nr4 • 2014 • De (on)gelovige kerkganger in de preek

28e jaargang nr. 4 (maart 2014)
thema: Hoe (on)gelovig is de kerkganger?

P.J. Verhagen
De (on)gelovige kerkganger in de preek

Mij is gevraagd aan dit themanummer mee te werken, hetgeen ik na grote weerstand doe. Weerstand niet zozeer uit valse bescheidenheid, daar heb ik niet zo’n last van, maar vanwege mijn ironie in deze: de (on)gelovige) kerkgangers geloven het wel, als zij het maar naar hun zin hebben. Althans, die indruk heb ik dikwijls. Wat heb ik dan nog te melden?

Mijn eerste reactie was dan ook: vraag dat dan aan de kerkgangers zelf. Nu dat was kennelijk niet de insteek. Ik deed daarom zelf een klein experiment om aan mijn bezwaar tegemoet te komen. Aan een gemeente waar ik laatst voorging, vroeg ik me een mailtje te sturen. Mijn vraag was om in een paar zinnen antwoord te geven op twee vragen. Wat geloof je nou eigenlijk en aan wat voor (type) preek heb je behoefte? Op de reacties die ik kreeg, kom ik terug.
Maar dat was niet mijn grootste bezwaar. Ik ben helemaal geen predikant. Ter toelichting, ik ben van huis uit Nederlands Hervormd, ik ga in kerkdiensten voor sinds het behalen van het kandidaatsexamen theologie in 1980, en ben, zoals dat tegenwoordig heet, proponent sinds 1988. Ik ga gemiddeld 30x per jaar voor, ’s ochtends of ’s avonds, een enkele zondag twee keer. Wat deze jaar- en getallen zeggen? Enerzijds, mijn aarzeling, ik ben slechts gast, voorbijganger, dat is heel anders dan verbonden aan een gemeente zondag in zondag uit voorgaan. Ik realiseer me dat heel wel. En anderzijds, opnieuw mijn ironie, de (on)gelovige lezer gelooft het wel en haalt de schouders op.

Louter folklore
Toch maar aan het werk dan. Ik ben opgevoed, theologisch bedoel ik, door mijn leermeesters met de opdracht dat er iets moet gebeuren, zo kan het in ieder geval niet blijven. Er moet, om het met Van Ruler te zeggen, iets met mijzelf, ‘zeer bepaaldelijk met mijn zelf gebeuren’. Daar kom ik, wat betreft mijzelf, niet onderuit. Zou het voor niemand meer gelden, dan geldt het nog steeds voor mij. Helaas, ik zie er niet zoveel van; dat is mijn trieste en ironische conclusie na vierendertig jaar. Ik zie niet zo bijster veel veranderen en wat er verandert beschouw ik inmiddels niet meer als opmerkelijk, wonderlijk of wat ook, maar zoals het gaat, altijd al, als folklore binnen een bepaalde subcultuur, van alle tijden en alle plaatsen, uiteindelijk niks nieuws onder de zon. Ach, misschien dat het woord folklore wat afstoot. Laten we het dan ‘cultureel erfgoed’ noemen. Het is waardevol om allerlei redenen en waard om beschermd te worden. En ik zie ook zeker wel dat mensen dat fijn vinden, belangrijk vinden en voor geen goud zouden willen missen. De (on)gelovige is vooral bezig met hoe hij gelooft en veel minder met wat hij gelooft, denk ik. Want dat komt tegemoet aan waar de (on)gelovige behoefte aan heeft. En dat kan van alles zijn: vertrouwen, vrees voor straf, ontroering, bevestiging, rust, bescherming van het kwetsbare. En zo werkt het verbindend aan en met elkaar. Ik meen dat te herkennen in wat ook wel gek genoeg ‘religie zonder God’ genoemd wordt. Het behoefte hebben aan geraakt te worden in gebaren, gebeden, sacramenten, verhaal en lied. En dat gebeurt ook volop en het verbindt voor God, in Christus en door de Geest. Het voor waar houden van dit en van dat is er (nog) wel, maar ten dienste van het eerste en op dat moment, en verder lijkt het niet zoveel hout (meer) te snijden.
Ik moet bekennen dat ik niet weet of dat goed of fout is. Ik weet wel dat ik er als voorganger niks tegen kan doen, zo gaat het. Als hoorder, als ik even uit mijn rol mag stappen, weet ik wel dat ik de traditionele ‘inhoudelijke’ preek dikwijls zeer voorspelbaar en al te saai vind, en wat betreft de op ervaring gerichte preek is voor mij de combinatie van (te) veel ‘emo en ego’ dodelijk.

