nr5 • 2010 • Laatst geboekt

mei 2010 (24e jaargang nr. 5)

Laatst geboekt

Plaisier, Calvijn en Arminius

P. van den Heuvel

Sinds enige tijd mag ik mij de trotse eigenaar noemen van drie heuse glossy’s, elk gewijd aan een toonaangevende theoloog. De eerste verscheen in 2008 ter gelegenheid van het afscheid van dr. Bas Plaisier als scriba van de Protestantse Kerk in Nederland. Centraal staat daarin een interview waarin hij onder meer vertelt over zijn moeder: haar leven golfde tussen de uitersten van onvoorwaardelijk vertrouwen en grote zwaarmoedigheid. Toen de artsen bij haar een tumor hadden vastgesteld, geloofde ze dat niet. Ze was bij de bijbel te rade gegaan en tot de overtuiging gekomen dat ze in verwachting was. ‘Ik laat me niet opereren’, zei ze tegen de arts, ‘ik krijg een kind. Ik zal u als eerste een kaartje sturen’. ‘Het zal een rouwkaart zijn’, was zijn antwoord.
Moeder Plaisier was ervan overtuigd dat de bijbel kracht en helderheid geeft ten aanzien van beslissingen die een mens moet nemen. God waakt over je en trekt met je mee. Haar vertrouwen bleek niet ongegrond: er werd een gezond kind geboren (Bas). ‘Ik heb het gevoel te zijn opgegroeid in een huis waar een ladder naar de hemel stond. In de verhalen en in de persoonlijke gesprekken ging het altijd over je Godservaring of juist het ontbreken daarvan. Voor beide was ruimte. Ik heb dat nooit als deprimerend ervaren. Er was een andere werkelijkheid. Uiteindelijk kómt God een keer in je leven. Daar kon je op vertrouwen.’
Op de vraag of hij er wel eens naar terug verlangt, antwoordt Plaisier: ‘Niet naar de kleinheid en geslotenheid van het milieu. Wel naar het onbekommerde, naar de vanzelfsprekende omgang met God, waarin de grote vragen van de secularisatie nog niet waren doorgedrongen. Niet of God bestond was de hoofdvraag, maar of God bestond voor míj. Ik heb in ons gezin de kracht en misère van het protestantisme beleefd.’

Calvijn
Toen Plaisier eenmaal het spits had afgebeten kon Johannes Calvijn niet achterblijven. De glossy Calvijn! verscheen ter gelegenheid van het Calvijnjaar in 2009. Zoals het betaamt, is ook in deze uitgave een interview met betrokkene opgenomen. Het is opgetekend door Herman Selderhuis, hoogleraar kerkgeschiedenis in Apeldoorn, die niet alleen de vragen heeft geformuleerd, maar ook de antwoorden bij elkaar heeft gesprokkeld uit de brieven en geschriften van Calvijn. Het gesprek gaat voornamelijk over de kwalen waaraan Calvijn heeft geleden: hoofdpijn, jicht, ontstekingen, buikpijn, slapeloosheid, nierstenen...
Maar Calvijn wil er niet van horen dat hij boos op God zou zijn bij al die moeiten: ‘Zeker moeten onze ziekten ons niet alleen verootmoedigen doordat ze ons onze kwetsbaarheid voor ogen stellen, maar ze moeten ons ook aansporen tot zelfonderzoek, zodat we onze zwakheid erkennen en onze toevlucht tot Gods barmhartigheid nemen. Ze moeten ons ook als geneesmiddel dienen dat ons vrijmaakt van de begeerten van deze wereld en wegbrandt wat in ons overbodig is. Verder zijn het boodschappen van de dood die ons moeten leren onze voeten vrij te maken om te kunnen vertrekken als het God past’.
Het is een gevarieerd tijdschrift om door te bladeren, fraai geïllustreerd. Het geeft lezenswaardige gesprekken met mensen die mensen die doorgaans weinig of niets met Calvijn hebben. Prinses Maxima wordt langs de calvinistische meetlat gelegd (conclusie: als het gaat over haar arbeidsethos past ze naadloos in een calvinistisch kader, maar voor het overige bestaat er tussen haar Argentijnse glamour en het Geneefse calvinisme een onverenigbaarheid van karakters). We ontmoeten enkele hedendaagse calvinisten en zien hoe zij gekleed gaan. Maar over Calvijn zelf komen we niet veel meer te weten.

