nr4 • 2020 • Gods vijanden vergaan

34e jaargang nr. 4 (maart 2020)
thema: 75 jaar bevrijding

K.H. Miskotte

Gods vijanden vergaan

Hier vindt u enkele onbewerkte fragmenten uit de ‘Predikatie uitgesproken in de dankdienst bij de bevrijding van Nederland in de Nieuwe Kerk te Amsterdam op woensdag 9 mei 1945 te 10 uur door Dr. K. H. Miskotte’. Wim Dekker heeft de fragmenten uit deze gewaagde preek over Psalm 92 voor u uitgezocht, zodat u weet waar de auteurs verderop in dit nummer over schrijven. Met uitzondering van de puntjes tussen haken, die het begin of einde van een fragment aangeven, is alle interpunctie van Miskotte zelf.

Gemeente, broeders en zusters in den Heer, landgenoten, mensenkinderen,… beseft met mij het gewicht van deze historische stonde, van het ongelooflijk uur, dat wij nu vieren.

Als er iets is, dat een ongeluk moet heten bij alle geluk, dan is het wel dit, dat wij het niet begrijpen, wat er met ons is gebeurd, ja, dat bijna niemand het recht verwerken kon. Want door de jarenlange onderdrukking, maar vooral door de honger der laatste maanden zijn wij zozeer teruggeworpen op onszelf, op ons eigen hachje, op ons eigen vlees en bloed, dat wij nauwelijks of geen gedachten meer over hadden voor een ruimere kring, voor onze medemensen in de straat, voor onze buurt, voor onze vereniging,… laat staan voor de natie,… laat stáán voor de wereld! Want het ging in deze zogenaamde oorlog om de wéreld en de toekomst van de wereld! En de nood heeft ons vernederd, neergedrukt in een kleine, verwilderde zelfzucht.

