nr4 • 2014 • Ze doen tegenwoordig maar of iedereen gelooft

28e jaargang nr. 4 (maart 2014)
thema: Hoe (on)gelovig is de kerkganger?

E.K. Foppen
Ze doen tegenwoordig maar of iedereen gelooft…’

Bovenstaand zinnetje hoorde ik in mijn kinderjaren regelmatig uit de mond van mijn opa. Hij was een degelijke hervormd-gereformeerde ouderling, die zelf een soort Paulusbekering had meegemaakt. Hij kon zich bij tijd en wijle enorm opwinden over dominees die alle kerkgangers - al dan niet op grond van de schepping en/of Gods verbond - als gelovigen zagen. Onlangs hoorde ik dezelfde woorden echter ook uit de mond van een 23-jarige jongvolwassene die zich niet langer thuis voelde in de kerk. Hij wist zich ‘niet gekend in zijn ongeloof en twijfel’ en was daardoor afgehaakt van de kerk en de jeugdvereniging. ‘Daar was iedereen zo gelovig…’ Gelukkig kwam hij wel weer op catechese. Waarom? Hij had gehoord dat je ‘ongelovige’ vragen mocht stellen. 

Mijn bevindelijke opa en deze twijfelende jongen. Twee verschillende mensen uit verschillende tijden. Toch zeggen ze hetzelfde. Of is dat ‘hetzelfde zeggen’ schijn? Hetzelfde zeggen betekent immers niet automatisch hetzelfde bedoelen. Bij alle verschillen tussen beiden - die zijn er, we komen er op terug - delen ze wel deze twee gedachten: 1) ‘Niet elke (gedoopte) kerkganger is zonder meer een gelovige’ en 2) ‘geloven doe je niet ‘zomaar’ en al helemaal niet ‘als vanzelf’’. Met deze gedachten zitten we midden in de thematiek van dit nummer: hoe (on)gelovig is de kerkganger?

Worden schepping, verbond en doop inderdaad overschat binnen de kerk? Moeten ook gedoopte kerkgangers nog bekeerd worden tot het geloof? En moet er daarom ook nog gepreekt worden over vragen als: ‘hoe word ik een kind van God? Wat is bekering? Hoe krijg ik als ongelovige geloof?’ Of zijn deze vragen in 2014 toch wat uit de ‘oude doos’ en te weinig aansluitend bij de actualiteit? Ik geloof dat veel dominees - ook in de orthodoxe hoek - en mede door hen ook veel gemeenteleden dit laatste wel steeds meer zijn gaan denken. ‘De huidige generatie kerkgangers is (veel) kleiner, maar toch ook bewuster in geloven dan vroeger. De mensen die nu nog in de kerk zitten, zijn er niet uit gewoonte, maar echt gemotiveerd.’, wordt dan vaak gezegd. ‘En om deze laatsten der Mohikanen dan ook nog eens op de huid te zitten met preken over bekering en tot geloof komen etc. Zij moeten eerder toegerust worden hoe ze als gelovige discipelen in deze wereld moeten staan. Dat valt immers niet mee.’, zo is dan vaak de daaruit volgende redenering.

Vraaggericht
Daarbij komt ook nog eens: bij de gemiddelde kerkganger vandaag de dag leven de vragen over tot geloof komen ook niet zo erg. Nu, dat laatste klopt, is mijn ervaring. In de tijd dat ik nu dominee ben (vanaf 2003) heb ik van zowel ouderen als jongeren namelijk veel vaker vragen gekregen in de trant van: hoe ga ik om met vloekende collega’s, dan vragen als: hoe word ik een kind van God. Wie - wellicht uit bezorgdheid over verdere krimp van de kerk, of ook uit eigen verlegenheid met deze thematiek - er voor kiest om in prediking en pastoraat toch maar vooral ‘vraaggericht’ te werken, zal deze laatste soort vragen derhalve ook nauwelijks behandelen. En als ze lang niet behandeld worden, worden ze op den duur ook niet meer gesteld.

