Skip to main content

39e jaargang nr.  3 (mei 2025)
thema: Herbetovering. Om al uw tekens te verstaan

Martine Oldhoff
Laatst geboekt
Allerlei zaken die ons kunnen betoveren

‘Jullie geloven alleen maar als je tekenen en wonderen ziet!’ Aldus Jezus, wanneer een hoveling bij hem komt met het verzoek de dood van zijn zoon te voorkomen (Joh. 4:48). Het is een dubbelzinnige uitspraak. Deze Heer laat zich kennen door tekenen en wonderen, maar er klinkt ook een zekere verzuchting… Wanneer gaan de ogen van de mensen nu eens open?! Hoe dof zijn onze ogen en hoeveel glinstering kunnen ze ontvangen? Drie schrijvers voeren ons met hun uiteenlopende genres mee naar andere denkwerelden in de hoop ons de ogen te openen.

De wereld is betoverd. Zij zindert van betekenis, heilige plaatsen, orde, wonderen, mysterie en zoveel meer wat wij niet kunnen denken en zien, aldus de Amerikaanse conservatieve schrijver Rod Dreher. Hij wil zijn lezers meenemen in zijn ‘betoverde’ manier van kijken naar de wereld. Daarom schreef hij Living in Wonder: Finding Mystery and Meaning in a Secular Age. ‘De wereld is van Hem vervuld’ (Liedboek 825), maar er zijn ook andere krachten aan het werk. Demonische machten die misbruik maken van het menselijk verlangen naar betovering. De kunst is om je op de juiste wijze te laten betoveren: door God in het christelijke geloof en niet door geld, macht seks, drugs en het occulte. Dreher poneert erop los. Hij gunt zijn lezers een christelijke, en meer specifiek oosters-orthodoxe, vorm van betovering: ‘God heeft de wereld al betoverd; het is aan ons om de schellen van onze ogen te laten vallen en te herkennen wat er is en er een relatie mee aan te gaan’ (p. 43).

Het fascinerende van deze oosters-orthodoxe bekeerling is zijn onomwonden waarschuwing voor het occulte. In zijn ogen is het neopaganisme een veel groter gevaar dan het atheïsme. Mensen zoeken verkeerde vormen van betovering en komen zo bij natuurreligie en duistere vormen van occultisme (p. 86). Dreher verbindt dit vrij suggestief aan links-progressieve stromingen en het woke-denken. Moet je dit begrijpen binnen de context van de Amerikaanse cultuurstrijd, of vraagt dit zwart-wit denken om nuancering? Waarschijnlijk beide.

Ufo’s
Dreher begint zijn boek met de ervaring van een ‘devote christelijke jurist’ die een ufo zag. En later wijdt hij zelfs een hoofdstuk aan ufo’s, die volgens hem (demonische) entiteiten uit een andere dimensie zijn. Alternatieve verklaringen onderzoekt hij niet. Integendeel: hij citeert mensen die menen dat aliens kunstmatige intelligentie aan mensen in Silicon Valley geven (p. 117).
Desondanks maakte zijn schrijven over ufo’s mij nieuwsgierig. Daarom las ik Taede A. Smedes’ We zijn misschien niet alleen: ufo’s toen en nu. In dit boek schetst de godsdienstfilosoof en theoloog een breed overzicht van wat er over ufo’s bekend is, met bijzondere aandacht voor Amerikaanse onthullingen sinds 2017. Ufowaarnemingen blijken al zeker zeventig jaar plaats te vinden – opvallend genoeg vanaf het moment dat grootmachten atoomwapens ontwikkelden. Smedes is wars van complottheorieën en esoterische onzin, maar neemt het ufo-fenomeen serieus.
Met overtuiging schrijft hij dat ‘ons luchtruim wordt bespookt door geheimzinnige technologie’ (p. 16). Hij verhaalt zijn eigen ufowaarneming als kind en de waarnemingen van vreemde, bizar snelle objecten door militairen. Er zijn zelfs infraroodbeelden (Nimitz-incident in 2004, p. 86-90). Smedes denkt dat we niet alleen zijn en de hypothese dat er buitenaards leven is dat de ufoverschijnselen verklaart, acht hij plausibel. Hij pleit voor een ‘open geest’: een agnostische houding ten opzichte van de mogelijkheid dat de objecten een buitenaardse oorsprong hebben.
Smedes noemt verschillende hypothesen, waaronder de psychologische. In een voetnoot noemt hij Jacques Vallée, die de fysieke elementen met de psychologische hypothese weet te verenigen. Dreher beroept zich op dezelfde Vallée om te betogen dat ufo’s en aliens (demonische) manifestaties uit andere dimensies zijn – zonder te vermelden dat Vallée een zeer particuliere these heeft. Smedes vertegenwoordigt het andere kant van het spectrum: hij tilt heel zwaar aan de ooggetuigenverklaringen van militairen, maar neemt religieuze ervaringen niet in ogenschouw. Zijn dat ook getuigenissen? Net zoals je met een ‘open mind’ niet mag uitsluiten dat onverklaarde en onverklaarbare ufo’s een buitenaardse herkomst hebben (p. 154), zo kun je toch ook niet uitsluiten dat er een spirituele verklaring is? Zouden de zogenaamde ‘abductees’ die dikwijls iets traumatisch hebben ervaren en daarna een bovenmatige spirituele interesse hebben (p. 82) ook een demonische ervaring kunnen hebben gehad?

