nr3 • 2021 • God die oordeelt, God van hoop

35e jaargang nr. 3 (januari 2021)
thema: Strenger dan God?

 

Willem Jan Dekker
God die oordeelt, God van hoop
Over Gods strenge oordelen in het Oude en ook Nieuwe Testament

In het Liedboek voor de kerken van 1973 was een vertaling opgenomen van het zeer bekende middeleeuwse lied over het laatste oordeel, het Dies irae, dies illa. Het gaat om heftige teksten, zoals in het tweede couplet: ‘Dag van schrik die aan zal breken / als de Rechter recht zal spreken / en het kwaad op aarde wreken.

In het nieuwe Liedboek (2013) is dit lied geschrapt. In plaats daarvan is een alternatief Dies irae opgenomen, gedicht door Niek Schuman (lied 775). Het gaat nog steeds over de verwachting van een laatste dag, maar volgens dit lied zal die dag alleen maar heil brengen:

Dag der dagen als de tijden
zich tot heil zullen verwijden.

Ongetwijfeld zit daar bij de samenstellers van het Liedboek een bewuste theologische keuze achter. De vraag is of dat een terechte keuze is. Brengt de laatste dag alleen maar heil? En is dit lied er een voorbeeld van dat we in de kerk anno nu anders over God denken? Bijbelse noties als Gods wraak, gericht en toorn lijken passé. Teksten die daarvan getuigen worden gemeden als zouden ze explosieven zijn (J.J. Suurmond).

Wreker
Teksten over Gods strenge oordelen zíjn ook weerbarstige teksten. Hoe moeten ze worden verstaan? Ik wil daar in het kort iets over zeggen aan de hand van Jesaja 63:1 tot 64:11, een tekst die klinkt in crisistijd. Ballingen keerden terug naar Juda en treffen land, stad en tempel verlaten en verwoest. Hoe spreekt Israël in die crisis over zijn God?
De tekst opent met de verschijning van een indrukwekkende gestalte (63:1-6). Hij draagt een rood, met bloed besmeurd gewaad. Het gaat om God zelf die in toorn en grimmigheid de volken heeft vertrapt. De verbinding met de naam Edom (63:1) betekent dat we moeten denken aan de God vijandige volken (vgl. Jes. 34). God zelf motiveert dit goddelijk geweld: de dag van wraak en het jaar van zijn verlosten was daar (63:4). Israël deinst er dus niet voor terug om over zijn God te spreken als een warrior en wreker.
In de weerbarstige tekst van Jesaja 63 vers 1 tot 6 is echter niet alleen sprake van Gods gericht, maar ook van zijn verlossing (63:1,4). Behalve de volken zijn ook Gods ‘verlosten’ in beeld (63:4). Om hen is het de schrijver vooral te doen, zo laat ik in mijn proefschrift zien. De lezer moet weten dat de wreker ook de verlosser is. Het omgekeerde is ondertussen ook waar: de verlosser is de wreker. Wat voor moderne lezers zoals wij moeilijk samengaat, gaat in Israëls geloof samen op. Het spreekt over zijn God met twee woorden.

Dat blijkt ook uit Jesaja 63:7 tot 64:11, het vervolg van de tekst. In de crisis van de tijd na de ballingschap klaagt het volk bij God. Het volk doet op een indringende manier een beroep op zijn ontferming: laat Hij neerdalen! (64:1; MT 63:19) In zijn klacht klampt Israël zich vast aan een van Gods namen: ‘onze verlosser vanouds’ (63:16). De voorstelling van God als redder is in deze tekst nauw verbonden met die van God als vader en formeerder. Met deze taal spreekt het volk uit dat het zijn bestaan dankt aan Hem die het uit Egypte bevrijdde en als zijn volk aannam (63:7-14). In donkere dagen valt van geen ander iets te verwachten dan van Hem. Laat Hij trouw zijn aan wat Hij schiep en zich opnieuw de verlosser tonen!
Maar ook in dit tekstdeel ontbreken de schaduwzijden van de God-talk niet. Want Hij die Israëls verlosser is en vader toornt en verbergt zich (64:4b-6). God keert zich tegen zijn eigen volk. Zijn toorn is geen willekeur, maar de felle reactie op hardnekkige ongehoorzaamheid. In tijden van crisis heeft Israël dus de moed om niet te zwijgen over Gods gericht en concrete zonden. Zijn God is niet alleen maar redder, maar ook de God die zich in grimmigheid terugtrekken kan.
Ondertussen geeft Israël ons in deze tekst op nog een andere manier te denken. Juist omdat het gelooft dat de zich verbergende God zijn redder is en vader, kan het met zijn toorn en verberging niet leven. Daarom die indringende klacht. In de uitzichtloosheid van die dagen gelooft het, dat Gods trouw (goedertierenheid) langer duurt.

