nr2 • 2019 • Humor In Tenach en Talmoed

34e jaargang nr. 2 (nov. 2019)
thema: Humor en geloof       

Leo Mock
Humor In Tenach en Talmoed

Joden en humor worden nogal vaak met elkaar verbonden – door Joden zelf en door niet-Joden. Men denkt dan vooral aan de Amerikaanse entertainmentcultuur waarin Joden met name in de twintigste eeuw een prominente (humoristische) rol speelden. Mensen als Bette Midler, Roseanne Barr, Woody Allen, Groucho Marx, Jerry Seinfeld en anderen hebben een aanzienlijke invloed uitgeoefend op de Amerikaanse cultuur. In dit artikel wil ik echter ingaan op humor in de Bijbel en de Talmoed. Kunnen Joden en humor ook hier met elkaar in verband worden gebracht?

Is er humor in de Bijbel? Om deze vraag te beantwoorden is het belangrijk om humor te definiëren. Avner Ziv omschrijft het in Jewish Humor (1998) nogal klinisch als ‘een vorm van communicatie – met speciale cognitieve en emotionele karakteristieken – die de intentie heeft om te amuseren en een fysiologische reactie veroorzaakt’. Ook is het goed om op te merken, dat wanneer men over humor in de Bijbel praat, men te maken heeft met een cultuur-historische afstand van circa drieduizend jaar. Waar wij om lachen hoeft niet per se de Bijbelse mens tot schateren te brengen, en omgekeerd. Daarnaast is het om de humor in de Bijbel te herkennen en te waarderen eigenlijk een noodzaak om deze in de grondtaal te lezen: het Hebreeuws.

Humor als medium
Humor in de Bijbel heeft volgens C.D. Isbell, L. Greenspoon en H. Friedman niet zozeer als eerste doel om te vermaken, zoals in de moderne tijd vaak wel het geval is. Maar men hield ook in de tijd van de Bijbel van een goed verhaal, waarin een humoristische noot een meerwaarde kon hebben. Humor is meer het medium om een boodschap over te brengen en is vaak verbonden meer andere serieuze thema’s in de Bijbel. Zo zullen afgodendienaars of grote boosdoeners vaak het mikpunt zijn van Bijbelse spot. De Bijbelse humor is dus meer een humoristische noot bij een serieus bedoeld verhaal of een sarcastisch-ironische twist in een verhaal met een didactisch doel.
Waar moeten we dan aan denken? Het kan in eerste plaats gaan om een woordenspel, zoals de vrouw die door de Bijbel (Genesis 2:18) ‘een hulp hem tegenover’ (ezer kenegdo) wordt genoemd. In het Nederlands zou je dat kunnen vertalen als ‘een helpende tegenwerker’. Uiteraard ziet dit vooruit op het verloop van het verhaal waarin de vrouw de man van de verboden boom laat eten en hem de vrucht laat proeven. Of Kaïn die als straf voor het doden van zijn broer Abel als een balling dolende door de wereld zal gaan (Genesis 4:12). Uiteindelijk vestigt hij zich in het land Nod, vertelt de Bijbel (4:16), dat echter ‘dwalen’ in het Hebreeuws betekent. Hij vestigde zich in 'het land der Dwalen' – niet direct een dijenkletser maar dat is ook niet het doel van de Bijbelse humor. Het is meer bedoeld om een soort glimlach rond te mond te krijgen en vooral verder te lezen en de boodschap te internaliseren.

Ook de geboorte van Isaak wordt op quasi-humoristische wijze verteld. Abraham en Sara zijn beiden hoogbejaard. De 89-jarige Sara kan niet anders dan in lachen uitbarsten als ze hoort dat ze volgend jaar een kind zal baren. Maar het kind komt er en Sara's lichaam verjongt: zij baart het kind en zoogt het zelf! God heeft een wonder gedaan maar ook een beetje een grap met haar uitgehaald – ze zit opeens weer in een jong lichaam. De naam Isaak betekent zelf ook lachen, ‘hij zal lachen’, en verwijst zowel naar de vreugde als naar de ironie die in het verhaal zit. Want de mens is uiteindelijk machteloos tegenover Gods almacht en wonderen.

