39e jaargang nr. 3 (mei 2025)
thema: Herbetovering. Om al uw tekens te verstaan
Gijsbert van den Brink
Heilige aarde? Zeg niet te snel nee
‘De stof is heilig!’, schreef A.A. van Ruler in een beroemd geworden opstel (‘Hoe waardeert men de stof?’, 1968). Ze is namelijk ‘de eigenlijke werkelijkheid, door de Schepper gewild en in het aanzijn geroepen en van een blijvende goedheid’ (Verzameld Werk III, 121).
We zagen het lange tijd als een speelse overdrijving zoals hij er zoveel had en namen het hem niet al te kwalijk. Maar hij was er zelf heel serieus over: ‘er is ook nieuwtestamentisch en vanuit de christelijke traditie geen enkele reden, om aan mijn (…) hoofdthese [“de stof is heilig”] ook maar iets af te doen’ (123). Een halve eeuw na dato haalt hij zijn gelijk.
Van Ruler overleed in 1970. Dat jaar geldt vanwege enkele baanbrekende publicaties (die ik nu niet zal noemen) als het beginpunt van de christelijke ecotheologie. Van de ecologische problematiek had Van Ruler nog geen weet. Toch wordt hij vandaag gezien als een belangrijke voorloper van de theologische bezinning erop. Allerlei relevante opstellen van hem worden om die reden momenteel in het Engels vertaald (één bundel is al uit, onder de veelzeggende titel This Earthly Life Matters, 2023; een tweede volgt).
De laatste decennia is alom het besef doorgebroken dat de wereldwijde ecologische crises niet meer op technocratische wijze opgelost kunnen worden. De problemen zijn ons boven het hoofd gegroeid. Ze vereisen een ingrijpende gedragsverandering, en die kan alleen maar gepaard gaan met een fundamenteel andere verhouding tot de niet-menselijke natuur. Nadat de wereld in de moderniteit onttoverd is geraakt en als kale grondstoffenvoorraad werd behandeld, zullen we haar volgens velen weer moeten leren beleven als een bezield verband. Christelijk gesproken: we zullen de stof weer directer met God in verband moeten leren brengen – en misschien inderdaad ook wel met Gods heiligheid.
Barth gaat en Van Ruler komt
Mij lijkt deze manier van denken plausibel. Maar ze betekent wel huiswerk voor de gereformeerde theologie. Juist deze trekt de scheidslijnen immers scherp: God is God, heilig en soeverein boven ons verheven. De schepping is geheel van God afhankelijk en ongoddelijk. Men moet haar dus vooral niet te veel eer geven. Wie haar te zeer met God in verband brengt, loopt het risico op afgoderij. Je vereert dan de schepping of een deel daarvan als ware het de Schepper.
De barthiaanse theologie heeft deze tegenstelling nog hoger opgevoerd. In deze tak van het gereformeerd protestantisme wil men soms zelfs nauwelijks zeggen dat God de natuur geschapen heeft. Schepping en natuur gelden er als verschillende dingen. Aan de schepping kun je alleen geloven, je kunt haar niet zien. God is immers geen koekenbakker, zo heet het (in Mirjam Elbers e.a., God als koekenbakker, 2010). Dat laatste werd raillerend gezegd in de richting van hen die scheppen wel klassiek opvatten als vormen, als het in het aanzijn roepen van de materiële werkelijkheid.
Maar het buiten de theologische bezinning plaatsen van de natuur, of haar daarin slechts een negatieve rol toekennen (alsof ze per definitie Gods en onze vijand is), heeft vandaag een desastreuze uitwerking. Richtte Barth zich ermee tegen de ideologieën van zijn tijd, vandaag speelt men die ideologieën er juist mee in de kaart. De Texaanse oliebaronnen en anderen die een ongebreidelde uitbuiting van natuurlijke hulpbronnen voorstaan dekt men zo immers theologisch. Hedendaagse barthianen beseffen dit ook wel, en speuren verwoed naar randen in Barths denken die misschien toch betekenisvol kunnen zijn in de huidige ecologische problematiek. Zo deed bijvoorbeeld dr. Ids Smedema dat onlangs in een leerzame lezing tijdens een studiedag over ‘Barth, Miskotte, en de bedreigde “schepping”’ (let op de subtiele aanhalingstekens rondom ‘schepping’; die bleken bedoeld om te voorkomen dat men de schepping zomaar met de natuur zou identificeren). Maar de enorme urgentie van de ecologische problematiek leek er nog niet erg door te dringen.
