nr4 • 2014 • laatst geboekt

28e jaargang nr. 4 (maart 2014)
thema: Hoe (on)gelovig is de kerkganger?

C.C. den Hertog
Laatst geboekt
Jezus met het gezicht van een poilu

 

We zullen er vast nog veel over horen in de komende maanden. Vanaf komende zomer herdenkt Europa dat honderd jaar geleden de zogenaamde 'Mutterkatastrophe' (Golo Mann) uitbrak. Ik bedoel de ‘Grote oorlog’ die wij vooral kennen onder de naam ‘Eerste Wereldoorlog’. Die aanduiding moederkatastrophe – ik vermoed dat het contrast met ‘moederbelofte’ door Mann niet bedoeld is, al kan ik het niet laten er even aan te denken – lijkt me een terechte.

Wat deze oorlog teweeg gebracht heeft in de twintigste eeuw en tot op de dag van vandaag is enorm. Dat geldt niet alleen de politiek, maar ook de cultuur – en natuurlijk de theologie. De enthousiaste sympathiebetuigingen van zijn leermeesters voor de keizer, maakten Karl Barth voorgoed sceptisch ten aanzien van menselijke identificaties van Gods wil en zetten hem zo op het spoor van een heel nieuwe inzet in de theologie. En de verbijstering over de slachtingen bij Verdun, Ieper, de Somme en al die andere plaatsen, maakte voor velen de optimistisch getoonzette en harmonieus over de verhouding van God en mens denkende theologie van de 19e eeuw voorgoed onmogelijk.

Stefan Hertmans heeft in zijn roman Oorlog en terpentijn een klein verhaal uit de grote oorlog beschreven. In 1981 gaf zijn opa – Urbain Martien geheten – de schriften waarin hij onder andere zijn ervaringen als Belgisch frontsoldaat had beschreven, aan zijn kleinzoon. Heel lang raakte deze de schriften niet aan, omdat hij besefte dat als hij ze ging lezen hij er ook iets mee zou moeten. Inmiddels werkte hij de memoires van zijn grootvader uit tot een indringend boek dat met veel lof is ontvangen.

Het boek begint als een historische roman van een kleinzoon die op fijngevoelige, liefdevolle manier het leven van zijn grootvader beschrijft. Hertmans beschrijft het gezin waarin zijn grootvader opgegroeid is. Het huwelijk van diens ouders – Hertmans’ overgrootouders dus – is een huwelijk met een standsverschil. Fransiscus Martien is een frescoschilder die geregeld moeilijk werk weet te vinden. Zij is een welopgevoede en ontwikkelde jonge vrouw voor wie de ouders een heel ander huwelijk in gedachten hadden dan dit. Maar de liefde wint. De twee stichten een gezin. Op zeker moment moet Fransiscus besluiten om gedurende langere tijd zijn gezin alleen te laten, omdat er werk voor hem is in Liverpool, Engeland. Enkele maanden is hij van huis. In die periode ontdekt Urbain dat ook hij graag en goed tekent. Als vader terugkomt, blijkt zijn gezondheid ernstig aangetast en niet lang erna sterft hij – slechts 37 jaar oud. De ingetogen tekening van het vooroorlogse Gent, van een eenvoudig gezin in die stad, doet in het boek in mijn beleving vooral dienst om de cesuur die de Eerste Wereldoorlog geweest is als het ware voelbaar te maken; er was dan weliswaar niet veel, maar er was liefde en omzien naar elkaar.

Urbain Martien gaat werken – de kunstopleiding die hij erbij is gaan doen om zijn tekentalent te ontwikkelen moet hij er op een bepaald moment aan geven: het werk in de ijzergieterij dichtbij huis blijkt erg zwaar. Als een priester hem zegt dat er zonder diploma slechts twee manieren zijn om de armoede te ontstijgen – soldaat of geestelijke worden – kiest hij voor het leger. Wanneer in augustus 1914 de oorlog begint komt hij zo ongeveer direct in actie.

