieden waar roofzuchtig door Nederlanders is huisgehouden. Hopkins verwoordt het als een ‘marcherende macht’ die Gods schepping met de voeten treedt en zich daarbij niets aan God gelegen laat liggen. Deze ‘moderne blik’, zoals Ghosh het noemt, waarin de mens de pretentie heeft de enige betekenisgever te zijn in een betekenisloze wereld, stempelt onze tijd. In mijn essay Verlangen naar het heilige ga ik op zoek naar een andere kijk en vind die in een herwaardering van sacramentaliteit. Hierin is de mens niet de enige representant van God noch de enige gestalte waarin God ‘woont’, maar is de hele materiele werkelijkheid voorwerp van Gods heiligende tegenwoordigheid. De schepping is in wezen een goede plek – weliswaar gebroken, ontaard en blootgesteld aan menselijke destructie, maar niet ‘van God los’ of ‘Godloos’.
Meer dan materie
Heiligheid is geen statische, maar een dynamische kwaliteit die Gods Geest als een hen ‘broedend’ op deze wereld voortbrengt. De statische en afstandelijke taal rond heiligheid schiet tekort om de bijbels-theologische nabijheid en intimiteit ervan te vangen: heiliging beoogt de verzoening tussen Schepper en heel zijn schepping. In Jesaja 6, de locus classicus wat betreft Gods heiligheid, is Gods heiligheid één beweging vanuit de hemelse tempel-troonzaal naar de aarde. Hoewel de tekst geen woorden gebruikt om God zelf te beschrijven, draagt de aanwezigheid van vurige hemelwezens het mysterie van zijn tegenwoordigheid over. Zij laten het drievoudig ‘heilig’ klinken (trishagion). In Jesaja 6 zit veel beweging. Vanuit de troon komt een dynamiek op gang die alles in beweging brengt. Het trishagion wordt weerspiegeld in het woord ‘vullen’ dat driemaal klinkt: de zoom van Gods mantel vult de ruimte, zijn majesteit vult de aarde en de rook vult de ruimte. Beelden van Gods vervullende heiligheid (Ex. 40:34) die alles doordringt, doortrekt en tot kwaliteit wil brengen visualiseren. Gods heiligheid vervult heel de schepping. Niet in een pantheïstische zin, alsof God het al is, maar juist, zoals C.S. Lewis ergens zegt, als degene die alles in allen wil zijn. Daarom vraagt waardering voor de materialiteit om een niet-materialistische visie: de werkelijkheid is meer dan pure materie en krijgt haar betekenis in de wederkerige relatie met God als Schepper – en alleen in deze relatie kan de wereld heilzaam begrepen en geleefd worden. God ‘woont’ in deze wereld, en daarmee draagt de wereld epifanische kwaliteit: zij kan iets van God onthullen en, sterker nog, zij deelt in Gods beweging van heiligende nabijheid, die als een verzoenende impuls alles doortrekt; ‘De wereld is geladen met de grandeur van God,’ schrijft Hopkins treffend. Gods heiligheid is niet zozeer wat Hem van de wereld scheidt, maar juist wat de wereld met Hem verbindt.
Dat de wereld meer is dan materie vraagt om een vorm van kennen die verder reikt dan de rationeel-empirische benadering, die door objectivering kennis verwerft. Een sacramentele blik – zoals Arita Baaijens laat zien in In gesprek met de Noordzee – zoekt juist ontmoeting en herkent subjectiviteit in materie, door bijvoorbeeld de ‘stem’ van de zee te verstaan. Niet het denken gaat hier voorop, maar de affectie – het voelen via het lichaam. Zo ervaren we bijvoorbeeld de sfeer van een ruimte al met ons lichaam voordat ons verstand dat beredeneerd heeft en woorden kan geven. Volgens filosoof James K.A. Smith sluit sacramenteel kennen aan bij het ekstatische karakter van het menszijn: ons leven wordt niet primair gevormd door rationele keuzes waarmee wij de wereld ordenen, maar in de wisselwerking met onze omgeving worden wij geordend. Via ons lichaam leren we ons verhouden tot de wereld, en in die lichamelijke interactie worden ook perspectieven gevormd over wat een goed leven is en waarnaar we zouden moeten streven. Hier spelen ritmes en rituelen hun rol van betekenis: God die ons via onze zintuigen tegemoetkomt en ons zo ordent dat we thuis worden in het evangelie, opdat we leren wonen in deze wereld. We leren bidden niet doordat we bedenken dat God bestaat, maar omdat het bestaan van God zich aandient of aan ons opdringt en wij daarop leren reageren door middel van gebed.