En toch…toch hebben mijn opa en deze twijfelende jongeman naar mijn mening wel degelijk een wezenlijk punt. Ik geloof dat juist ook in 2014 (gedoopte) kerkgangers bekeerd moeten worden, kind van God moeten worden, tot geloof moeten worden gebracht. Daar zal het in preken en ook in pastorale gesprekken dus ook echt (weer) over moeten gaan. De thematiek rondom toe-eigening van het heil - hoe je het dan ook precies formuleert - is niet alleen een thematiek voor tobberige refo’s die eens wat beter naar hun eigen doopformulier zouden moeten luisteren (dat zeker ook!). Het is ook geen thematiek uit de oude doos, maar behelst zeer existentiële thema’s voor alle mensen van alle tijden.
En het is waar: de vragen rondom deze thematiek leven misschien niet zo bij de gemiddelde kerkganger, maar daar moet je je als kerk ook niet al teveel door laten leiden. Hoe goed het ook is om als predikant (eerst) zorgvuldig naar je gehoor en de wereld in en om hen heen te luisteren, het is niet raadzaam om je oren naar hen te laten hangen. Immers: de vreemde boodschap van het evangelie van Jezus Christus door-kruist meer onze vragen dan dat ze daarbij aansluit.

Niet vanzelf
Waarom hebben mijn opa en die jongvolwassen man toch echt wel een punt?
Allereerst omdat geloven nooit iets is geweest en ook nooit iets zal worden wat je ‘als vanzelf’ en ‘uit jezelf’ doet. Ook als gedoopt mens niet. Ook als gelovige kerkganger niet! (zie de meditatie van en de overwegingen daarbij) Religie - koud materialistisch, sportief (Tour de France, Olympische Spelen, E.K., W.K.), of mystiek ingekleurd - gaat ‘als vanzelf’ en ‘uit jezelf’. Voor het vreemde geloof in Israëls God Die door Zichzelf te verliezen in Christus de Redder der wereld en onze Redder is, moet je toch ééns, maar ook telkens weer ingewonnen worden. Dat geloof wordt jou - hoezeer jij je ook het eigendom van Christus weet - hier op aarde namelijk nooit helemaal eigen. Al was het alleen maar omdat je levensomstandigheden haast voortdurend veranderen, waardoor het geloof telkens opnieuw vorm moet krijgen binnen de nieuwe omstandigheden. Ten tweede geldt ook dat het heil te groot is om gelovig te omvatten, om te hebben. (Zie hiervoor ook het artikel van dr. Van der Meulen)

De theoloog A.A. van Ruler beschrijft dit plastisch. Hij neemt het op voor de apostolische verkonding, niet alleen buiten, maar ook binnen de gemeente.
‘Men kan verder ook denken aan de onbekeerden in de gemeente. Het is een verbijsterend verschijnsel, dat zij voorkomen. Maar het is een feit. Men kan ze niet allen voor wedergeboren houden. Dat kan men niet vanuit de doop. Zelfs niet vanuit het verbond. De toe-eigening is evenzeer een moment in het werk van de Geest als het sacrament en de traditie. Er zijn toch gemeenteleden die met zichzelf met het oog op hun eeuwige zaligheid niet in het reine zijn en derhalve de wereld niet als rijk van God beleven. Moeten zij niet tot de doorbraak en de overgave gebracht worden en is derhalve niet de volle, ambtelijke apostolische prediking nodig? (…) Is er iemand die compleet is wedergeboren? Is de echte wedergeborenheid niet het pure hangen aan het goddelijke Woord? Ja, sterker: hangt de echte wedergeborenheid niet zelf aan het geschieden van het goddelijk Woord? Nog sterker: geschiedt de wedergeboorte zelf niet door het geschiedende Woord? Is het hart van het christenzijn niet de rechtvaardiging van de goddeloze? Verschijnen wij niet elke zondagmorgen ook als heidenen- in onze barbaarse goddeloosheid- onder het apostolisch kerugma?’ (A.A. van Ruler,
Reformatorische opmerkingen in de ontmoeting met Rome, blz. 167)