Arminius
De derde glossy is gewijd aan Arminius, voorvechter van de vrije wil en verscheen in 2010 ter gelegenheid van 400 jaar Remonstrantie. Als rode draad door deze uitgave loopt de tegenstelling van rekkelijken en preciezen. Hoe rekkelijk de Remonstranten zijn, blijkt wel uit een stoet van personen die aan bod komen, een multicultureel gezelschap, zoals Adelheid Roozen, Tariq Ramadan, Jan Siebelink, Simin Rafati, rabbijn David Lilienthal en de dichter des vaderlands Ramsy Nasr.
In een opmerkelijk artikel worden Pauw & Witteman langs de meetlat gelegd. Hoe tolerant zijn deze bekende presentatoren van de VARA eigenlijk? De uitzendingen van de afgelopen drie jaar zijn doorgespit, op zoek naar christelijke onderwerpen die aan bod kwamen. En wat blijkt? De redelijkheid waar hun programma prat op gaat, maakt plaats voor anti-intellectueel simplisme zodra het over christendom gaat. ‘Wanneer gelovigen in beeld zijn, laten Pauw en Witteman luid en duidelijk blijken dat ze zich niet in de achtergrond van deze mensen wensen te verdiepen. Basiskennis ontbreekt. Het verschil tussen protestant en katholiek is amper doorgedrongen... Lolligheid voert de boventoon’. Waarvan acte!
De uitgave biedt ook een interview met de christelijke gereformeerde predikant William de Boer die in Apeldoorn op Arminius is gepromoveerd. In de glossy wordt Arminius in de ondertitel geafficheerd als de ‘voorvechter van de vrije wil’, maar De Boer maakt duidelijk dat hij dat juist niet was: als je kiest voor het goede, heb je dat geheel en al te danken aan Gods genade. De mens heeft alleen een vrije wil ten kwade. De Boer noemt Arminius een gereformeerd theoloog die op onderdelen kritische vragen stelt aan Calvijn.
In een fijnzinnige bijdrage gaat Marius van Leeuwen, hoogleraar aan het Remonstrants Seminarium, dieper in op de leer van de predestinatie. ‘In aanzet was de prediking van de predestinatie dus vooral: houvast in een tijd van vervolging’, zo typeert hij de intentie van Calvijn. Maar een volgende generatie theologen probeerde de predestinatieleer exacter vast te leggen. Daar kreeg Arminius moeite mee. ‘Hij zag hoe een leerstuk dat vroeger mensen troost gaf, nu velen in angst en vertwijfeling bracht, omdat ˋze niet wisten waartoe God hen bestemd had, hemel of verdoemenis. Hoe viel die angst te rijmen met het geloof in een genadige God? En nog iets: als je verwerping en verdoemenis enkel afhankelijk maakt van God, maak je hem dan niet tot een ‘auteur’ van het kwaad?’

