nr5 • 2014 • Een homoseksuele relatie ligt niet voor de hand

28e jaargang nr. 5 (mei 2014)

thema: Lastige liefde? Over homoseksualiteit en kerk

H.G. de Graaff
Een homoseksuele relatie ligt niet voor de hand
Tussen standvastigheid en beweging

Graag maak ik een opmerking vooraf. Wie in de pen klimt om een artikel te schrijven voor een themanummer over homoseksualiteit, loopt hetzelfde ‘risico’ als de auteurs van een Kontekstueel-uitgave over (ik noem maar twee onderwerpen) ‘De vrouw in het ambt’ of ‘Visie op Israël’. Je weet van tevoren dat er groepen lezers zijn die je classificeren. Nog vóór het eind van de eerste kolom ben je ingedeeld in dit of dat ‘kamp’.
Zelfs de formulering van een titel boven mijn bijdrage kan al bepalen of de lezer de tekst (on)welwillend tot zich neemt. Niet dat ik daar benauwd voor ben, maar ik vraag hier even aandacht voor een proces dat soms bewust, maar veel vaker onbewust plaatsvindt. Het kan een gedachtewisseling met een eerlijke weging van argumenten in de weg staan. Dat gezegd hebbend, leg ik vrijmoedig mijn kaarten op tafel.
Wanneer twee mensen met een homofiele geaardheid niet anders kúnnen dan een homoseksuele relatie aangaan, die gekenmerkt wordt door liefde en trouw, dan dient dit besluit respectvol te worden aanvaard. Tegelijk is het mijn overtuiging dat een homoseksuele relatie bijbels gezien niet voor de hand ligt.
De goede verstaander hoort hier een paradox. Er staan bij dit onderwerp zaken op spanning. En zoals vaker in de theologie kun je je er dan niet met oneliners van af maken.
Aan de ene kant kies ik voor standvastigheid: voor zover ik de bijbel begreep en begrijp, ligt een homoseksuele relatie echt niet voor de hand. Aan de andere kant kies ik voor beweging: ik wil een pastorale ruimte creëren voor broeders en zusters binnen de gemeente die niet anders kúnnen. 

Geen verrijking en geen morele schuld
Een homofiele geaardheid is een teken dat de schepping gekenmerkt wordt door zinloosheid (Rom. 8:20). Daarmee wijs ik twee visies van de hand. Ik ben niet gecharmeerd van de exegese die stelt dat deze geaardheid een verrijking zou zijn van de goede schepping. Evenmin geloof ik dat de homofiele geaardheid een zonde is en daarom als een persoonlijke morele schuld zou moeten worden beleden. Het is dus geen speelse seksuele variant van de Schepper bij de schepping van de mens; het is ook geen zondige neiging zoals bijvoorbeeld gierigheid. Sinds de zondeval komt niemand van ons ongebroken ter wereld. De schepselmatige gebrokenheid openbaart zich bij sommigen onder andere in een homofiele geaardheid. In zijn boekje ‘Oké, ik ben dus homo’ verzet Herman van Wijngaarden zich tegen de opvatting die deze geaardheid in verband brengt met ‘ziekte’ en ook het woord ‘handicap’ klinkt hem wat te negatief, zie bladzijde 30. Hij spreekt liever over een ‘kwestie’ waarmee deze mens moet leren omgaan. Het besef dat homofiele gevoelens op zich niet zondig zijn, zorgt ervoor dat er ruimte ontstaat om realistisch naar deze gevoelens te kijken en er op een wat ontspannen wijze mee om te gaan.
Homofiele gemeenteleden hoeven hun geaardheid dus niet te ontkennen of weg te stoppen, ze hoeven er ook niet geheimzinnig over te doen of er besmuikt mee om te gaan. Zij mogen er zijn voor Gods aangezicht en vrijmoedig hun plaats innemen binnen Gods gemeente. Het geloof dat je om Christus’ wil door God onvoorwaardelijk aanvaard bent als Zijn kind, kan een extra positieve bijdrage leveren aan je zelfaanvaarding als homo. Jezelf niet óndanks, maar mét je homofiele geaardheid aanvaard weten door God, geeft bewust ruimte deze geaardheid te aanvaarden als behorend bij jouw unieke persoonlijkheid. Vanuit deze geloofswetenschap krijgt ook het zoeken naar een verantwoorde manier van omgaan met je homofiele geaardheid een stimulans.