Van Ruler noemt de mogelijkheid van onbekeerden in de kerk. Hierbij denkt hij niet zozeer aan iemand die ‘zo maar eens’ binnenkomt. Zulke mensen noemt hij even eerder ‘buitenstaanders’ en tot hen moet de roep tot bekering uitgaan, zo stelt hij. Bij onbekeerden denkt hij aan leden van de gemeente. Aan mensen die er misschien wel elke week zitten. Aan mensen die het wel geloven… Doen we God, maar ook zulke mensen zelf recht als we hen aanspreken als gelovigen, als kinderen van God? Nee toch? Even later vraagt Van Ruler of er iemand is die compleet is wedergeboren. Hij doelt met deze vraag op de gelovigen. Op hen die tot doorbraak en overgave gekomen zijn. Zijn zij compleet wedergeboren? De vraag stellen is hem beantwoorden: ‘Wij komen elke zondagmorgen weer als heidenen in onze barbaarse goddeloosheid onder het apostolisch kerugma’, zo vervolgt hij. Compleet wedergeboren gelovigen bestaan volgens hem dus niet. Rake woorden. Raker dan ik zelf voor waar wil hebben. Ik ga, juist in 2014, naar de kerk om als gelovige heiden weer bekeerd te worden onder het geschiedende Woord. En juist door dat geschiedende Woord ontdek en hoor ik dat ik compleet niet of niet compleet ben wedergeboren, maar wordt mij hoopvol verkondigd dat Christus - als de Nieuwe Adam - geboren is voor zulke mensen!

Wie met bovenstaande realiteit, op grond van het verbond, of anderszins, niet of nauwelijks rekent, miskent de blijvende en weerbarstige realiteit van het ongelovige hart van de mens. Ook van het ongelovige hart van de gelovige mens. Gelovige mensen zijn namelijk nog niet volkomen in de gloria. Het geloof is pas volkomen wanneer het overgaat in aanschouwen, maar dan is het ook opgehouden geloof te zijn. Wie behalve de bevrijdende boodschap van het evangelie niet ook het barbaarse hart ernstig neemt, laat mensen in hun diepste zijn onaangeraakt en dus ook onberoerd. Je wordt dan als mens niet echt uitgekleed in je weerstand tegen God, maar ook niet werkelijk aangekleed met de liefde van God in Christus. Je krijgt als het meezit wat ‘christelijke’ franje omgehangen. Dat vinden de meeste (kerk)mensen natuurlijk ook best, ze voelen zich dan echt christelijk. Maar er zijn ook (kerk)mensen die zich daardoor niet serieus genomen weten in hun diepste zijn, namelijk je bestaan ten opzichte van God. En: wat heb je, als het er op aan komt, nu aan franje, hoe ‘vrolijk’ of ‘degelijk’ ook?

Vreemd
Zou bovenstaande niet precies het punt zijn waarop de jongeman en velen met hem zijn afgeknapt op de kerk? Ik denk van wel. Jongvolwassen mensen die in hun zoektocht naar identiteit iets van hun eigen weerstand tegen Israëls God ontdekken (de diepste weerstand kunnen we niet eens doorgronden) zijn niet geholpen met preken waarin ze min of meer worden aangesproken als volgers van Jezus op grond van het feit dat ze gedoopt zijn, of in de kerk zijn. Ouderen trouwens ook niet. Op die manier worden ze juist miskend. Ze worden wel geholpen als - via de weg van ongeloof en twijfel - hun weerstand eerlijk én ontdekkend wordt benoemd. Als het evangelie in zijn vreemdheid wordt verkondigd, juist ook voor hen. Jezus is toch juist gekomen voor mensen die niet naar Hem vragen, die Hem niet zoeken? Van de huidige apologetische
hausse kunnen we leren dat het niet helemaal ‘gek’ is om te geloven in een man die aan een kruis heeft gehangen en de redder der wereld zegt te zijn. Maar deze boodschap is en blijft toch wel vreemd voor een mensenkind? Wanneer in de kerkelijke praktijk deze vreemdheid wordt ontkend door het geloof min of meer te veronderstellen als ‘normaal’ (cultuurchristendom), of als ‘niet gek’ (vanuit de apologetiek), doet behalve de Schrift dus ook de huidige cultuur het menselijk hart geen recht.
Eerlijk is eerlijk: mede door het steeds meer wegvallen van een door het christendom gestempelde cultuur wordt de vreemdheid van het evangelie eerder zichtbaar en ook scherper ervaren. (Zou dat bij alle verlies (!) niet ook een ontwikkeling kunnen zijn, die ons dichterbij de knoestige kruiskern van het evangelie brengt?) In die zin is er wel degelijk verschil tussen mijn opa en de jongeman waarover ik schreef. Mijn opa vond het niet vreemd om naar de kerk te gaan en te horen over God en Jezus. Zijn collega’s vonden het ook niet vreemd. Dat de winkels op zondag waren gesloten was ook volkomen normaal. Geloven in Jezus hoorde er toch min of meer bij. Dat geloven niet iets is wat een mens uit zichzelf en als vanzelf doet, kwam hij dus ook niet zozeer gewaar uit de hem omringende cultuur, maar ontdekte hij vooral uit de Schrift. Voor de jongvolwassene die in 2014 vijf dagen per week op een gemiddelde hogeschool in Nederland rondloopt en zo’n beetje de enige is die nog iets aan het christelijk geloof doet (‘Is dat ook met yoga, of doen ze daar niet aan?’, zo werd aan hem gevraagd) ligt dat totaal anders. Hij ervaart in zijn gewone dagelijks leven al een soort culturele weerstand (die kan ook heel vriendelijk zijn!) tegen het evangelie die mijn opa nauwelijks heeft meegemaakt. Dat geloven in Jezus Christus niet iets is wat een mens uit zichzelf en als vanzelf doet, is voor hem dan ook directer zichtbaar dan dit ooit voor mijn opa ooit geweest is. Je zou haast zeggen: daar heeft hij geen Bijbel voor nodig, hij hoeft alleen maar om zich heen en naar zichzelf te kijken. In die zin is de huidige tijd misschien wel ‘eerlijker’ dan de tijd waarin mijn opa groot werd.