Met twee woorden
Uit deze heel korte verkenning van Jesaja 63:1 tot 64:11 blijkt dat Israël ook in crisistijden over zijn God met twee woorden blijft spreken. Dat God de volken wreekt brengt geen kortsluiting in zijn geloof teweeg. Integendeel! De wraak van God (63:1-6) is zelfs de aanzet tot het gebed om zijn verlossing (63:7-64:11). Want zijn wraak geeft hoop: verlossing is ophanden. Tegelijk realiseert het volk zich, dat het ook zelf het voorwerp van Gods grimmigheid is. Want God neemt de zonden niet.
Dat het leven met God vol spanning zit, blijkt ook uit zijn reactie op de klacht en bede van het volk (Jes. 65-66). Alleen zij worden gered die gerechtigheid doen. Dat kunnen ook mensen uit de volken zijn! Zij echter die het recht met voeten treden hebben geen toekomst, ook al zouden ze horen bij zijn eigen volk. De scheiding die God aanbrengt is niet etnisch maar ethisch van aard.

Bewogen God
Dit spreken over God met twee woorden is karakteristiek voor heel het Oude Testament. De verkondiging aangaande God heeft licht- en schaduwzijden (H.G.L. Peels). Dat Hij ook met zijn strenge oordelen komen kan, heeft te maken met zijn manier van omgaan met ons. De Bijbel gebruikt hiervoor het woord ‘verbond’. God verbindt zich met een mens (Abraham) en een volk (Israël). Hij begeeft zich in het leven van ons mensen en trekt met ons op. Dat is niet zonder risico, voor Hemzelf en voor ons. Dit samen op van God en mensen is van meet af spannend, want Hij is de heilige en wij mensen zijn dwars, hardleers, tegendraads, zondaren tot en met. Het vonkt dan ook voortdurend weer. Want God is de levende God, een God die het niet koud laat hoe volken en mensen het leven leven. Hij reageert op ons doen en laten. Heilig is Hij, een God om serieus te nemen, een God die ook ons serieus neemt.
Dat is de achtergrond van rauwe teksten die getuigen van een God die zijn eigen volk hard raakt en ook volken vertrapt (vgl. Hab.3:12). Gods oordelen zijn zijn felle reacties op het kwaad dat mensen doen, op bruut geweld en hemeltergend onrecht. Israël heeft ervaren dat er een moment komt dat God zegt: ‘en nu is het genoeg’. God heeft ook zijn grenzen. Teksten die spreken van zijn wraak en strenge oordelen behoren niet minder tot de core testimony (W. Brueggemann) van Israël dan teksten die getuigen van zijn zorg en leiding. Wanneer wij moeite hebben met voorstellingen als de wraak, na-ijver, toorn en oordelen van God is de vraag wat het betekent dat wij geloven in de levende God. Wanneer we de rauwe Bijbelteksten gaan schrappen, gebeurt er ook iets met ons geloof en met het concrete leven. De spanning gaat eraf. Je krijgt er een slappe ethiek van en een al even slap geloof. Want kun je je aan God nog wel een buil vallen?
Tegelijk heeft Israël ervaren dat met die bewogen en daarom beweeglijke God te leven is, omdat niet wraak of toorn, maar ontferming en trouw (chèsèd) Gods wezen uitmaken. Het Oude Testament getuigt van een overwicht van Gods barmhartigheid en trouw. In een ongekende crisis als die van de ballingschap en de tijd erna is deze ontferming en trouw van God Israëls houvast (Jes. 63:7). Omdat het in díe God gelooft, heeft het de moed om midden in het oordeel God aan te spreken. God wordt aangesproken op zijn diepste zijn (Jes. 63:15-64:11). En Israël kan ons vertellen dat dát ons verder helpt.