Homofiele geaardheid en homoseksuele praxis
Bewust maak ik onderscheid tussen het hebben van een homofiele geaardheid en het aangaan van een homoseksuele relatie. Ik weet dat dit onderscheid door velen wordt afgewezen. Laat me mijn punt verhelderen, door een vergelijking te maken met heteroseksualiteit. In de Bijbel heeft heteroseksueel geslachtsverkeer zijn plaats gekregen binnen de (veilige) huwelijksrelatie (Gen. 2:24). Niemand trekt daaruit de conclusie dat seksuele gevoelens daarom alleen binnen het huwelijk een plaats kunnen krijgen. Een man kan een vrouw immers aantrekkelijk vinden zonder dat er per se sprake is van verkeerde lustgevoelens. Het gaat echter fout als hij haar aanziet om te begeren (Mt. 5:28). Op vergelijkbare manier hoeven we in het bijbelse verbod van een homoseksuele relatie niet méér te lezen dan er staat. Homofiele gevoelens van liefde, aantrekkelijk vinden en schoonheid waarderen worden door God niet veroordeeld. Ook hierbij is er een principieel verschil tussen een man/vrouw aantrekkelijk vinden en de bewuste persoon begeren. Een homoseksuele totaalrelatie wordt wél afgewezen omdat deze tegen Gods bedoelingen met seksualiteit ingaat. Genesis 2:24 is in dit verband richting wijzend: de enige relatie waarbinnen God de seksuele gemeenschap een plaats geeft, is die van de (veilige) huwelijksrelatie tussen één man en één vrouw. Nergens in de Schrift bespeur je ruimte dat het anders kan. Polygamie en echtscheiding lijken soms gedoogd te worden, ‘maar van het begin af is het zo niet geweest’, zegt Jezus Christus (Mt.19:8). God handhaaft Zijn ‘gebruiksaanwijzing’ voor seksualiteit en voortdurend roept Hij ons op om ons daaraan te houden. Een tweede richtinggevende grondlijn lees ik in Romeinen 1:18-32: een homoseksuele relatie is niet geoorloofd, omdat die ‘tegennatuurlijk’ is (vers 26). Mensen zijn niet geschapen voor zo’n relatie. Daarmee verwijst Paulus naar de schepping waarover hij reeds schreef in vers 20. God heeft man en vrouw aan elkaar verbonden. Als ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ schiep Hij hen (Gen. 1:27) en Hij verbond die twee tot één vlees (Gen. 2:24). Op grond van deze grondlijnen kom ik tot de overtuiging dat een homoseksuele relatie niet bijbels te funderen is.

Botsing van bijbelse grondlijnen
Dat is een pijnlijke schok. Je zult maar tot de ontdekking komen dat je een homoseksuele geaardheid hebt en horen dat er bijbels gezien geen mogelijkheid is om een homoseksuele relatie aan te gaan. Mijns inziens botsen hier twee bijbelse grondlijnen. Een diep menselijk verlangen stuit hier op een verbod. Het aangaan van een totaalrelatie is namelijk één van de meest basale menselijke verlangens (Gen. 2:18-25). Ik ken maar weinig mensen die op vrijwillige basis en bewust voor de ongehuwde staat kiezen. De keuze om van een totaalrelatie af te zien is vaak pijnlijk. Niet voor niets noemt Paulus de ongehuwde staat een genadegave – een charisma (1 Kor. 7:7) dat niet aan iedereen gegeven is. Een homofiele broeder of zuster die vrijwillig afziet van een homoseksuele relatie mag rekenen op onze bewondering en levenslange ondersteuning. Hij/zij kan zijn/haar seksuele gevoelens immers niet uiten zoals men dat graag zou willen. Bovendien zal deze keuze maatschappelijk gezien op onbegrip of zelfs spot stuiten. De tolerantie, die zo kenmerkend is voor onze Nederlandse samenleving als het gaat om het aanvaarden van een homoseksuele relatie, dreigt op dit punt in zijn tegendeel om te slaan: afwijzing van hen die deze weg niet kunnen gaan. Laten we niet lichtvaardig denken over deze maatschappelijke druk. Een dubbel isolement ligt voor broeders en zusters die niet kunnen kiezen voor de weg van een homoseksuele relatie in het verschiet: naast het levenslang alleen-zijn ook nog eens maatschappelijke afwijzing oogsten. Voeg daarbij het ‘risico’ dat je iemand ontmoet op wie je verliefd raakt. Om dán te volharden in je keuze is uitermate zwaar. Ik wil deze broeders en zusters allerminst als ‘zielig’ bestempelen; veeleer wil ik hun omgeving oproepen om oog te hebben voor wat het in 2014 in Nederland kán betekenen om vrijwillig af te zien van een homoseksuele relatie. We kunnen ons voorstellen dat een homofiel gemeentelid dat niet volhoudt, met name ook omdat een totaalrelatie een basaal en gerechtvaardigd menselijk verlangen is.
Wanneer een homoseksueel geaard gemeentelid het niet (meer) kan opbrengen om de weg van het afzien van een totaalrelatie te gaan, dan dienen zich twee vragen aan: hoe ga je daarmee om voor Gods aangezicht? En: welke plaats kun je dan innemen binnen het gemeente-zijn?

