nr6 • 2014 • Kerk-zijn in verval of in verandering

28e jaargang nr. 6 (juli 2014)
thema: De orthodox-protestantse kerkelijke kaart over 25 jaar

J.H.F. Schaeffer
Kerk-zijn in verval of in verandering

Wie naar de kale cijfers van kerkelijke betrokkenheid in Nederland kijkt, ziet de enorme daling van traditionele vormen van kerk-zijn. Het aantal kerkleden van protestantse kerken is vanaf de jaren ’60 meer dan gehalveerd. De komende tien jaar raakt naar schatting een kwart van de kerken van de Protestantse Kerk in Nederland en de Rooms-Katholieke Kerk overbodig.

Het is duidelijk: de kerk is in verval. De institutionele kerk heeft schíjnbaar haar langste tijd gehad. Tegelijkertijd zijn er allerlei nieuwe vormen van kerk-zijn ontstaan. Directeur van het dienstencentrum van de Protestantse Kerk in Nederland Haaije Feenstra, stelde dat vanuit de PKN 100 pioniersplekken moeten worden gerealiseerd in de periode 2013-2016. Maar ook zonder dergelijke georganiseerde steun ontstaan er allerlei fresh expressions van christelijk geloof in de vorm van cafékerken, een pop-up-kerk, of een canvaskerktent die voor een tijd een plaats van God (of van mensen – dat weten we eigenlijk niet) kan zijn. Ook hier dreigt een eenvoudige constatering: niet-institutionele vormen van kerk-zijn bloeien en groeien. Daarmee is de toon vaak gezet. Gevestigde kerken zijn uit, nieuwe vormen van kerk-zijn vormen de toekomst. Deze kerkelijke afbrokkeling en nieuwe vormen van kerk-zijn worden vaak geschetst als parallelle processen die elkaar deels ook versterken. Zo lijkt het soms alsof nieuwe ontwikkelingen automatisch betekenen dat de oude instituten daardoor worden afgebroken. En ook andersom: wanneer een plaatselijke kerkgemeenschap afkalft, lijken juist de enthousiaste gelovigen eerder geneigd om zich in te zetten voor andere vormen van kerk-zijn. Kortom, afbrokkeling gaat gelijk op met nieuwe ontwikkelingen, maar wordt ook versterkt door nieuwe ontwikkelingen. De vraag is wat dit betekent voor de kerk. Moeten we nu constateren dat zij in verval is, en dus uiteindelijk zal verdwijnen? Of is zij ‘slechts’ in verandering?

Nieuwe wijn
Verandering en vernieuwing kunnen op verschillende manier hun beslag krijgen. Het is belangrijk om hierbij de theologie niet uit het oog te verliezen. Bij alle waarnemingen, zoals die hierboven schetsmatig zijn gesteld, spelen onze theologische vooronderstellingen echter een belangrijke rol. Wat beschouwen we eigenlijk als kerk? Wat zien wij als vernieuwing? Is vernieuwing altijd ook een verbetering?
Wat we ook waarnemen, en hoe we het ook duiden – de beantwoording van dit soort vragen vergt theologische bezinning. Juist omdat mensen hierover allerlei tegengestelde meningen hebben, die het gemeentewerk of het vernieuwingswerk behoorlijk kunnen frustreren. Of het nu gaat over vernieuwde invulling van de kerkdiensten, over de manier waarop we zusters in de gemeente taken (en/of ambten) laten invullen, over een missionaire aanpak van het jeugdwerk – vernieuwingen kunnen gemakkelijk een bron van frustratie zijn voor zowel de voor- als tegenstanders ervan. Dat komt doordat het lijkt te gaan om aanpassingen van vormen terwijl over de inhoud veelal gezwegen wordt. Het gaat over de buitenkant zonder aandacht voor de binnenkant. Om het met een bekend beeld te zeggen dat Jezus Christus gebruikt: het gaat te vaak over nieuwe zakken zonder dat de nieuwe wijn geproefd wordt (Mc. 2).