Wereldbeelden op de proef
Smedes denkt dat ufo’s ons wereldbeeld zullen uitdagen. ‘Ufo’s staan symbool voor de andersheid en vreemdheid van de werkelijkheid’ (p. 156). Hij noemt ze transcendent én immanent: ze overstuigen ons, maar zijn ook ‘verborgen onder ons aanwezig’. Ufo’s lijken bij Smedes haast de plaats van God in te nemen. In het nawoord lees ik dat het woord ‘verwondering’ het sleutelwoord is voor wie leest over ufo-ervaringen (p. 160). Voor sommigen zijn ufo’s zelfs ‘een vingerwijzing naar de plek vanwaar we misschien hoop mogen verwachten’ (p. 161).
Dat is natuurlijk koren op Drehers molen, maar Dreher schrijft over meer dan ufo’s. Volgens de Amerikaan is het dé manier om weer met verwondering te gaan leven en anders te gaan kijken het gebed. Zonder gebed wordt geloof een ideologie. Tegelijkertijd wordt er niet moeilijk gedaan over natuurmystiek en panentheïsme. Dreher werkt met een panentheïstisch denkkader. Panentheïsme houdt in dat God in alle dingen is. Alles heeft dus deel aan God. God laat zich vinden in de geschapen dingen. Niet: de dingen verwijzen naar Hem, maar: Hij laat zich erin vinden. Tegelijkertijd overstijgt God de schepping ook. Hoewel de oosterse orthodoxie het onderscheid tussen Schepper en schepsel erkent, schuurt het tegen panentheïsme aan. Als leek meent Dreher dat het gewoon panentheïstisch is. Dat maakt dit geloof ook zo aantrekkelijk voor Paul Kingsnorth, een van de drie profeten ‘van het echte’ (p. 222-223).
Ik kan mij goed voorstellen dat zo’n werkelijkheidsbeschouwing de verwondering over de schepping voedt. Maar de vraag die we natuurlijk wel moeten stellen is: is het waar? En kan het ook anders? Dat de aarde aan de Schepper behoort en dat de Schepper zich ook door zijn schepping kan laten vinden, is nog wel iets anders dan dat de Schepper zichzelf erin laat vinden.