Gods tegemoetkomendheid
Bij de beantwoording van die eerste vraag, maak ik dankbaar gebruik van wat Jan Mudde schrijft in zijn boek Je weg vinden; werkboek christelijke levensstijl anno 2000 (met name vanaf pag. 113). Hij introduceert in dit verband de ‘tegemoetkomendheid Gods’. Ik vind zijn bijdrage vanuit pastoraal oogpunt werkelijk behulpzaam en inspirerend. In de Bijbel leren wij de God van Israël kennen als een God, die in Zijn barmhartigheid mensen in menig opzicht tegemoet komt. De situaties waarin dat gebeurt zijn heel verschillend, maar telkens blijkt dat Hij de mens niet overvraagt. Hij houdt rekening met menselijke draagkracht, met zijn zwakte en onmacht, zelfs met zijn zondigheid! Als voorbeelden van tegemoet komen aan menselijke zwakte kan gewezen worden op Mozes en Samuël. In Exodus 4 brengt Mozes allerlei bezwaren in tegen zijn verkiezing tot leider van het volk Israël. De HERE komt Mozes tegemoet door het mede aanstellen van Aäron. In 1 Samuël 16:1-3 lezen we dat Samuël vanwege zijn angst voor koning Saul een offerfeest als dekmantel mag gebruiken om tot zalving van David over te gaan. Het ligt op hetzelfde vlak als het geduld waarmee God de aartsvaders tegemoet treedt. De houding van tegemoetkomendheid van Gods kant tref je ook aan in de wetgeving in het Oude Testament. De HERE stond bij voorbeeld echtscheiding toe, zie Deuteronomium 25:1-5. Deze tegemoetkomendheid zegt allereerst iets over de mens; vanwege ‘de hardheid uwer harten’ (Mt. 19:8). Maar ze laat ook iets zien van Gods karakter. Hij komt ook aan ongehoorzame, falende en zondige mensen tegemoet. Nadat Hij het oordeel over Adam en Eva heeft uitgesproken, maakt Hij Zelf kleren van vellen voor die mens, zie Genesis 3:21. Dezelfde handen die eens de dieren vormden uit de klei, fabriceren van dierenhuiden kleding voor de mens! Wanneer Israël een koning verlangt en de HERE dit als afwijzing van Zichzelf ervaart, komt Hij het volk in zijn zondig begeren toch tegemoet, zie 1 Samuël 8.