In mijn optiek heeft de gereformeerde theologie meer in huis. In artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt bijvoorbeeld juist een positief verband gelegd tussen God en de natuur. De wereld – en daarmee wordt hier evident de natuur bedoeld, vooral de niet-menselijke kant ervan – is immers ‘in onze ogen als een prachtig boek, waarin alle schepselen, groot en klein, als letters zijn, die ons de onzichtbare dingen van God te aanschouwen geven, namelijk zijn eeuwige kracht en goddelijkheid’. Dat is maar geen premoderne naïviteit. Je proeft de emotie in deze formulering, de zindering vanwege de enorme diversiteit en rijkdom aan levensvormen. Opvallend is dat die levensvormen (en ongetwijfeld ook de anorganische materie) transparant geacht worden tot op God. Ze maken zichtbaar wat niet rechtstreeks gezien kan worden, namelijk Gods grootsheid en majesteit. Ze hebben dus, het hoge woord moet er maar uit, sacramentele betekenis: de natuur verbindt ons met God.
Juist dit besef – vermaledijd als het lange tijd was, weggeschreven uit de officiële theologie (artikel 2 zou van achter naar voren gelezen moeten worden), gezien als bron van paganisme en nationalisme – hebben we vandaag weer hard nodig. In het licht van de huidige ecologische crises blijken De Bres en Van Ruler ons een duurzamere scheppingstheologie aan te reiken dan Barth en Miskotte. Jürgen Moltmann (ook gereformeerd theoloog) wees er in zijn scheppingsleer al op dat vóór Barth niemand in de christelijke traditie natuur en openbaring tegen elkaar uitgespeeld heeft, en dat het er vandaag op aankomt ‘de wereld als een sacrament van Gods verborgen aanwezigheid te verstaan’ (Gott in der Schöpfung, 1985, 71; 84). De ontroering die natuurverschijnselen, inderdaad kleine en grote, bij ons kunnen oproepen, de verwondering en verbijstering ook, zijn maar geen heidense restverschijnselen die ons slecht kunnen verleiden tot natuurvergoding. Ze horen juist integraal thuis in christelijk scheppingsgeloof. Ze herinneren, zegt Moltmann, aan het paradijs en wijzen vooruit naar het koninkrijk. Want ze verheffen onze gedachten tot God. Dat geldt, lijkt me, (om met Martien Brinkman te spreken) niet alleen de verrukkelijke, maar ook de verschrikkelijke natuur; ook die getuigt van Gods ontzagwekkende majesteit.
Heiligheid in soorten en maten
Nu gaat dit themanummer over heiligheid en komt logischerwijs de vraag op: valt de natuur, of de aardse biosfeer, in het verlengde hiervan ook als heilig te beschouwen? De instinctieve reflex is ongetwijfeld: nee. Er is een diepe intuïtie dat daarmee het oneindig kwalitatieve verschil tussen Schepper en schepping geweld wordt aangedaan. En er is de angst voor terugval in heidendom. Toch doe ik een poging.
Wanneer we om te beginnen bij de Bijbel te rade gaan, blijkt daar opvallend veel heilig te zijn. Heilig is er nog iets anders dan goddelijk. Want niet alleen God is heilig. Ook zijn volk Israël is het, en wordt ertoe opgeroepen dat te laten blijken (Lev. 19). Heiligheid is een sfeer die van God uit uitstraalt naar mensen, maar ook naar tijden en plaatsen, voorwerpen en natuurverschijnselen, en die hen apart zet. Tabernakel en tempel zijn heilig, de grote feesten zijn het, de ark van het verbond is het en de berg Sinaï. Dat betekent niet dat je er niet aan mag komen, wel dat ze met bijzondere zorg en respect bejegend dienen te worden. Heiligheid is een gelaagd begrip, er zijn gradaties in: het voorhof der heidenen is profaan, het heilige is dat niet, maar doet op zijn beurt weer onder voor het heilige der heiligen. Blijkbaar is God intenser aanwezig op sommige plaatsen dan op andere.
Je zou verwachten dat heiligheidstaal in het Nieuwe Testament wat afneemt. Inderdaad wordt de heiligheid van sommige dingen, zoals de sabbat en andere feesten, en natuurlijk de voedselwetten, gerelativeerd (Kol. 2:16-23). Maar opvallend veel nieuwe zaken worden juist voor het eerst heilig genoemd: de joodse wet, de Schriften, Jeruzalem (de ‘heilige stad’), de profeten, en zelfs de kus waarmee christenen geacht worden elkaar te groeten (vijfmaal in het Nieuwe Testament). De aarde wordt nergens heilig genoemd. Dat zal ermee samenhangen dat het heilige altijd zijn tegendeel veronderstelt, namelijk de sfeer van het profane – en die leek er in het geval van de aarde niet te zijn. Wat heilig is moet immers onderscheiden worden van wat gewoon is. Het hoort op een bijzondere manier bij God. Pas in de eschatologische eindtijd zal alles heilig zijn, zelfs de potten en pannen (Zach. 14:21). Dan zal, nieuwtestamentisch gezegd, het hemelse Jeruzalem neerdalen op de aarde (Op. 21).