En nu gaat het erom, als wij voor God komen, dat wij weer trachten te staan in die sinds jaar en dag klare waarheid, dat wat ons overkomen is – en wat wij vroeger wel begrepen hebben – ons overkomen is als een deel van die mensheid, die zou worden onderworpen en gedrild en omgewrongen tot een ándere mensheid,… dan gaat het erom, dat wij opnieuw komen te staan in de positie van de mensheid, die weet, dat haar genade geschied is van Godswege,… als deel van die mensheid, waarvoor Jezus Christus gestorven is,… als een deel van die mensheid waarvan Jezus Christus de waarachtige Koning is. Laat ons samen beseffen, dat het Derde Rijk vergáán is, dat de contra-messiaanse beweging gestrand is, omdat het Rijk van Christus geen einde hebben zal.
(…)
Ik heb voor u opgediept een woord uit de Psalmen, opdat gij, met de gemeente der ontwaakten, zoudt verstaan, al is het dan achteraf, als u het nog niet eerder begrepen hebt, wat eigenlijk dit feest, waar wij nu middenin staan, beduidt. Wij lezen in Psalm 92 deze woorden:
‘Het is goed dat men de Heere love en uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste, dat men in de morgenstond uw goedertierenheid verkondige en uw getrouwheid in de nachten. – Een onvernuftig man weet er niet van en een dwaas verstaat dit niet… Want zie uw vijanden, o Heere, want zie uw vijanden zullen vergaan.’
(…)
Wij zijn hier in de kerk gekomen om te hóren,… het evangelie van Hem, die de Rechter der ganse aarde is; ik zeg: het evangelie, want ook dit is een blijde boodschap over de aarde, een boodschap aangaande het koningschap van Jezus Christus, aangaande zijn messiaanse heerlijkheid, zijn messiaanse recht…’ want zie, uw vijanden o Heere, want zie uw vijanden zullen vergaan’.
Is het niet bedenkelijk over onze vijanden te spreken als over Gods vijanden? Dat ignobele spel is ons al eerder vertoond, ja ligt ons nog vers in het geheugen,… doch afgezien daarvan, wie de geschiedenis kent, weet, dat het heel gewoon is geweest de eeuwen door, de mensen, die tegen óns waren, te doodverven als Góds vijanden. Hoort u het goed? Omdat zij tegen óns zijn, zouden het Góds vijanden zijn! hoe vreselijk plegen wij mensen om te gaan met de heilige dingen, de heilige woorden!
(…)
En toch, in dit geval ging het om Gods vijanden. Omdat deze macht in alle ernst en letterlijk Israël heeft willen uitmoorden… Daar zit achter de háát tegen de God van Israël, die joden-God, die ook de God der christelijke kerk is. Een haat die zich camoufleert en zich meent te kunnen verdedigen met allerlei verhalen over Israël, over het O.T. als een boek van veedrijvers en souteneurs, die steeds maar weer wijst op de zogenaamde jodenstreken, om het geplaagde Godsvolk op deze aarde nog meer veracht te maken in anderer ogen… Er is een antisemitisme, dat in ons allen woont, omdat wij allen van nature heidenen zijn en God verstaan en vereren als de Natuur; maar déze heidenen, die in zichzelf de genoegzame grond van hun bestaan vinden, háten de levende God, moeten niets hebben van de Heere, die het verachte uitverkiest; zij zijn in opstand tegen God, die vreemde Indringer, die eisen aan ons stelt en ons troosten wil in ons zondaarsbestaan en in ons stervenslot. Die heeft de heiden niet nodig en het liefst zou hij Hem uit de weg ruimen. Doch God is niet te grijpen en daarom grijpen zij toe om het teken van zijn openbaring af te tuigen.
(…)
‘Maar zie, uw vijanden, o Heere, want zie uw vijanden zullen vergaan.’ En deze vijand is vergaan! Zeker, dit zal heus niet de laatste vijand zijn,… maar het is wel een voorteken van wat in de laatste dagen, in de strijd van Messias en anti-Messias, aan den dag zal komen. Daarom vieren wij deze dag van het eindigen der bezetting als een verrukkelijke dag, waarop Farao en Sanherib en Rabsake en Nebukadnezar en Haman, niet te vergeten, na te zijn ópgestaan, voor onze ogen hun ondergang vonden.
(…)
En nu gemeente, hebben wij de vijand verslagen? Ach neen, wij hebben werkelijk niet zo heel veel gedaan en kunnen bij alle bewondering voor het binnenlands verzet daaraan toch geen beslissend gewicht hechten.
Gods vijand! Waarlijk, in díe zin was het nazidom niet ons aller vijand, dat wij het als één man ertegen opgenomen hebben. Ja… hebben wij zelfs in onze gebeden werkelijk verstaan waar het om ging? Is van óns tenslotte het inzicht en de energie gekomen, ja, hebben onze bondgenoten, de geallieerden dit verstaan en bedoeld?... Het is te betwijfelen, zij waren tegelijk strijdende voor hun eigen belangen. Laten wij de dingen in onze vreugderoes nu niet mooier gaan maken dan zij zijn. Waarom ook? Het schoonste van het leven is, dat het een geschenk is, het mooiste van de zegepraal is, dat ze van God gegeven is.
Voor zover zij en wij, iets gedaan hebben, de vijand verslagen hebben, is dat zo, omdat God het zo geleid heeft, dat wij, gemobiliseerd voor onze ongetwijfeld gewichtige belangen, een dienst hebben verricht in zijn krijgsplan, waarin als oorlogsdoel lag: een nieuwe morgen te doen aanlichten over een zo kolossale baaierd. Hij heeft de vijand gezien en het voor ons opgenomen! Al deze machten waren, tegelijkertijd strijdende voor hun eigen doel en voor hun naakt bestaan, even zovele instrumenten in zijn hand om tot gelding te brengen, dat er een eind moest komen aan deze jongste rebellie tegen de God der schepping en de Heer der Kerk, omdat het in beginsel met al dit pogen al afgelopen is, sedert Jezus Christus de wereld heeft gezegend met zijn tegenwoordigheid. De tegen-candidaat voor de wereldtroon, de sombere kroonpretendent en contra-heiland – daarvan is de apocalyps vol – fáált, men mag niet zeggen: automatisch, maar toch met een innerlijke zwaartekracht, die tot de val hem doemt, sedert Jezus Christus is verrezen in deze wereld.

Afdrukken