Roman over Calvijn
In de roman Heilig Vuur van Frans Willem Verbaas staat dezelfde vraag centraal. Er is in het Calvijnjaar een groot aantal boeken over Calvijn verschenen, werkelijk teveel om op te noemen. Meestal zijn het studies over zijn bijbelse en theologische opvattingen. Er zijn kloeke delen onder, zoals de prachtige uitgave Johannes Calvijn, zijn leven, zijn werk. Daarin is niet alleen een schat aan illustraties opgenomen (het is daardoor ook een echt kijkboek geworden), maar ook een theologische biografie van de hand van prof. W. van ‘t Spijker, afgewisseld met ruim 30 opstellen die zich afzonderlijk laten lezen. Maar voor zover ik weet is het boek van de Schoonhovense predikant Frans Willem Verbaas de enige roman over Calvijn die recent in het Nederlandse taalgebied is verschenen. En ik kan niet anders zeggen: deze benadering brengt ons het leven van de 16e eeuw dichter op de huid dan menige historisch-wetenschappelijke verhandeling.
De ik-figuur in deze roman is Henri De la Mare, die ooit in Genève collega van Calvijn is geweest. Er is van hem wel iets bekend, maar toch zo weinig dat de auteur voldoende ruimte had om de hoofdpersoon zelf in te kleuren. Bovendien is bekend dat er tussen Calvijn en De la Mare spanningen zijn ontstaan, die er zelfs toe hebben geleid dat de laatste als predikant van Genève is ontslagen.
In dit spanningsveld speelt de roman zich af.

Wij kennen Calvijn vooral als de reformator die in heel Europa werd bewonderd om zijn wijsheid en invloed. Maar Verbaas laat zien hoe er in Genève ook veel weerstand is geweest tegen ‘die Fransman’ die ons hier de les komt lezen. Door zijn beschrijving proeven we wat het optreden van Calvijn (in de roman steeds aangeduid met zijn Franse naam: Jean Calvin) betekende voor het dagelijks leven in de stad, en hoe groot zijn invloed is geweest. Onder zijn bekwame leiding was de stad tot grote bloei gekomen, dat moet zelfs De la Mare aan het eind erkennen: ‘Genève was erin geslaagd zijn zelfstandigheid te bewaren. Overal werd gebouwd. Winkels en werkplaatsen waarvan de eigenaren gedurende de pestjaren de luiken en de poorten hadden gesloten, waren weer in bedrijf. Er kwamen zelfs allerlei nieuwe bedrijven bij. De faam van Genève als evangelische vrijstaat reikte inmiddels tot in de uithoeken van Europa, tot in het verre Schotland toe. Van heinde en verre stroomden jonge mannen toe om Calvin met eigen oren te horen preken en doceren… De stad bloeit. Alleen, het is onze stad niet meer’.
Want denk niet dat de inwoners van Genève onverdeeld ingenomen waren met Calvijns strenge optreden. Binnenshuis, in een ontmoeting tussen vrienden lopen de discussies hoog op! De een klaagt: in het leprozenhuis hangt tegenwoordig een vrolijker sfeer dan in de stad, nu onze nieuwe hoofdpredikant erin geslaagd is om alle Geneefse touwtjes in handen te krijgen. Calvijn met zijn consistorie is ‘niets anders dan de wederopstanding van de inquisitie in een nieuwe gedaante’. Natuurlijk treedt Calvijn hard op, zegt een ander, maar vergeet niet dat Genève hem nadrukkelijk heeft uitgenodigd om de rust en de orde in onze stad te herstellen. ‘En natuurlijk is hij fel in het toezicht op onze zeden, maar vergeet niet dat iedereen de laatste tijd maar deed wat goed was in zijn ogen. Calvin verwijten dat hij streng is, is hetzelfde als een chirurg verwijten dat hij een scherp mes gebruikt om een pestbuil open te snijden’. Waarop de eerste woedend reageert: ‘je vergeet één ding, namelijk dat Calvin een buitenlander is. Een Fransman. En let op mijn woorden: als wij niets doen, wemelt het straks in Genève van de Franse langjurken die ons vanaf de kansel vertellen hoe wij moeten leven’.