In deze bijbelse gegevens, die niet allemaal op één noemer zijn te brengen, tekent zich als grondlijn af dat de HERE de mens niet overvraagt. Hij legt hem geen ondragelijk last op. Integendeel, Hij schept ruimte voor de mens die Hem vraagt te mogen leven met zijn onvolkomenheden en zwakheden. In Zijn genadige tegemoetkomendheid sluit Hij een compromis met de zwakke, falende en zondigende mens. Ik heb de zin nog amper getypt, of ik zit er wat vreemd tegenaan te kijken. Kun je dat zo wel zeggen? Is dit wel waar? Is dit niet in strijd met Gods heiligheid en zuiverheid? Maar wanneer je de Bijbel er op naslaat, kun je moeilijk tot een andere slotsom komen dan dat de HERE in Zijn onbegrijpelijke barmhartigheid werkelijk concessies doet aan zwakke en zondigende mensen. In Zijn genadige tegemoetkomendheid houdt de HERE Zijn oorspronkelijke scheppingsbedoeling uit Genesis 2:24 hoog, terwijl Hij tegelijkertijd voorkomt dat Zijn mensen aan een te zware last ten onder zullen gaan.
Homofiele mensen, die aan de HERE moeten belijden dat ze werkelijk niet anders kunnen dan toegeven aan het verlangen naar een homoseksuele relatie, kunnen hiervan leren dat zij zichzelf om deze reden niet behoeven te veroordelen en te verachten. Het aangaan van een homoseksuele relatie ligt bijbels gezien niet voor de hand, maar de HERE komt in Zijn barmhartigheid de zwakke en schuldige mens tegemoet. Mensen die niet anders kúnnen dan in een homoseksuele relatie leven, nodig ik dan ook uit om met een zekere innerlijke vrijheid deze relatie aan te gaan, zich niet eindeloos te laten neerdrukken door schuldgevoelens of zich voortdurend te laten bezwaren door wat de omgeving daarvan vindt. Wanneer je niet anders kunt, weet je ook dan mèt je onvolkomenheid - vanwege Gods tegemoetkomendheid - aanvaard als Zijn homoseksueel kind. Vanuit die grondhouding mag je ook jezelf aanvaarden. Dat leidt niet tot een losbandige levensstijl, maar tot een levenshouding die gekenmerkt wordt door een zekere innerlijke vrijheid. Bewust spreek ik van ‘een zékere innerlijke vrijheid’, omdat het aangaan van een homoseksuele relatie altijd het karakter blijft dragen van een compromis. Vrijmoedigheid zal daardoor niet het trefwoord zijn dat de levensstijl van deze broeders en zusters kenmerkt, maar zij zullen wel met een zekere innerlijke vrijheid binnen deze relatie staan.

Een stoel aan de avondmaalstafel
Wanneer de God van Israël in Zijn tegemoetkomendheid concessies doet aan deze broeders en zusters wanneer zij Hem vragen te mogen leven met hun onvolkomenheid, dan worden wij als christelijke gemeente geroepen Hem hierin te volgen. In de navolging van Hem mogen wij als christelijke gemeente een barmhartig compromis sluiten met homoseksuele gemeenteleden die niet anders kúnnen dan de weg van een totaalrelatie gaan. Omdat het om een compromis gaat, zijn er ook grenzen aan verbonden. Persoonlijk formuleer ik de ruimte binnen de christelijke gemeente als volgt: een zegening van deze relatie is niet mogelijk, aan de avondmaalstafel is ruimte voor hen, wanneer zij dat zelf voor God kunnen verantwoorden. Zij mogen zich daar van harte welkom weten. Het deelnemen aan het avondmaal mag ervaren worden als bezegeling dat zij door God en Zijn gemeente zijn aanvaard en dat Christus ook voor het leven in deze relatie Zijn leven heeft afgelegd. Het feit dat ik deze grens trek is mede gebaseerd op contacten met mensen die in een homoseksuele relatie leven. Voor hen is een stoel aan de avondmaalstafel belangrijker dan zegening van hun relatie.

Afronding
Ik kon en kan de Bijbel niet ander lezen dan dat er geen ruimte is voor een homoseksuele relatie. Daarin komt standvastigheid naar voren. Ik heb echter nooit tegen homofiele broeders en zusters, die de weg van een homoseksuele relatie gingen, kunnen zeggen: ‘Ga heen in vrede, word warm en word verzadigd’ (Jak. 2:16). Dat is pastoraat van de koude grond en in strijd met de manier waarop de goede Herder met mensen omgaat. Beweging is er dan ook in het zoeken naar ruimte binnen de gemeente voor hen die deze weg gaan. Die ruimte is bij mij in de loop der jaren groeiend. Ik kies dan ook voor de formulering: een homoseksuele ligt bijbels gezien niet voor de hand. Daarin klinkt enerzijds weerhouding door, anderzijds geen veroordeling, maar aanvaarding als men werkelijk niet anders kan.

Ds. Henk de Graaff is emeritus predikant (PKN) te Nieuwerbrug.
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

Verdraagt elkanders lastigheden’

Afdrukken