Sacramentaliteit
De christelijke taal die we volgens Dreher dienen te hervinden is dat de kosmos sacramenteel is: zij participeert in een transcendente realiteit. Eenzelfde gedachte vinden we ook in een recent verdedigd theologisch proefschrift. Eva van Urk schreef het rijke The Imago Dei in a Time of Mass Extinction: Rediscovering the Value of Biodiversity.
Deze theologe onderzocht de notie van de mens als beeld van God. Ze vraagt naar het potentieel van het concept om ecologische verantwoordelijkheid te versterken in het licht van de huidige door mensen veroorzaakte massa-extinctie. Ze wil daarbij de spirituele waarde van biodiversiteit herontdekken en wordt daarbij onder andere geholpen door de oosters-orthodoxe traditie.
Van Urks uitgangspunt is dat de variëteit aan schepselen en de schoonheid daarvan klassiek beschouwd transparant voor het goddelijke en daarmee een ‘sacramenteel’ middel is. De sacramentele aanwezigheid van God in de natuur, zo stelt ze, is in de westerse moderniteit grotendeels verloren gegaan en moet theologisch herontdekt worden om de biodiversiteit spiritueel te herwaarderen (p. 10). Waren voor die vergetelheid misschien redenen? Wat vraagt ‘sacramentaliteit’ aan ontologie? En wat zegt dit over hoe God zich openbaart? Van Urk kiest ervoor geen ‘volledig’ perspectief op natuurlijke theologie en (kerkelijke) betekenissen van de sacramenten en sacramentaliteit te ontwikkelen. Sacramentaliteit van de schepping is: ‘het geloofsperspectief dat de onzichtbare God tot op zekere hoogte ervaren en gekend kan worden als een persoon opmerkzaam is naar de wereld die God mogelijk heeft gemaakt’ (p. 58-59).
Een centraal punt in haar these is dat we een sacramenteel verstaan van het ‘beeld van God’ moeten hervinden (hoofdstuk 4). Deze notie verwijst onder andere naar de openheid die mensen ontvangen hebben van God om glimpen van het goddelijke in de wereld van het niet-menselijke waar te nemen.

Biodiversiteit als bron van spiritualiteit en transcendentie
Alle schepselen dragen volgens Van Urk een stempel van hun Schepper (p. 57). Ze ziet biodiversiteit als bron van spiritualiteit en transcendentie: de schepping reflecteert God. God kan door biodiversiteit worden gecontempleerd (p. 59). Sporen van Gods goedheid en zijn wijsheid zijn in schepselen te vinden en de wereld is op deze wijze een plek waar God aanwezig is (p. 212). Dat geeft biodiversiteit dus theologische waarde.
Tegen een veelgehoorde ecotheologische tendens in houdt Van Urk hoog dat de mens wel een uniek schepsel is, onder andere omdat ze verantwoordelijkheid kan nemen voor de zorg voor de schepping. Ze put inspiratie uit de oosters-orthodoxe sacramentele kosmologie en vooral uit de idee van priester van de schepping zijn. Door massa-extinctie verdwijnen stemmen in het koor dat God prijst. En daarmee zou een aspect van Gods goedheid aan ons zicht onttrokken worden (p. 198). Ze verwijst ook naar de klassieke metafoor van de ‘twee boeken’, die onder andere in de Nederlandse geloofsbelijdenis (artikel 2) te vinden is. Er worden pagina’s uit het ‘boek van de natuur’ gescheurd waardoor we delen van onze ervaring van God zouden verliezen (p. 90).
Ook voor wie vragen heeft bij het idee dat we door de schepping God contempleren, zet dit actuele proefschrift aan tot denken. Bijvoorbeeld het idee van het wegvallen van (biodiverse) stemmen die God eren, en de mens die in dat koor een leidende rol dient te nemen, is ook los van de theologische lijn heel waardevol.
De vraag die na lezing van deze boeken blijft hangen is: hoe hervinden we de ervaring van Gods werkelijkheid? Is het echt nodig om ons tot oosters-orthodoxe, panentheïstische tradities te wenden, of zijn er ook andere wegen? Het blijft een prangende vraag die nog wel even op tafel zal blijven. Een medicijn tegen een al te seculiere blik is zingen en zodoende bidden:

Laat dan mijn hart U toebehoren
en laat mij door de wereld gaan
met open ogen, open oren
om al uw tekens te verstaan.
Dan is het aardse leven goed,
omdat de hemel mij begroet.
(Liedboek 978:4)

Rod Dreher, Living in Wonder: Finding Mystery and Meaning in a Secular Age (Zondervan Books, 2024);
Taede A. Smedes, We zijn misschien niet alleen: ufo’s toen en nu (Walburg Pers, 2022);
Eva van Urk, The Imago Dei in a Time of Mass Extinction: Rediscovering the Value of Biodiversity (uitgave in eigen beheer, 2024).

Dr. M.C.L Oldhoff is predikant van de Protestantse Gemeente Mijnsheerenland, universitair docent systematische theologie aan de Theologische Universiteit Utrecht en redactielid van Kontekstueel.
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

  • Raadplegingen: 158