Gemeente te lijf
En zo zie ik mezelf voortdurend geplaatst voor een dilemma. Maar de drijfveer is de overtuiging dat er iets moet gebeuren, iets moet veranderen. Daar gaat de Schrift van a tot z over. Ik zou niet weten waar het anders over zou moeten gaan.
Hoe dan? Ik werk met verschillende typen preken, verbeeld ik me. Allereerst is er de proclamatie. Dat is de ‘drukste’ variant in mijn wijze van presenteren. Ik spreek luider, het tempo is hoog, er is maar één doel, geen ontkomen aan: ze op het andere been zien te krijgen. Het vanzelfsprekende is niet vanzelfsprekend, wat altijd klopte klopt niet, wat je altijd geloofde is ongeloof of bijgeloof. Het kan niet anders of het moet anders. Uit de comfort zone! De folklore ontmaskerd als een al te gemakkelijke voorsmaak. Ontregeling, in verwarring naar huis. En dat dan ook laten staan, en niet, zoals in menige preek altijd weer gebeurt omdat de leer kennelijk rond gebreid moet worden, de boel aan het eind glad strijken, want dan is iedereen weer gerustgesteld - en gebeurt er niks. Er is, zo de Heere wil, toch altijd een volgende keer?

Dan de gelegenheidspreek. Ik neem rond of op 4 en 5 mei vrijwel altijd het thema van het Nationaal Comité 4 en 5 mei in liturgie en preek op. Toen de kroning plaatsvond richtte ik de dienst in rond Spreuken 20:28. Toen iedereen zich afvroeg of de koning voor de troonrede een iPad zou gebruiken, meende ik het te moeten hebben over 1 Tim 2:2, de voorbede - over participatiemaatschappij gesproken. Dat type preek draait dus om relevantie en dagelijkse politieke en maatschappelijke werkelijkheid, de stijl vragend en zoekend, analyserend en ter zake. Het zijn allemaal zaken waar wij vanuit geloof, hoop en liefde best iets over weten en te zeggen (moeten) hebben; de samenleving heeft ons nodig. Ik ben er inmiddels vrij zeker van dat ‘geen politiek op de preekstoel’ een tamelijk onzinnige stelling is. Ik vind dat veel preken in dit kader ernstig tekort schieten. Ook het kerkelijk jaar houd ik graag aan. Zondag Trinitatis sla ik niet over, maar toegegeven erg sterk in Israëlzondag ben ik weer niet. Ik kies overigens niet altijd zelf de gelegenheid of het thema. Ik ben dol op themadiensten, maar dan niet dat ik het thema bepaal, liever niet, maar de gemeente zelf of de werkgroep.