Komische Bijbelverhalen
Bijbelse verhalen bevatten niet zozeer grappen, maar wel wendingen of aspecten die je als komisch kunt zien. Bovengenoemde auteurs geven verschillende voorbeelden van Bijbelverhalen met een humoristische ‘twist’. Ik noem enkele voorbeelden. Neem het verhaal van Abraham die pleit bij God voor de redding van Sodom en Gomorra. Hoewel serieus bedoeld, krijgt de dialoog een wat humoristische lading doordat Abrahams onderhandelen over het aantal rechtvaardigen die de stad kunnen redden (50, 45, 30, 20, 10) een associatie met de marktplaats oproept. Een ander voorbeeld is het verhaal over de wonderlijke kracht van de beenderen van de profeet Elisa (2 Koningen 13). Op een dag is men een man aan het begraven als er een Moabitische roversbende aankomt. De mensen die de begrafenis willen uitvoeren zijn doodsbang voor dit tuig en vluchten. In hun vlucht gooien ze het lichaam van de dode man in het graf van Elisa. Het lijk komt in aanraking met het gebeente van Elisa en de man komt hierdoor weer tot leven (13:21). Zondermeer een wonder, maar de vraag rijst wel hoe het deze man vervolgens vergaat nu hij oog in oog komt te staan met de wilde roversbende en mogelijk een tweede keer sterft. Een wat nutteloze opstanding, stelt Isbell, en daarmee een humoristische noot.

Opgemerkt dient te worden dat het ontdekken van humor in de Bijbel ook te maken heeft met de wijze waarop men deze leest. Wanneer men de Bijbel enkel als religieus boek ziet, zal men minder openstaan voor deze humoristische elementen. Men zal ze over het hoofd zien, weg verklaren of zelfs ketters vinden. Wie de Bijbel echter (ook) als literatuur leest, zal eerder openstaan voor een meer wereldse en literaire benadering die ook de humoristische elementen beschrijft.
Tegelijkertijd zijn er ook veel teksten in de Bijbel die lachen en spotten juist negatief beschrijven. Sara’s lachen wordt als onbetamelijk gezien (Genesis 18:12) en het boek Psalmen opent met: ‘Gelukzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen, die niet staat op de weg der zondaars, noch zit in de kring der spotters.’ Ook in het boek Spreuken vinden we lach en spot vaak in een negatief verband: ‘Hoelang zult u, onverstandigen, het onverstand liefhebben, zullen spotters aan spotternij een welgevallen hebben, en dwazen de kennis haten?’ (Spreuken 1:22) Of: ‘Voor de spotters zijn straffen gereed en slagen voor de rug der dwazen’ (Spreuken 19:29). Lach en spot zijn in deze Bijbelse context negatief omdat het de mens afhoudt van zijn opdracht, van de waarheid en van wat ertoe doet in het leven. Zodra humor in strijd is met de Bijbelse waarden, wordt het afgekeurd.

