39e jaargang nr. 4 (juli 2025)
thema: Zomernummer
Wim Dekker
Zingeving: de olifant in de spreekkamer
De titel boven deze bijdrage ontleen ik aan een interview met psychiater Rogier Hoenders, hoogleraar zingeving, leefstijl en geestelijk gezondheidszorg in Groningen (Trouw, 3 maart 2025). Hij is bepaald niet de enige onder zijn vakgenoten die tot de conclusie gekomen is dat onder de oppervlakte van de vele psychische kwalen waarmee mensen in het moderne West-Europa worstelen, een verlies aan zingeving schuilt.
Dat heeft alles te maken met het feit dat onze cultuur niet meer gedragen wordt door het grote verhaal van het christelijk geloof. Is er een weg terug? En nog een andere vraag: zijn orthodoxe christenen immuun voor dit verlies aan zingeving dat zich in de haarvaten van onze cultuur heeft genesteld?
‘Ik geloof niet meer’
Enige tijd geleden werd ik uitgenodigd door een aantal ouderejaars van de reformatorische studentenvereniging C.S.F.R. Ze wilden zich verdiepen in het werk van de theoloog K. H. Miskotte (1894-1976). Ik las met hen de beroemde radiopreek uit 1930, later omgewerkt tot een brochure onder de titel ‘Geloof bij de gratie Gods’. De beginregels van deze preek luiden als volgt: ‘Ja, het geloof sterft in deze tijden. Gij hebt het natuurlijk ook gehoord, hoe hier, daar, ginds een mens fluistert of schreeuwt dat hij zijn geloof ‘kwijt’ is, dat het een vreemde bevrijding is en een angstige leegte tegelijk. Dat is het schrikbarend-nieuwe van deze tijd: die leegte als bevrijding en die bevrijding als leegte!
Het gaat immers niet meer hierover, dat een overtuiging wankelt, dat er een dogma komt te vervallen, dat een stelsel van wereldbeschouwing dreigende scheuren vertoont – neen, het gaat om het beste deel, om het verborgen goed, het laatste restant Godsvertrouwen, om de richting van het heimelijk gebed en om de zin van het zedelijk verzet in de wereld.’ Miskotte thematiseert in deze preek het ‘schrikbarend-nieuwe’ van zijn tijd. Nu bijna een eeuw geleden dus, nog lang voor de grote leegloop van de kerken die in de jaren zestig begon. Velen in zijn tijd herkenden het dan ook helemaal niet, maar Miskotte las in die tijd veel Nietzsche en voelde met zijn sensitieve ziel dat hetgeen Nietzsche vertelde over de ‘dood van God’ ondergronds al volop aan de gang was in de harten van mensen die nog vrij massaal de kerkbanken bevolkten. Kerkbanken gevuld met ‘nihilisten in spe’, zo benoemde Miskotte dat.
Intussen was ik heel benieuwd hoe deze tekst binnen zou komen bij reformatorische studenten anno 2025. Ik had minstens verwacht dat de tekst ook vervreemding op zou roepen. Maar het tegendeel was het geval. Juist in eigen kring herkenden ze het volop. Leeftijdgenoten, maar ook ouderen, die jarenlang zich min of meer geborgen voelen in de reformatorische levens- en wereldbeschouwing, maar die op een zekere morgen wakker worden met de intuïtieve overtuiging dat dit slechts een narratief was dat hen intussen is ontvallen. Er moet een lang proces van erosie aan vooraf gegaan zijn, maar de bewustwording komt soms plotseling en het resultaat is nog hetzelfde als Miskotte beschreef: ‘een vreemde bevrijding en een angstige leegte tegelijk.’
Ons bestaan is toevallig
Wij zijn als mensen in het moderne West-Europa losgeraakt van het zingevend referentiekader dat het christelijk geloof eeuwenlang aanreikte. Vaak wordt dat op deze manier verwoord: ‘Ons bestaan is toevallig. Er is geen diepere zin waarom ik hier ben. Ieder moet op eigen manier iets van zingeving invullen. Ik besta en nu moet ik er het beste van maken.’ Deze zinnen heb ik overgenomen uit een interview met Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom van het Centraal Planbureau voor de Statistiek (Nederlands Dagblad, 25 februari 2025), maar het zijn bijna iconische zinnen. Ooit waren het de kenmerkende uitspraken van de existentialistische filosofen van de vorige eeuw. Maar wanneer ik vandaag interviews lees met mensen die in wetenschap en cultuur toonaangevend zijn, kom ik voortdurend varianten tegen op deze basisovertuigingen.
Er is geen diepere achtergrond, ondergrond of perspectief. Niemand weet waarom en waartoe we hier zijn. Maar laten we er intussen wel het beste van zien te maken. Het bestaan is absurd, maar moet wel zo menselijk mogelijk geleefd worden.