Level
Het gaat Christus ook in zijn spreken over ‘nieuwe zakken’ om het grote plan zoals God dat in de geschiedenis heeft uitgewerkt. Het is belangrijk om daar gelijk duidelijk over te zijn, om alle bekrompenheid als het gaat over dit thema te vermijden en het gesprek te brengen op het niveau waarop Christus’ kerk thuishoort. Met niveau bedoel ik dan allereerst het level waarop christenen weten dat het hele leven zich afspeelt. Wie thuis is in de wereld van computerspelletjes, herkent de metafoor: het spel begint op level één, en na het behalen van een aantal punten gaat de speler door naar level twee, en zo verder.
Christelijk leven betekent dat wij beseffen dat elk van ons geboren wordt en leeft op deze wereld. Geleidelijk aan ontdek je dat je vanaf je doop, als kind of volwassene, opgenomen bent in het grote verhaal van God met jouw leven. Je ontdekt dat jouw leven op zijn beurt is opgenomen in dat van de hele wereld. Je ontdekt dat je ergens onder de grote spanningsboog vanaf de Hof van Eden naar de tuinstad van het nieuwe Jeruzalem je eigen plaats ontvangen hebt. Zo leer je geloven dat je eigen leven uiteindelijk een plaats ontvangt in het eeuwige leven, en daarmee de volmaaktheid bereikt. Dit levenslange proces betekent dat je, letterlijk, je plaats leert kennen. Je ontdekt dat de ruimte om je heen, de wereld, de kerk, je ouderlijk huis, je eigen leven en alles wat er gebeurt, veel meer is dan alleen jouw leven. Je ontdekt andere personages uit heden en verleden die hun rol spelen. Je merkt dat je een eigen positie moet bepalen tegenover je ouders, je vrienden, je man of vrouw (wanneer je trouwt), je kinderen (wanneer God je die geeft). Je leert te zoeken naar de invulling van je eigen leven. Dit proces betekent dat je langzamerhand steeds dieper of hoger gaat – je gaat naar een ander level waarop het leven mooier en verdrietiger en zondiger en glorieuzer wordt. Je ontdekt, soms tegen wil en dank, dat het leven complexer is dan je vermoed had. Daarbij ontdek je ook steeds nieuwe dingen, juist wanneer je hierover in het licht van de Schrift leert nadenken en praten. Precies om dat soort ‘nieuwe dingen’ is het Jezus te doen als Hij spreekt over ‘nieuwe wijn’: in ons leven gebeurt onder de schepperzorg van God van alles wat nieuw is.

Verrassende ontdekking
Ik wil een voorbeeld geven van verrassende ontdekkingen die rond kerk-zijn gedaan kan worden. Een kerk op een VINEX-locatie gaat intensief op zoek naar een nieuwe manier van kerk-zijn. Ze krijgen contact met een vastgoedontwikkelaar, een kinderdagverblijf voor zowel ‘gewone’ als ‘zorgkinderen’, een organisatie die woongroepen beheert voor dementerende ouderen en mensen met niet-aangeboren hersenletsel en een stichting die woongroepen beheert voor verstandelijk gehandicapten. Zo ontstaan plannen voor een gebouw waarin al deze functies gecombineerd worden (www.buitengewoonzorgzaam.nl). Het is nu bijvoorbeeld de bedoeling dat de kerkzaal ook als theater gebruikt kan worden.
Dit roept allerlei interessante vragen op: wat zien de kerkleden van zo’n samenwerkingsproject in hun door-de-weekse leven? Wie zijn eigenlijk straks de kerkleden: alleen de ‘oude’ gemeenteleden, of ook de ‘nieuwe bewoners’ van het gebouw? Hoe zullen de kerkdiensten vormkrijgen?

Is dit nu een voorbeeld van een kerk-in-verval of van een kerk-in-verandering?