En het Nieuwe Testament dan?
De vraag is steeds weer geweest in hoeverre het getuigenis van het Nieuwe Testament over God afwijkt van dat van het Oude. Het is veelzeggend dat de tekst over God als wreker (Jes. 63:1-6) in Openbaring 19:11-16 wordt opgepakt en toegepast op Jezus. Zijn verschijning is niet minder indrukwekkend als die van God zelf in Jesaja 63. Ook Hij laat zich als een warrior zien, gekleed in een met bloed besmeurd gewaad, die de volken in toorn vertrapt. Het beeld van God als strijder, die met zijn streng oordeel de volken raakt, is het Nieuwe Testament dus niet vreemd en kan zelfs naar Jezus verwijzen. De eerste christenen schrapten Jesaja 63 niet omdat sprake zou zijn van een achterhaald Godsbeeld. Integendeel! Ze hebben die tekst gelezen en verstaan als nog altijd van grote betekenis. In de crisis van die dagen kwam het tot een hernieuwde lezing en herinterpretatie van een tekst die voorhanden was. Juist in zijn weerbarstigheid sprak deze tekst. Ze hadden in de God van Jesaja 63:1-6 Jezus herkend. Hij is het die komt om te oordelen. En zoals God zal ook Hij dat doen in ‘gerechtigheid’ (Jes. 63:1; Op. 19:11). Zijn strenge maar rechtvaardige oordeel zal niets minder dan hun bevrijding zijn. De wreker is hun redder.

Deze ene tekst uit het slot van de Bijbel lijkt mij geen zwerfsteen in het geheel van het Nieuwe Testament. Deze is een illustratie van het core-getuigenis van ook dit deel van de Bijbel: de God en Vader van Jezus Christus is een God van liefde en genade, die echter ook fel blijft reageren op ongeloof en ongehoorzaamheid, op onrecht en onderdrukking. Ook in het Nieuwe Testament is het leven met God spannend tot en met. Juist omdát Hij ons in Christus nabij komt als nooit tevoren.
Neem de prediking van Johannes de Doper en die van Jezus zelf, niet het minst die over de ‘dag der dagen’. Deze staan onder de hoogspanning van een God die ons uiterst serieus neemt. Leven of dood is niet alleen maar een kwestie van geloof of ongeloof, maar ook van gehoorzaamheid en leven in de stijl van het Koninkrijk of niet. Het slot van Jezus’ Bergrede is wat dat betreft veelzeggend: je leven staat als een huis wanneer je Gods woorden niet alleen hoort maar ook doet, maar het gaat ten onder wanneer je wel luistert maar niet doet (Mt. 7:24vv). In het evangelie naar Lucas keert Jezus zich in niet mis te verstane woorden tegen de vrome Farizeeërs die de weduwen niet zien staan. En de rijke man heeft voor eeuwig het nakijken, omdat hij de bedelaar niet zag zitten. Hoe concreet en spannend wil je het hebben. En zo zijn veel meer voorbeelden te geven waaruit blijkt dat het in het Nieuwe Testament met Gods strenge oordeel nog niet is gedaan.