Alles is uit God
Een sacramenteel perspectief kent een inherente paradox: het verbindt God met de materiële werkelijkheid zonder deze verbinding te verabsoluteren. Grofweg zou je kunnen zeggen dat de rooms-katholieke traditie vooral de bevestigende kant benadrukt, terwijl de protestantse traditie – met haar kritische houding – juist de nadruk legt op het ‘niet’: de huiver dat Gods tegenwoordigheid als vanzelfsprekend zou samenvallen met aardse gestalten. De spanning rond Gods betrokkenheid bij de schepping komt scherp naar voren in Paulus’ verweer op de Areopagus (Hand. 17:22-31). Nadat Paulus als religieuze kwakzalver is weggezet, verdedigt hij zijn theologie vanuit Genesis en Jesaja, in dialoog met Griekse filosofie. Hier weigert hij zich over te leveren aan het stoïcijnse materialisme, maar zonder daardoor in een zuiver platonisch wereldbeeld te vervallen waarin God en wereld scherp tegenover elkaar staan. In zijn betoog maakt Paulus het duidelijk: de Schepper God is de God van zowel hemel als aarde en woont niet in door mensen gemaakte tempels. Hij is ook niet afhankelijk van de schepping, zoals de schepselen dat zijn. Tegelijkertijd is God echter niet afwezig maar juist de bron van al het leven. Hij voorziet de hele schepping van ‘leven en adem’ (Hand. 17:25b; cf. Jes. 42:5). God maakt ons, niet wij Hem. Het is niet de mens die God van een woonplaats voorziet, maar God die de mens van een plek voorziet. Paulus schetst een grappig beeld: hij beschrijft de Atheners als blinden die zoeken naar God in het tastbare, terwijl die God niet ver weg is, maar niet als object in hun wereld. Het is voorzichtige ironie: tasten naar God terwijl zijzelf in God bewegen (cf. Deut. 4:29; Jes. 55:6); als het jongetje dat tussen de bomen een bos zoekt. God is niet ‘in’ de schepping, maar God omgeeft en doordringt de schepping: ‘Want in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij’ (Hand. 17:28a). Als alles uit God voorkomt, dan zit God niet in de dingen, maar zijn alle dingen in Hem. Gods betrokkenheid en aanwezigheid in de schepping moet dus niet verward worden met panentheïsme, maar tegelijk is de schepping wel een vindplaats van God. Liever zou ik spreken van ontmoetingsplaats. De mens ontmoet God niet als ‘ding’ of ‘idee’, maar als Iemand, wat blijkt uit dankbaarheid voor de schoonheid van de natuur, een pasgeboren baby, of het voorrecht van het bestaan. Gods grootheid is merkbaar in deze wereld, zodanig dat alles ‘bewoond’ wordt; zodat zelfs ‘ondanks alles de natuur nooit uitgeput is; daar leeft de dierbaarste frisheid diep in de dingen’, schrijft Hopkins.
Sacramentaliteit versus herbetovering
De eerlijkheid gebiedt ons, zeker binnen dit protestantse forum, om ons tekort onder ogen te zien. De protestantse kritiek op sacramentalisme heeft ons blik te veel vernauwd. Een sacramentele kijk wortelt bovenal in de christologie: de menswording van God waarin de Schepper zijn schepping in Jezus Christus betreedt om deze wereld bewoonbaar te maken. Deze beweging van God, zoals Rowan Williams beschrijft in zijn indrukwekkende studie Christ as the Heart of Creation (2018), moet niet los worden gezien van de heiligende beweging waarvan Jesaja getuige is. Het is verkeerd Christus te zien als een losstaande episode, waarbij God tijdelijk minder God en de wereld minder werelds werd. Juist Gods andersheid (aseitas Dei) maakt dat God en de wereld niet als vergelijkbare grootheden naast elkaar staan en, in zekere zin, gereduceerd kunnen worden tot een of-of-relatie, een competitieve verhouding. Net zoals in de heilige eenheid tussen Schepper en schepping in Christus, waar het menselijke niet wordt verdrukt door het goddelijke, maar er sprake is van totale verzoening, impliceert sacramentaliteit dat de materiële werkelijkheid niet wordt geëlimineerd of een tekort wordt aangevuld om tot heilige kwaliteit te komen. Williams bekritiseert zo, zij het mild, het ‘Barthiaanse breuk-denken’. Het wonen van God in Christus is deel van zijn wonen in zijn schepping. In de woorden van Jesaja, ‘Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit’ (Jes. 6:3), staan eindigheid en oneindigheid niet in tegenspraak met elkaar. Integendeel, zij bevestigen elkaar en de betekenis van beide, ook al wordt deze grandeur, zoals Hopkins scherp opmerkt, al generaties lang besmeurd. Onze menselijke daden van destructie doen geen afbreuk aan Gods aanwezigheid, maar ontnemen mogelijk wel het zicht daarop.
Mijn pleidooi voor sacramentaliteit wijkt, naar mijn overtuiging, op enkele belangrijke punten af van het recente pleidooi voor ‘herbetovering’ (re-enchantment). Vanwege de sterke Weberiaanse associatie, waarbij ‘onttovering’ samenhangt met de rationalisering in het Westen, suggereert herbetovering dat wij ons intellect opnieuw moeten opofferen en ons moeten laten overnemen door een macht die onze menselijke eigenheid in zekere zin beperkt. Herbetovering heeft, in tegenstelling tot sacramentaliteit, een zeker competitief karakter. Het is niet slechts een aanvulling op de beperkte blik van de moderniteit, maar eerder een afwijzing ervan. Het wil iets ‘terugdraaien’. Ironisch genoeg hult deze kritiek zich in eenzelfde ‘maakbare’ boodschap: een nieuw project waarin wij de wereld moeten herbetoveren. Het probleem van onze tijd ligt echter, zoals ik heb proberen te betogen, in de kortzichtigheid die ervan uitgaat dat wij de enigen zijn die deze wereld betekenis toekennen. Sacramentaliteit betreft een manier van leven waarin het zoeken naar God, of het gevonden worden door God, niet betekent dat ‘de wereld van de schepselen moet worden achtergelaten’, zoals C.S. Lewis het verwoordt. Ten diepste, en daar hoop ik in de toekomst uitgebreider over na te denken, is een sacramentele visie verankerd in het werk van de Geest die over deze ‘kromme wereld’ als broedende hen waakt, en onder wiens vleugels heiliging te verwachten valt.
Dr. J.M. Abrahamse is lector theologie aan de Christelijke Hogeschool Ede.
Mailadres:
- Raadplegingen: 179