Kijken we vervolgens naar de traditie, dan blijkt dat daarin met opmerkelijke vrijmoedigheid ook heiligheid toegeschreven wordt aan zaken en personen die in de Bijbel niet heilig heten. We hoeven blijkbaar niet enghartig of biblicistisch met het predicaat om te gaan. Zo heeft de Reformatie weliswaar gebroken met het onderscheiden van een speciale klasse van heiligen, maar bleef ze wel spreken over ‘de heilige apostel Paulus’, ‘het heilig evangelie’, et cetera. Daarnaast heten de sacramenten van doop en avondmaal steevast ‘heilig’. En nog opvallender: ook het huwelijk wordt zo genoemd, en gezien als een ‘heilige instelling van God’. Dat is niet alleen opvallend omdat dat in de Bijbel niet gebeurt, maar ook omdat in het Nieuwe Testament juist de staat van maagdelijkheid (of anders het ongetrouwd zijn) de hoogste graad van heiligheid bezit. Deze maakt immers een omvattender toewijding aan God mogelijk.
Men kan dus kritisch zijn op de heiligverklaring van zaken die de Schrift niet heilig noemt. Wordt er zo niet met een kerkelijk machtswoord een hek omheen gezet? Maar het ging wel om zaken die daadwerkelijk bescherming verdienden, en die men niet ten onrechte met God in verband bracht (Gen. 2:24). We kunnen er dus ook begrip voor hebben. Het huwelijk was vanuit het antieke en Germaanse naturalisme gezien bepaald niet ‘gewoon’. Dat maakte het kwetsbaar, zoals alles wat heilig is kwetsbaar is: het kan gemakkelijk geprofaniseerd worden en dat leidt alleen maar tot ellende.
Antropoceen
Welnu, precies dat geldt vandaag, nu we het zogeheten antropoceen zijn binnengegaan – het tijdperk waarin menselijk handelen de planeet kan maken en breken – ook voor de aarde. Deze wordt in de heilige Schrift expliciet met God en Gods aanwezigheid verbonden. ‘De aarde is van de Heere, en al wat zij bevat’ (Ps. 24:1). En ze bevat bomen en beemden, bergtoppen en koraalriffen, en wat al niet. Volgens Psalm 104 – een andere tekst waar ecotheologen vaak op wijzen – is Gods Geest zelfs intiem en intens te zijn verbonden met het aardse leven (vs. 29-30). De aarde blijkt vandaag bovendien een unieke planeet in een eindeloos heelal. De Schepper lijkt haar te midden van talloze (exo)planeten te hebben afgezonderd voor het leven. Er is, kortom, theologisch veel voor te zeggen om de aarde inderdaad heilig te noemen.
Voor dreigend (neo)paganisme ben ik eerlijk gezegd niet zo bang. Hoezeer het heidendom ook een reële macht blijft (zoals Henk Vreekamp ons duidelijk maakte), natuurverering blijft in het Westen een niche. De gevolgen van de wereldwijde uitbuiting van de aarde doordat we haar profaniseren zijn vele malen groter. Bovendien is in bovenstaande visie niet direct de natuur als wel de aarde heilig te noemen. ‘Natuur’ blijft een ambivalent begrip (dat opvallend genoeg in artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis ook niet letterlijk voorkomt). Ze heeft minstens sinds de val een januskop, want de zondige mens maakt er bovendien met huid en haar deel van uit. De term aarde verwijst daarentegen naar de ongereptheid van de schepping, naar de verfijnd op elkaar afgestemde parameters van de biosfeer, waarin alles met alles samenhangt in een gerichtheid op leven. De gaafheid daarvan verwijst naar God en roept spontaan ontzag op. Ze brengt ons in de sfeer van Gods heiligheid.
Puur semantisch?
Nu kan een cynicus opperen dat deze discussie vooral semantisch is. Want verandert onze houding er nu door? Dat is zeker niet een op een het geval. Zo rechtlijnig werken de dingen niet. Wij mensen zijn notoir consistent in het niet laten corresponderen van onze daden met onze woorden. Maar woorden doen er wel toe. Zeker wanneer we ze serieus nemen, zoals Van Ruler deed. De Amerikaanse ecotheoloog Norman Wirzba zegt het zo: ‘Wat een ontmoeting met het heilige authentiek maakt, is dat het disposities in ons oproept als respect, nederigheid, verantwoordelijkheid, dankbaarheid en generositeit’ (This Sacred Life, 2021, 139). De aarde als een heilige gave van God zien acht Wirzba zelfs cruciaal, omdat ze alleen zo een goddelijke bedoeling communiceert en niet maar een kaal feit is. Het doet dus ook iets met ons als we zo naar de aarde leren kijken. Het maakt niet dat we weer achter elke boom een geest gaan zien. Het brengt ons niet terug in het heidendom. Maar het brengt ons wel tot diep respect jegens deze heilige gave, en tot terughoudendheid in onze omgang ermee, uit ontzag voor de God wiens sfeer zij ademt.
Prof. dr. G. van den Brink is hoogleraar theologie en wetenschap aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Mailadres:
- Raadplegingen: 165