Gods werk
Om dit voorbeeld te duiden wil ik drie opmerkingen maken. Allereerst: het is prachtig dat een gemeente zo’n zoekproces wil aangaan. Dat is iets om de Heer voor te danken. Het komt er dan wel op aan waarvoor wij precies danken: niet voor het nieuwe-om-het-nieuwe, maar omdat we iets als Gods werk herkennen.
Verrassing en vernieuwing zijn zinloos wanneer ze gericht zijn op het bevredigen van een niet te stillen zucht naar iets nieuws. Ze kunnen, in het beeld van Marcus 2, alleen als nieuwe zakken dankbaar aanvaard worden omdat we ze zien als vormen die passen bij de nieuwe wijn die Christus bracht. Naar die wijn, het bevrijdende werk van Christus, zullen wij intensief moeten zoeken. Nieuwe wijn moet je graag en intens willen proeven.
Vervolgens: het Bijbelse begrip ‘nieuw’ heeft altijd te maken met het scheppende werk van God. Het staat voor Gods kracht die in een vastgelopen en kapotte wereld uit genade nieuwe levensmogelijkheden creëert. Nieuw betekent ook altijd bekering, opening, verandering van hart en handen. De nieuwe wijn die Christus is en brengt, roept namelijk ook vaak verzet of wrevel op. Nieuwe wijn brengt ons ertoe een afkeer te krijgen van onszelf en onze redding en ons heil buiten onszelf in Christus te zoeken. Het zoeken naar vormen om aan dit levensveranderende werk van God woorden of beelden te geven past hier volledig bij. Sterker nog: een gemeente die niet samen op zoek is naar Gods herscheppend handelen vandaag en daaraan uiting wil geven binnen en buiten kerkdiensten, moet zich afvragen of zij wel benieuwd is naar dit werk van God. Geloven wij werkelijk dat God vandaag nieuw, scheppend bezig is? Dan zullen we zijn werk ook voor het voetlicht moeten brengen, in welke vorm dan ook. Wie geen passende zakken zoekt voor nieuwe wijn doet Gods eigen werk in Christus tekort.
Tenslotte heeft een gezonde, christelijke nieuwsgierigheid naar Gods werk vandaag, het brede perspectief van Gods hele plan met de wereld nodig. Het wachten is op de tijd dat wij, naar Jezus’ eigen belofte, samen met Hem de wijn nieuw zullen drinken (Mt. 26:29). Het vieren van ons nieuwe leven richt zich op de vervulling. Ons zoeken naar nieuwe vormen zal daarom altijd iets voorlopigs en beperkts houden. Zelfs nieuwe wijn is nog maar een voorproefje van de wijn die Christus met ons nieuw zal drinken in het koninkrijk van zijn Vader.

Commitment en duurzaamheid
Vanuit deze theologische taxatie van vernieuwing wil ik op twee punten kanttekeningen plaatsen bij de tegenstelling tussen een kerk-in-verval en een kerk-in-verandering. Het voorbeeld dat ik kort weergaf, laat zien dat zo’n grote verandering van een gemeente, tot en met ingrijpende keuzes aangaande een nieuw kerkgebouw, een nauw verband laat zien tussen het institutionele en het vernieuwende.
Soms wordt over allerlei andere, wilde en nieuwe vormen van kerk-zijn verzucht: op die manier laten ‘zij’ de traditionele vormen in de steek en veroorzaken een geestelijke braindrain van de ‘echte’ kerken. Daardoor wordt de stabiele groei in toewijding binnen de kerk steeds moeilijker. 'Nieuwe vormen' staat dan voor snel en aangepast, flexibel en korte termijn. Alsof toewijding en lange-termijn-commitment in zulke nieuwe vormen geen rol spelen. Het is mijns inziens eerder omgekeerd. Nieuwe vormen van kerk-zijn staan niet voor een korte-termijn-commitment. Zeker, vormen worden vaak nadrukkelijk gepresenteerd als voorlopig, als optie, als mogelijkheid. Maar hun doelstellingen laten zien dat zij zelf langdurig toegewijd willen zijn aan de Heer hun God, en laten een grote gevoeligheid zien voor échte commitment aan wat de kern van het evangelie is, zowel bij hun doelgroep als bij de uitvoerenden. Tegelijkertijd zijn traditionele kerken soms verbijsterend sterk gericht op de korte termijn. Om een voorbeeld te geven: hoe vaak is het proces van talstelling binnen de gevestigde kerken geen uiterst kortzichtig proces. ‘Als we de vacatures maar vervuld hebben, dan draait het allemaal wel.’ Zonder dat echt goed naar de gaven en inzet van de betrokken broeders (en soms zusters) wordt gekeken of gewerkt wordt aan een vormingstraject voor deze broeders en zusters.
Ik ben bezorgd over deze vorm van zogenaamde lange-termijn-toewijding waar de kerken vaak zoveel nadruk leggen. Alsof blijven doen wat we altijd deden toewijding zou zijn en het zoeken naar nieuwe wegen eerder ontrouw. Zo’n commitment aan een institutionele vorm is erg kortzichtig.
Mijn tweede kanttekening gaat over de duurzaamheid van de kerk. De traditionele kerken hebben hun kracht wel bewezen. De aloude instituties hebben eeuwen doorstaan en zijn dus duurzaam gebleken. Nieuwe vormen moeten zich nog bewijzen – en daar kun je geen kerk op bouwen. Nu zal ik niet ontkennen dat er soms heel wat geëxperimenteerd wordt. Duurzaamheid is inderdaad een punt. Maar dat geldt zowel voor nieuwe als voor oude vormen. Juist binnen die aloude instituties is er soms een schrijnend gebrek aan oog en aandacht voor duurzaamheid of ‘sustainability’. De doorsnee kerkrentmeester weet dat een eeuwenoud kerk-instituut niet zonder meer duurzaam is… In de literatuur rond missionair kerk-zijn daarentegen, wordt duurzaamheid expliciet en heel weloverwogen meegenomen. Nieuwe kerkvormen betrekken duurzaamheid heel bewust in hun bezinning, vaak meer dan gevestigde kerken. Lange termijn commitment en duurzaamheid – zowel de gevestigde traditionele kerken als de flexibele contextuele vormen van kerk-zijn moeten deze twee aspecten van kerk-zijn in het oog houden.