Ook de reformatorische gezindte maakt deel uit van deze cultuur. Zij vormt een subcultuur, maar met aan alle kanten poreuze wanden tussen deze en de vigerende cultuur. De studenten die ik sprak verbaasden zich erover dat dit zo weinig beseft werd in hun omgeving. Op de reformatorische school was hen voorgehouden dat er een heel grote afstand was tot de moderne wereld, waar ze straks in hun studie mee in aanraking zouden komen. Maar zelden was gezegd: wij maken allemaal deel uit van deze wereld, wij ademen allemaal in dezelfde lucht. Veel werd gewaarschuwd tegen lichtere varianten van het christelijk geloof, maar zelden werd gesproken over het überhaupt niet vanzelfsprekende van het christelijk geloof binnen de vooronderstellingen van de cultuur waaraan wij allen deelnemen.
Depressie-epidemie
Gelukkig zijn en zingeving ervaren hangen in onze cultuur dus af van contemporaine mogelijkheden hier zelf invulling aan te geven. Er zijn mensen die dit goed lukt. Hun leven heeft betekenis door werk, familie, vrienden. Ze lijden er niet aan dat hun bestaan ten diepste toevallig is. Anders is dit voor degenen die deze individuele mogelijkheden tot zingeving zijn ontvallen. Hun leven lijkt mislukt. Die categorie dreigt door allerlei maatschappelijke ontwikkelingen groter te worden.
Psychiaters en psychologen als Paul Verhaeghe, Damiaan Denys, Dirk de Wachter en Bert van den Bergh constateren dat er een directe samenhang is tussen een cultuur die geen alomvattend zingevingskader meer kent en de ‘depressie-epidemie’. Van den Bergh spreekt over een cultuur die depressogeen is, die ziek maakt (De schaduw van de zwarte hond, 2019). Dat komt niet alleen omdat er geen zingevingskader meer is. Het komt misschien nog meer omdat het gat van het zingevingskader is opgevuld met dictaten van nieuwe goden, nieuwe mythen, zoals Kees van Ekris dat in zijn jongste boek (De magie van het geloof, 2025) noemt: een nieuwe Venus van schoonheidsidealen en lichamelijke aantrekkelijkheid, een nieuwe Mercurius van een economie die ons steeds verder opstuwt om te geloven dat meer ook beter is en gelukkiger maakt. Voeg daarbij het doorgeschoten individualisme. Individuele zelfontplooiing leek zo’n prachtig ideaal, maar wat als ik hierin niet of maar zeer gedeeltelijk slaag? Dan hoor ik bij de losers voor wie de samenleving weinig genade kent.
Geen weg terug?
Hoe kunnen orthodoxe christenen in deze context zegenrijk aanwezig zijn? Het valt me steeds weer op, dat de genoemde psychologen en psychiaters een haarscherpe analyse geven van zowel de primaire oorzaak van de problemen als ook van de secundaire. Wat betreft de primaire zeggen ze allen: onze cultuur is haar verankering in een alomvattende christelijke levens- en wereldbeschouwing kwijtgeraakt. Tegelijk zeggen ze dan in koor: daar kunnen wij niet naar terug. Telkens wanneer ik dat lees, probeer ik het goed tot me door te laten dringen. De traditie waaruit ik leef wordt dus door al deze mensen – bepaald geen oppervlakkige geesten, integendeel: bewogen met de nood van hun medemensen – gezien als volstrekt passé. Ik moet dat serieus nemen. Ik moet ook het schokkende daarvan tot me door laten dringen. Blijkbaar geloven al deze mensen in dit opzicht niet in de mogelijkheid van omkeer. Maar wat betreft de secundaire problemen van onze cultuur, de depressie-epidemie, de valse schoonheidsidealen, het doorgeschoten individualisme, de prestatiedruk et cetera, geloven ze wel in de mogelijkheid van verandering. Dat laatste is op zich hoopvol. Ik zie er iets in van wat we in de gereformeerde theologie algemene genade of scheppingsgenade noemden. Tegelijk denk ik: schept deze context nu voor ons niet ook de mogelijkheid om de unieke betekenis van het christelijk geloof ter sprake te brengen? We kunnen volgens de hedendaagse cultuurdragers niet zomaar meer terug naar het christendom. Mensen zouden dan het gevoel hebben weer een eeuw of een paar eeuwen terug te moeten gaan leven. De reformatorische subcultuur of een evangelische variant beschouwen ze vanuit deze optiek als een anachronisme.
Afstemmingswezens
Maar kunnen we misschien wel terug naar woorden die veel en veel eerder klonken, lang voordat er sprake was van welke vorm van christendom dan ook? Ik denk aan de twee vragen helemaal aan het begin van de Bijbel (in Genesis 3 en 4). Die vragen luiden: ‘Adam, waar ben je?’. En: ‘Kaïn, waar is je broeder?’ Sluiten deze vragen niet aan bij wat filosoof en psycholoog Bert van den Bergh zegt: ‘wij zijn afstemmingswezens’? Ik kende deze uitdrukking tot nu toe niet, maar hoe meer ik erover denk, hoe meer trefzeker ik de typering vind. Van de Bergh zegt: ‘Wij zijn afstemmingswezens. Dat begint al in de baarmoeder: moeder en kind moeten op elkaar inspelen. Het hele proces van mens-worden, leren leven en samenleven is ten diepste ook een kwestie van afstemming, in verbondenheid met anderen. Voor iemand die aan een depressie lijdt is dat proces ontregeld, en daarmee de toegang tot de wereld verstoord – de wereld gaat hem of haar niet meer aan. Dan ben je als het ware niet meer afgestemd op de wereld’.