Schetsen in de nacht

Vanaf dat moment verandert de sfeer. Begrijpelijk: de granaten vliegen de jonge soldaat om de oren, collega’s vallen om hem heen, de bevoorrading van de troepen laat nogal eens te wensen over en de angst maakt dat bij velen allerlei remmen losgaan – letterlijk en figuurlijk. Al vrij snel komt Urbain Martien met zijn afdeling in een Duitse hinderlaag terecht, waar ze ternauwernood weer uit komen. Het levert een lange, angstige nacht in een klein stukje bos op. Urbain grijpt in die nacht naar zijn tekenspullen. Ik citeer die passage: ‘Ik kon de slaap niet vatten. Ik zag hoe de gezichten van de bij het zachte licht slapende soldaten koperkleurig leken, met een warme tint zoals je die op de schilderijen van Goya kunt zien; de beschaduwde kant van hun slapende gezichten leek zo donker als van negers. Ik pakte stil mijn tekenblok uit mijn rugtas en ik maakte enkele vluchtige schetsen, het kalmeerde mij een beetje. Een van de koppen van de jongens heb ik later, na de oorlog, in olieverf geschilderd als een Christuskop.’ (181)

Het gebruik van bekende gezichten in schilderijen is een terugkerend thema in het boek. Urbain maakt een kopie van de Venus van Velazquez, maar geeft haar het gezicht van zijn jonggestorven geliefde. En als Urbain na een zware verwonding voor revalidatie in Liverpool verblijft, vindt hij daar het fresco dat zijn vader schilderde tijdens zijn verblijf aldaar. Het is een afbeelding van de heilige Fransiscus met een jongeman. Tot zijn verbazing ziet Urbain dat zijn vader aan Fransiscus zijn eigen gezicht gegeven heeft en aan de jongen het gezicht van Urbain: vader en zoon verenigd voor eeuwig.

Nu gaat het even om de laatste zin van dat citaat dat ik weergaf: een soldaat die in een schijnbaar hopeloze, enorm angstige situatie geschetst is, geeft later zijn gezicht aan Christus. Of andersom gezegd: op het schilderij van Urbain na de oorlog, is Christus te zien die de trekken van een frontsoldaat heeft aangenomen. Ik weet niet of Hertmans (die vreemd genoeg verderop (298) in het boek zegt dat zijn opa met die schetsen nooit iets gedaan heeft) of zijn opa dat bewust zo bedoelen, maar het zette mij aan het denken. Voor mijn besef wordt hier een diepe illustratie getekend bij het evangelie. Jezus met het gezicht van zo’n angstige, belaagde, hopeloze soldaat. Kohlbrugge zei dat we Christus niet diep genoeg in het vlees kunnen trekken. Me dunkt dat dit aardig diep is. Hoeveel uitzichtlozer kun je als mens terecht komen dan als poilu in een klein bos, omsingeld en ten dode opgeschreven. En zo’n gezicht, zo’n leven neemt Jezus aan.

Sporen van een slag

Die passage bij Hertmans deed me grijpen naar een ouder boek over de 1e wereldoorlog, dat in 2009 opnieuw gedrukt is. Ik bedoel de reisgids – want dat is het in feite – die prof. dr. H. Jonker, de praktisch-theoloog, schreef over het slagveld van Verdun. Jonker neemt als een gids zijn lezer mee door het gebied rond Verdun en beschrijft met grote kennis van zaken de gebeurtenissen die zich daar in 1916 hebben afgespeeld. Jonker betoont zich niet alleen een gids door de historie, maar voegt ook een hoofdstuk toe onder de titel: theologisch intermezzo. Dat is een vol hoofdstuk, waarin hij de onvermijdelijke vraag stelt: waar is God op de slagvelden? (127).

De oude antwoorden op de vraag waar we God vinden, zijn op de slagvelden aan flarden geschoten, zo stelt Jonker: J.H. Scholten die stelde dat we God ontmoeten in de ratio en F.D.E. Schleiermacher die juist naar het gevoel wees – beide antwoorden gáán niet meer. Maar wat moet de theoloog dan?