Kerk in vier gestalten
Om het gesprek tussen ‘verval’ en ‘verandering’ verder te brengen, is het belangrijk om de vraag ‘wat is kerk?’ nog helderder te stellen. In navolging van de Duitse kerkjurist Hans Dombois (1907-1997) zou ik willen onderscheiden tussen de kerk in vier gestalten.
Existentieel staat de christen in de universele kerk. Immers, door de doop wordt iemand opgenomen in de kerk van alle tijden en plaatsen. Tegelijk situeert de doop je in de plaatselijke gemeenschap. Dat is de ene tweeslag: universeel en lokaal zijn op elkaar betrokken. Daarnaast is er de verbondenheid tussen plaatselijke kerken, in de vorm van een denominatie of kerkverband, die zich op allerlei manieren verweeft met de cultuur van een land of volk. Binnen zulke kerkgenootschappen moet ruimte zijn voor wat verschillende vormen van toegewijde christenen die radicaal en profetisch kritiek durven hebben op cultuur en kerk. Dombois duidt deze radicale christenen binnen de kerk aan met het woord ‘orde’. Dat is dus de andere tweeslag: kerkgenootschap en ‘orde’. Denk hierbij aan Taizé of Iona, maar ook aan New Monasticism zoals dat in leef- en woongemeenschappen nu gestalte krijgt op verschillende plaatsen in Nederland.
Wie zich realiseert dat de kerk in deze vier gestalten bestaat – universele en lokale kerk, bovenplaatselijk verband van kerken en de orde – begrijpt dat zij elkaar nodig hebben voor een werkelijk duurzaam lange-termijn-commitment. Waar één van de vier categorisch wordt buitengesloten of afgestoten, ontstaat stilstand.
Kerken in de aloude traditie van de Reformatie en nieuwe vormen van toegewijd christen-zijn hebben elkaar nodig. Instituten hebben nieuwe kerkvormen nodig, en jonge en fragiele ‘kerkplekken’ hebben de instituten nodig. Ik hoop daarom dat zij elkaar als gestalten van de éne katholieke kerk zullen (blijven) vinden. Zoals de Vluchtkerk die alleen kon beginnen dankzij de royale steun van de PKN. Zoals de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt die in hun nieuwe onderzoeks- en dienstverleningsinstituut (het Praktijkcentrum) inzet op ontwikkeling en experimenten en het onderzoek hiernaar. Dan kan het zoeken naar ‘nieuwe zakken’ voor Christus’ wijn op lange termijn een vruchtbare taak van de kerk in al haar verschijningsvormen blijven.

Dr. J.H.F. Schaeffer is universitair hoofddocent Praktische Theologie aan de Theologische Universiteit Kampen en redacteur van Kontekstueel.

Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Om dit nummer te bestellen, klik hier

 

Afdrukken