Wanneer wij nadenken over een relevante bijdrage aan de bezinning op de zingevingscrisis in onze samenleving, moeten we over de schaduw van onze subcultuur heenstappen en mensen op geen enkele manier de indruk geven dat zij terug moeten naar vroeger. Tegelijk moeten we voortdurend bidden om de moed, het lef, de bijbelse ‘vrijmoedigheid’ om te getuigen dat het antwoord op al onze problemen ligt in de juiste afstemming: de afstemming op onze Schepper, op onze medemensen en de hele ons omringende werkelijkheid. We hebben ons vergist door God als onze oorsprong, uit Wie en tot Wie wij geschapen zijn, buiten de orde te plaatsen. We hebben ons vergist door de ander te zien als potentiële concurrent. We hebben ons vergist door de geschapen werkelijkheid in een technocratische mal te persen, waardoor heel het ecologisch systeem kapotgaat. We hoeven niet terug naar de westerse gestalte van het christendom, we mogen veel verder terug: naar onze oorspronkelijke door de Schepper gecreëerde infrastructuur – afstemmingswezens.
De stem van de Roepende
Ja, maar: daar hebben mensen die leven vanuit een evolutionistische wereldbeschouwing geen boodschap aan. Dat is nog maar de vraag. We hebben veel geïnvesteerd in het debat schepping en evolutie. Wanneer ergens het gevaar dreigt dat wij beschouwd worden als mensen die het nog niet helemaal begrepen hebben en die krampachtig aan een voorbije levens- en wereldbeschouwing willen vasthouden, dan is het hier. Die valkuil moeten we proberen te vermijden door te leven vanuit de vreugde van het kennen en gekend zijn. Door in woorden en daden duidelijk te maken dat voor ons de zin van het leven niet afhankelijk is van toevallige omstandigheden, maar van het feit dat we ons geroepen weten door een God, die uit louter goedheid ons bestaan gewild heeft en die ons geschapen heeft als antwoordende en ver- antwoord-elijke mensen. Er was op ons gerekend toen we ter wereld kwamen, we kwamen als geroepen. De zin van ons leven is voor ons: antwoorden op de stem van de Roepende, die altijd weer ons twee vragen stelt: ‘Adam, waar ben je?’ En: ‘Kaïn, waar is je broeder?’ Deze zin van het leven mogen we met dankbaarheid en grote innerlijke overtuiging voorleven.
Wanneer deze genade ons geschonken wordt, zal deze levenswijze verwondering oproepen, wie weet ook verlangen. En elke echte verandering in mensenlevens begint met verlangen.
Wanneer het gaat om een relevante bijdrage met het oog op de zingevingscrisis, hoeven we nog niet meteen te denken aan een vorm van evangeliseren. Onze geleefde overtuiging heeft betekenis in zichzelf. Mocht er echter een gesprek uit voortvloeien over het christelijk geloof en mocht er ruimte ontstaan om daar meer van te delen, dan hebben we een heel goede uitgangspositie. Want bij een dieper gesprek over deze dingen zal spoedig ter sprake komen dat wij wel bedoeld zijn als afstemmingswezens en als antwoordende en verantwoordelijke mensen, maar dat de praktijk bij ons allen heel weerbarstig is. Het goede dat ik wil doe ik niet, het kwade dat ik niet wil, doe ik juist wel vaak (zie Rom. 7). Een volgende vraag kan dan zijn: en hoe ga jij daar mee om? Bij die vraag kunnen we iets vertellen over wat dat oeroude woord zonde betekent en verzoening en vergeving en zoveel meer nog. Het hele oude verhaal kan nieuw verteld worden vanuit een gedeelde verlegenheid: wat is in vredesnaam de zin van dat wij hier een poosje rondlopen? Soms stel ik mij die vraag ook, net zoals mijn niet-gelovige buurman. Op dat moment heb ik geen contact met de stem van de Roepende. Het is alsof de hemel zwijgt. En wat doe je dan, vraagt mijn ongelovige buurman? Dan schreeuw ik als een hert dat verlangt naar de waterstromen, zeg ik. Ik pak mijn bijbeltje erbij en lees een paar verzen uit Psalm 42.
Dr. W. Dekker is emeritus predikant in de Protestantse Kerk in Nederland, cursusleider van IZB/Areopagus en redactielid van Kontekstueel.
Mailadres:
- Raadplegingen: 95