Humor in de Talmoed
In de Joodse traditie leest men de Bijbel vooral met verklaringen en interpretatietradities. In het latere rabbijnse Jodendom is dat vooral de Talmoed. Het verhaal over humor in de Bijbel zou niet compleet zijn zonder een verhandeling over humor in de Talmoed. Enerzijds worden humoristische elementen in de Bijbel juist weggepoetst door exegese en theologie. Anderzijds is er ook weer humor in de Talmoed zelf te vinden. De Talmoed bevat naast wettelijk georiënteerd materiaal (halachisch) ook veel stukken met een verhalende inhoud (aggadah). Deze gaan vaak over ethiek en moraal, maar zijn vaak ook verhalen over Bijbelfiguren, rabbijnen en Talmoedgeleerden. Zij maken allerlei dingen mee die nogal eens een wonderlijk fantasie-element bevatten zoals we die ook aantreffen in volksverhalen, sprookjes en legenden. Tijd, ruimte en plaats vervagen om op een onverwachte manier weer samen te komen. Je zou dit als een vorm van humor kunnen beschouwen; het element van vermaak zit er zeker in.
Zo vindt men in de Talmoed bBerachot 7a een discussie over de duur van de woede van God. In Psalm 7:12 wordt gesteld dat God elke dag boos is. Maar hoe lang is die dagelijkse boosheid van God dan? De vraag kan je als enigszins humoristisch of ironisch zien, maar hij wordt wel theologisch ingekleed. De lente van Gods kwaadheid duurt ‘een moment’. Psalm 20:6 zegt namelijk: ‘Want één moment duurt zijn toorn, een leven lang zijn welbehagen’. Dit is weer stof voor een verder vervolg van de Talmoedverhandeling. Trouw aan het mystiek-magische idee dat wat er boven in de hemel gebeurt ook op aarde zijn weerslag heeft, legt de Babylonische Talmoedgeleerde Abaye uit wanneer het goddelijke moment van woede op aarde zichtbaar is en hoe men dat kan weten: ‘gedurende de eerste drie uur van de dag, wanneer de kam van de haan wit wordt en de haan op één poot staat’. De hanenkam is dan helemaal verbleekt waardoor de normaliter aanwezige dunnen rode strepen onzichtbaar zijn. De verhandeling in zijn geheel tot nu heeft al een bepaalde humoristische noot, maar de Talmoed gaat verder met het verhaal van een andere geleerde uit de derde eeuw in Israël die het moment van Gods woede wil weten om dit praktisch aan te wenden:
‘Een zekere Sadduceeër woonde in de buurt van Rabbi Jehosjoe'a ben Levi. Deze was gewend om de rabbijn erg te pesten met Tora-teksten (die zijn gelijk zouden bewijzen). Op een dag nam hij een haan en plaatste deze tussen de poten van zijn bed en bestudeerde hem (de hanenkam) aandachtig. Hij dacht: wanneer het moment (van Gods woede) is gekomen zal ik die man vervloeken. Maar toen het moment daar was, was de rabbijn in slaap gevallen. Hij zei: we kunnen hieruit leren dat het niet gepast is om op deze wijze te handelen. Er staat immers geschreven: “en zijn barmhartigheid is op alle schepselen” (Ps. 145:9).’
Het verhaal met een humoristische noot wordt echter gebruikt voor het leren van een morele les: het is niet goed voor de rechtvaardige als de zondaar door hem gestraft wordt.
In het traktaat Baba Bathra vertellen rabbijnen over hun fantastische ervaringen tijdens hun reizen. De verhalen hebben een sprookjesachtig karakter – wat je als humor kunt zien – maar ook hier worden humor en ernst met elkaar verweven. Zo vertelt Rabbah bar Bar Channah over een woestijnreis met een Arabische handelaar als gids. De man kan navigeren aan de hand van zijn reukorgaan. Hij ruikt aan aarde en weet de afstand tot de volgende plek met water. De Arabier toont de rabbijn de plek waar de graven van de woestijngeneratie zich bevinden: van hen die door hun rebellie het beloofde land niet in mochten. ‘Ik ging met hem mee en zag hen; en ze zagen eruit alsof ze gefeest hadden (ze hadden een gezonde rode kleur). Ze sliepen op hun rug; en de knie van één van hen ging omhoog en de Arabische koopman ging onder de knie door, rijdend op zijn kameel met zijn speer rechtop in de lucht, maar hij raakte de (onderkant van de) knie niet aan.’ De lichamen van de woestijngeneratie zijn nog helemaal intact, ook meer dan duizend jaar later. Ze lijken meer in een diepe slaap te zijn, dan dood! Hun lichamen zijn gigantisch want je kunt op een kameel met een opgeheven speer in de hand onder hun knieholte doorrijden en nog de onderkant ervan niet aanraken.
Maar het verhaal gaat verder. De rabbijn besluit om een stukje van het gebedskleed van één van hen af te snijden zodat hij precies kan zien hoe het eigenlijk volgens de Thora gedaan hoort te worden. In de rabbijnse literatuur zijn er namelijk meningsverschillen tussen rabbijnen over het aantal en de wijze van het knopen van de draden van het gebedskleed: ‘Ik sneed een hoek af van de het hemelsblauwe gedeelte van het gebedskleed van een van hen. Opeens konden we ons niet meer verroeren. De Arabier zei tegen mij: “Heb je misschien per ongeluk iets van hen afgenomen, zo ja dan moet je dat teruggeven; want we hebben een traditie die zegt dat wie iets wegneemt van hen, niet meer bewegen kan.” Ik ging en gaf het terug en toen konden we weer weggaan.’
Ook dit verhaal heeft een twist. De woestijngeneratie staat ondanks hun rebellie toch dichterbij de traditie dan deze derde-eeuwse rabbijn. Deze doden kunnen licht werpen op de juiste praxis in zaken waar latere rabbijnen juist verdeeld (ook een vorm van rebellie?) over zijn.