Uitstel maar geen afstel
Is er wat betreft Gods strenge oordeel dus overeenkomst tussen Oude en Nieuwe Testament, er is ook verschil. De komst van Jezus wordt in de evangeliën gezien als de vervulling van ik weet niet hoeveel profetieën, waarbij vaak naar die van Jesaja wordt verwezen. Daarbij ligt sterk de nadruk op de lichtzijde van de profetie: met Jezus gaat Gods licht over ons op. Hijzelf is de redding die God brengen zou. Gods toekomst wordt heden. De keerzijde van deze verlossing — Gods gericht — is niet afwezig, maar de hoofdlijn is dat God zijn gericht opschort. Ik denk aan Jezus’ woorden over het graan en het onkruid (Mt. 13:30), en aan Petrus’ woorden over Gods geduld (2 Petr. 3:9). Gods strenge oordeel laat om Jezus’ wil vooralsnog op zich wachten. Dat zal zeker komen (vgl. Mt. 24; Op.). Maar sinds Jezus’ entree en die van de Geest met Pinksteren is het de tijd van de genade en van Gods ontferming, de tijd van de verkondiging van het evangelie en het getuigenis van Jezus Christus. Omdat het Gods verlangen is dat mensen wereldwijd het leven vinden. In Hem.

Dit opschorten van het strenge oordeel heeft gevolgen voor het concrete leven van hen die Jezus navolgen. Deze tijd van de genade is voor hen de tijd van liefhebben in plaats van haten, van niet kwaad met kwaad vergelden, je wreken en elkaar snel en hard veroordelen, maar van zegenen in plaats van vervloeken, van het kwade overwinnen door het goede (Mt. 5:38vv; Rom. 12:17vv).
Dat neemt niet weg, dat er ruimte is voor het oordeel. In die zin, dat we kwaad en zonde benoemen, om te beginnen onder elkaar binnen de gemeente (Lc. 17:3; 1 Kor. 5). We zeggen elkaar genadig de waarheid, met geen ander doel dan de ander te redden. Hij of zij bevindt zich immers op een heilloze weg. Oordelen is ook in die zin aan de orde, dat God aan de overheid het zwaard toevertrouwt. Niet wij zullen onszelf wreken; de wraak is aan God en Hij oefent deze tot de ‘dag der dagen’ door de overheid die geroepen is een overheid te zijn in Zijn geest (Rom.12:19; 13:4).
Ondertussen is het niet uitgesloten dat God hier en nu reeds ingrijpt. Het kwaad kan voor Hem zo hemeltergend zijn, dat Hij het nú een halt toeroept en breekt. De dood van Ananias en Safira en die van Herodes (Hd.5:5,10; 12:23) zijn aangrijpende voorbeelden. En zijn die er ook in de recente wereldgeschiedenis niet? Een voorbeeld: wat Miskotte betreft moest de ondergang van Hitler zo worden gezien. Gods vijanden vergaan. Er zijn ook voorlaatste oordelen.

Tenslotte
De tekst van Lied 775 is een eenzijdige vertolking van het Bijbelse getuigenis over de ‘dag der dagen’. We bewijzen elkaar in de kerk geen dienst met liederen die uitsluitend Gods ontferming over de lijdende mens bezingen. Wat troost de verdrukten die we in de Bijbel tegenkomen nu eigenlijk? Niet het minst dat hun God ook die van de wraak en het strenge oordeel is. Hij redt hen, maar dat niet alleen. Hij keert zich ook tegen de machten die onderdrukken, stukmaken, breken. Zij worden weggevaagd. Zijn gerechtigheid heeft ook die kant! Het zijn inderdaad weerbarstige teksten die hiervan getuigen. Er zit in die teksten meer licht dan wij, moderne lezers, in de gaten hebben of willen weten. Ze geven hoop. Want ze geven zicht op de komst van Gods rijk van vrede en recht. Laten we in een wereld vol geweld en schrijnend onrecht, een wereld waarin kwade machten zich hoogmoedig verheffen, de moed hebben om deze teksten te laten uitspreken, ook als ze ons en ons eigen denken over God tegenspreken.

Dr. W.J. Dekker is predikant van de Sint Joriskerk hervormde wijkgemeente te Amersfoort. Vorig jaar promoveerde hij aan de Universiteit Utrecht op een onderzoek naar de compositie en Godsvoorstelling van Jesaja 63, getiteld: Wie is deze?
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

                                   

Afdrukken