Maar nu even scherp: is de, vooral door de cultuur veroorzaakte, ontdekking van het weerbarstige hart van de jongeman, hetzelfde als het vooral door de Schrift ontmaskerde ongelovige hart van mijn opa? Dat denk ik niet, al houden ze wat mij betreft wel degelijk verband met elkaar. Wellicht geldt ook bij deze thematiek artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Maar dan niet wat betreft het kennen van God, maar wat betreft het kennen van onszelf in onze weerstand tegen God. Bij deze een poging: we leren de weerbarstigheid en het ongeloof van ons heidense hart kennen door twee middelen: allereerst door de ons omringende cultuur (waar we zelf altijd deel van uitmaken) en ons eigen hart, maar ‘duídelijker en volkómener’ door de Schrift. Gelukkig verkondigt die Schrift ook duidelijk en volkomen wie God in Christus is. Veel duidelijker dan ik in de cultuur kan opmerken…

Tenslotte nog iets over de constatering dat vragen rondom tot geloof komen niet zo leven bij de gemiddelde kerkganger. Vragen naar het ‘hoe’ van het christelijke leven eens te meer, zo schreef ik al. Hoe komt dat eigenlijk? Heeft dit niet ook te maken met het feit dat handelingsgerichte vragen makkelijker te stellen (en te beantwoorden!) zijn dan zijnsgerichte vragen? Is het vooral bezig zijn met de ‘hoe-en-doe-vragen’ van het christelijke leven niet ook een (onbewust) vluchten van de dieperliggende zijn-vragen?
Laten we als kerk niet tè snel meegaan in de grote aandacht voor praktijkvragen. Achter en onder veel praktijkvragen ligt - vaak ook onbewust - de vraag naar de zekerheid. De vraag naar zekerheid los je echter niet op met handelingsgerichte antwoorden, maar met zijn-antwoorden. Niet voor niets zegt zondag 1: Mijn enige troost in leven en sterven is ….dat ik met lichaam en ziel van Jezus Christus bèn
. In het licht van deze zekerheid verdampen veel praktijkvragen, is mijn ervaring. De vragen die overblijven - en die zijn er! - moeten zeer serieus behandeld worden. Maar dan wel vanuit het zijn in Christus. Anders vervallen we in een ‘evangelisch’, ‘reformatorisch’ of nog weer een ander moralisme, dat geen werkelijke bodem heeft.

Ds. Bert Karel Foppen is predikant (PKN) te Gorinchem en redacteur van Kontekstueel.
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Voor losse nummers, klik hier

 

 

 

 

Afdrukken