Met die vraag in gedachten staat Jonker bij het monument voor de Joodse soldaten die aan geallieerde zijde mee gestreden hebben rond Verdun. Op dat monument staan de Tien Woorden. En daar beseft Jonker: God zoekt ons in onze verantwoordelijkheid. Ik laat hem zelf aan het woord: ‘En zo wordt de Godsvraag verdiept. Israël poneert God aan wie wij verantwoording schuldig zijn in zijn zelfopenbaring tegenover ons. ‘Ik ben de Heer uw God, die u uit het diensthuis heb geleid.’ En zo kan na de slagvelden van Verdun God niet meer het resultaat zijn van ons diepzinnig denken, zoals in de beschouwing van Scholten. Hij kan niet meer het verlengstuk zijn van onze patriottische, miraculeuze of romantische gevoelens. Hij mag niet meer voor onze nationalistische strijdwagens worden gespannen, want Hij is een God der volkeren. Hij is niet een ja-zegger op onze wensen, maar de God der gerechtigheid, die ons allen oordeelt en veroordeelt.’ (129).

Falende verantwoordelijkheid

Verantwoordelijkheid – daar komt God ons zoeken, zo stelt Jonker. Maar hij zegt er direct iets bij: Verdun onthult onze fálende verantwoordelijkheid. De Tien Woorden raken de mensheid in de diepste kern, want ze maken duidelijk dat het God te doen is om gerechtigheid, maar de mens bezwijkt aan die geboden. Op dat moment noemt Jonker de Heidelbergse Catechismus die ‘deze diepte van mens en geschiedenis’ al vier eeuwen geleden gezien had. Maar de Catechismus geeft meer dan een vaststelling van de falende verantwoordelijkheid – hij gaat verder en verkondigt ‘de indaling van deze Christus in de misère van onze falende verantwoordelijkheid. Simpele woorden, maar klaroengeschal over de graven. De bijbelse God poneert zich niet alleen tegenover ons, wijst ons niet alleen de weg, maar gaat in Jezus Christus met ons de diepte in.’ (130).

Ik blijf nadenken over die term falende verantwoordelijkheid. Het is ongetwijfeld een nieuwe term als het gaat om beschrijving van zonde, maar het is direct een beschrijving die duidelijk maakt dat de schuld ons niet treft als een lot, maar dat van ons rekenschap gevraagd wordt. Het begrip ‘zonde’ kan gemakkelijk iets tragisch krijgen, of het kan sleets en te algemeen klinken om het in verband met de slagvelden te gebruiken. Falende verantwoordelijkheid snijdt wat dat betreft iedere vluchtroute radicaal af. Wij falen in de verantwoordelijkheid die ons gegeven is.

Maar het evangelie priemt dan niet met de vinger in onze richting – God poneert zich niet alleen tegenover ons om rekenschap te vragen. Die kant is er zeker: de geboden klagen ons aan. Maar tegelijk is er die andere kant: in die falende verantwoordelijkheid, te midden van loopgraven vol modder, luizen en ratten, met gifgas en granaten die je om de oren suizen en die je alleen maar weet te beantwoorden met tegenvuur, vindt een soldaat Christus naast zich, die onze onverantwoordelijkheid opneemt en wegdraagt.

Hertmans zal dit allemaal niet gedacht hebben. Maar juist dat uitgebreide hoofdstuk van Jonker gaf naast het boek van Hertmans mij het nodige te denken. Als in het komende jaar de schoten van Gavrilo Princip herdacht worden, als het ultimatum aan Servië herdacht wordt en de afkondiging van de Duitse mobilisatie – dan zal ik af en toe aan Hertmans denken en de schetsen van zijn opa in de nacht: Jezus met de trekken van een Vlaamse poilu, Jezus die indaalt in onze falende verantwoordelijkheid. En in onze duisternis het licht van het evangelie binnen draagt.

Naar aanleiding van:

S. Hertmans, Oorlog en terpentijn. Een roman, Amsterdam 2013, 304 pagina’s

H. Jonker, Sporen van een slag. Een pelgrimage naar Verdun 1916, Hilversum 20092, 160 pagina’s

Ds. Niels den Hertog is predikant (CGK) te Surhuisterveen en redacteur van Kontekstueel.

Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

Voor losse nummers, klik hier

Afdrukken