Dan is er de, wat ik maar noem, Schrift met Schrift vergelijken preek. Bijbelzondag 2013 was daar een voorbeeld van. Ik had het beschikbare materiaal niet, maar heb de gekozen tekstgedeelten over gaven (1 Cor. 12) en de schipbreuk (Hand. 27-28) elkaar laten toelichten: de leer en de praktijk van de gaven. En geef toe, soms lijkt samen op een boot in zwaar weer vruchtbaarder voor je geloof, dan mee te moeten in die zelf geknutselde geestelijke bootjes in de gemeente, zoals Paulus het er in 1 Cor. 12 mee te stellen heeft. Het gaat in dit type erom lijnen te trekken, verbanden te laten zien en te oefenen in Bijbellezen om voorbeelden en rolmodellen te ontdekken, waarmee een leidraad voor het dagelijks leven te vinden is om als deelgenoten uit te putten en naar te leven. Het tempo is dan ook lager, met pauzes, tempo à la voorlezen en stil staan bij. En daar houd ik het dan ook bij. Vooral bedoeld om het verrassende, altijd weer nieuwe te laten zien, hoop ik. Ik stel het - tussen twee haakjes - niet mooier voor dan het is. Er is altijd wel iemand die het drie keer niks vindt. Iemand uit de gemeente die ik vroeg me te mailen, vertrouwde me toe dat hij wat ik doe helemaal geen preken vindt, te beschouwend, al is het prettig om naar te luisteren.
De preek in de lijdenstijd typeer ik als de aanklacht: ‘Het moet toch Jezus zijn!’. Ook iets van mijn leermeester trouwens. In de lijdenstijd gaat het er maar om een: Jezus Christus. Dat is natuurlijk altijd wel zo, maar in de rest van het jaar kun je er nog een loopje via de mens mee nemen, zoals al te dikwijls en wat mij als hoorder betreft tot vervelens toe gebeurt; zo niet in de lijdenstijd, vind ik nog altijd. Het kan en mag ook niet meer over ons gaan, je kunt alleen nog je hart vasthouden in afwachting van het vonnis. Heftig en dramatisch: God moet ons niet meer (Jer. 5:1) en daarmee word je huiswaarts gestuurd, tenzij… Als je dat niet laat staan, is het weg. Ik ben het nooit vergeten, de diepe indruk die het op mij maakte toen ik voor het eerst op Goede Vrijdag een dienst mee maakte zonder veel te zingen en waarna we zonder zegen huiswaarts gingen. Hoe zou het aflopen, hoe zou het ooit nog goed komen? Wij moeten er toch tussenuit, zodat Hij er tussen kan gaan staan? Dat moet zich dan ook in de preek, en liefst ook in de hoorder, voltrekken. In ieder geval één keer per jaar moet dat door merg en been gaan; toch?

Wat mensen mij mailden
Het is alles behalve representatief, maar mensen (mijn leeftijd en ouder, een enkele jongere) namen in ieder geval de moeite te mailen. Wat mij opviel? Ze maakten zich bijna allemaal klein: moeilijk leven, kwetsbaar geloof, ongemakkelijk bezit, onzekerheid - al overheerst die niet (meer). Dat stond naast hun getuigenis van vertrouwen, zekerheid, bemoediging, het telkens weer nodig te hebben. En wat hen betreft is de ‘gewenste’ prediking: bemoediging, aanwijzing, concrete voorbeelden en toepassing, tekst en uitleg zodat je ‘er niet onder vandaan kunt’, ‘het gaat niet in de eerste plaats om onze maar om Gods behoefte’, niet te lang. Het klinkt allemaal zo herkenbaar en voorspelbaar, maar tegelijkertijd kan ik me zo heel goed verplaatsen in wat er bedoeld wordt, want zo is het, ook voor mij. Ik proef iets van de paradoxen en weerbarstigheden van het leven, die we niet oplossen maar leren verdragen, gedragen door geloof, hoop en liefde; het ironische stuk in mij moest even slikken en als (on)gelovige voel ik me daarmee verbonden. Het maakt ze kennelijk toch wel uit. Is dat dus wat er van het ‘er moet iets gebeuren’ overblijft en toch waar is?
Ik moet dus leren begrijpen en geloven, ook dat is inderdaad een zaak van geloven, dat het toch niet helemaal waar is dat (on)gelovige kerkgangers het allemaal wel geloven en vooral uit zijn op bevestiging van wat ze al honderd keer gehoord hebben en alleen maar dol zijn op die verloren zoon en nog zo wat van die topverhalen. Het is ook wél waar, maar niet de hele waarheid.
De titel van dit themanummer bevat de onoplosbare paradox: (on)gelovig; in het kopje zelfs met hoofdletter O. Het is hoe dan ook niet of of, het blijft altijd beide. Wij leren dat gaandeweg (met moeite) gelovig te (ver)dragen.

Drs. Piet Verhagen is proponent in de theologie, psychiater en eindredacteur van het tijdschrift Psyche & Geloof (www.cvppp.nl).
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

Voor losse nummers, klik hier

 

 

 

 

Afdrukken