Het bovenstaande verhaal is slechts één van velen met een humoristische noot. Daarnaast is er echter ook een lijn zichtbaar die humor problematiseert, mogelijk mede ingegeven door bepaalde Bijbelteksten. Zo stelt men in bSjabbat 30b twee verzen uit Prediker tegenover elkaar. Enerzijds ‘Daarom prees ik de vreugde’ (8:15) en anderzijds ‘…de vreugde: wat bewerkstelligt zij?’ (2:2). Het ene vers prijst de vreugde in het kader van een religieuze setting; het andere vers ziet vreugde als nutteloos als het gaat over alledaagse vrolijkheid. De Talmoedgeleerde Rava begon zijn les daarom altijd met iets humoristisch. Humor en vreugde zijn namelijk positief in een religieuze en daarmee functionele setting.
Een extreem standpunt ten aanzien van vreugde en humor is de uitspraak van Rabbi Jochanan in naam van Rabbi Simeon ben Jochai in bBerachot 30b/31a: ‘Het is verboden voor de mens om zijn mond met gelach te vullen in deze (onverloste) wereld. Want er is gezegd: “dan zal onze mond gevuld zijn met gelach, onze tong met gejuich.” (Ps. 126:2) Wanneer zal dat zijn? “Als onder de volkeren gezegd zal worden: de Eeuwige heeft grote dingen bij hen gedaan.”’

Tot slot
Ondanks de negatieve waardering voor humor in de Bijbel als vermaak of als kritische noot bij het geloof, bleven Joden altijd lachen. In het chassidisme zag men een religieuze plicht in vreugde. Rabbi Nachman van Bretslav (Oost-Europa, 18de-19de eeuw) ging hierin erg ver: ‘Het is een grote plicht om altijd vrolijk te zijn en sterk zijn om de droevigheid en zwartgalligheid te verdrijven… zelfs met gekkigheid’ (Likutei Maharan, V. 2, 24). In de moderne tijd ontstond er een Joodse humor die ter vermaak en amusement diende. Deze maakte het dagelijkse leven dragelijker of oefende soms een bijtende kritiek uit op het rabbijnse establishment of andere elites – Joods en niet-Joods. Al met al is het niet gemakkelijk om Joodse humor te definiëren. Want wat maakt Joodse humor precies Joods? De inhoud? Maar welke precies? Het feit dat een Jood het maakt? Of het feit dat anderen het als Joodse humor typeren?
Met het ontstaan van een entertainmentindustrie zagen sommige Joden hun kans schoon om de Joodse humor daar vorm te geven. In Nederland kennen zowel Joden als niet-Joden de 'Sam en Moos-grappen' van Max Tailleur die met humor vanuit nostalgie over een verdwenen wereld grapten. Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd, was dan ook het motto van velen.

Dr. L. Mock is docent Judaïca aan Universiteit van Tilburg. Hij is betrokken bij tijdschrift Tenachon en verbonden aan het Joods educatief centrum Crescas. Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Literatuur
H.H. Friedman, ‘Humor in the Hebrew Bible’, HUMOR: International Journal of Humor Research, 13 (2000), 257–285.
L. Greenspoon, ‘Humor in the Old Testament’, Oxford Biblical Studies Online.
C. D. Isbell, ‘Humor in the Bible.’ In: Jews and Humor, Studies in Jewish Civilization, L. J. Greenspoon, ed. West Lafayette 2011, 1-11.
Avner Ziv, Jewish Humor, New Brunswick 1998.

Afdrukken