Aangrijpend is het verhaal van de vrouw van De la Mare die door de pest wordt getroffen. Gedurende veertig dagen zijn ze van de buitenwereld afgesloten, hij mag haar zelfs in zijn eigen huis niet bezoeken. ‘Onophoudelijk cirkelden mijn gedachten om het bed waarin Clauda een voet of tien boven mij moederziel alleen voor haar leven lag te vechten. En er was niets dat ik voor haar kon doen. Gek werd ik van de spanning, gek van steeds dezelfde hersenspinsels. Na opnieuw drie dagen was ik ervan overtuigd dat het leven van een mens hierop neerkwam: hij wordt geboren en meteen vanaf zijn geboorte begint hij te sterven. Bij de een duurt het stervensproces slechts enkele dagen of weken, bij de ander duurt het een paar maanden of jaren, bij weer een ander wel vijf of zes decennia, maar uiteindelijk komt het allemaal op hetzelfde neer: leven is snel of langzaam sterven. Elk levend wezen is een stervend wezen en elke samenleving is een gemeenschap van mensen die samen stervende zijn, een samensterving.’ De roman beschrijft de (in onze ogen onbegrijpelijke!) medische middelen die beproefd worden om de ziekte te bestrijden en geeft een indruk van de geweldige impact die ze op de hele samenleving heeft.

Het conflict tussen Calvijn en De la Mare, dat er uiteindelijk toe heeft geleid dat De la Mare als predikant van Genève is ontslagen, gaat vooral over de dubbele predestinatie (verkiezing én verwerping). Hij kan de doctrine dat God aan het begin der tijden sommigen van de nietswaardige mensen tot de zaligheid en anderen tot de eeuwige verdoemenis heeft voorbestemd, niet aanvaarden. ‘Meester Calvin, hoe kunt u telkens weer met zoveel vuur spreken over die afschuwwekkende doctrine die leer dat God, zonder acht te slaan op deugd of vroomheid, het merendeel van de mensen onherroepelijk naar de eeuwige verdoemenis laat gaan’. Later in het gesprek is het Calvijn die de vragen stelt: waarom raakt de één besmet met de pest en de ander niet? Waarom is uw vrouw genezen van de pest, terwijl de meeste pestlijders sterven? Aan twee mensen wordt de zuivere religie verkondigd; de een aanvaardt de zuivere leer, de ander verwerpt haar. Waarom is dat? ‘En zo zou ik u, De la Mare, talloze vragen kunnen stellen waarop u het antwoord niet weet, omdat dat antwoord ons menselijk verstand te boven gaat. Er zijn geheimen in dit leven en een van die geheimen is dat God de een geeft wat Hij de ander onthoudt. En daar kan geen mens, al is zijn wil nog zo vrij, of al koopt hij nog zoveel pauselijke aflaten, of al is hij nog zo vroom en deugdzaam, iets aan veranderen’.
Aan het eind van het debat, waarin het hard tegen hard gaat, neemt het verhaal een verrassende wending – en dat vond ik het meest ontroerende moment in het boek. Calvijn zegt: “U komt nu met mij mee, ik zal u nu de genade van God in levenden lijve tonen”. Ik keek aarzelend om mij heen. Wat wilde Calvin van mij? Waarom kwam geen van mijn collega’s mij te hulp? Waarom zaten ze allen te zwijgen als bange lammeren? “Waar wilt u mij mee naartoe nemen?” Calvin richtte zich tot de overige aanwezigen: “U, broeders, wacht hier op mij. Ik ben niet lang weg. En u, De la Mare, u volgt mij!” Zonder op mij te wachten beende Calvin de zaal uit’.
Calvijn neemt hem mee naar een krankzinnige, in een kot op de binnenplaats van een drukkerij. ‘Calvin opende de deur. Vanwege de stank die op ons afkwam, bedekte ik mijn neus met mijn mouw. Gabriel kwam overeind van zijn versleten stromatras. Om zijn hals de ijzeren ring, met daaraan de rinkelende ketting. Hij bewoog zijn grote, onregelmatige hoofd schokkend heen en weer.’ Calvijn liep naar hem toe en legde een hand op zijn schouder. Wij kennen elkaar, hij heet Gabriel, net als de aartsengel. Als ik in de drukkerij kom ga ik vaak even bij hem kijken. Vrijwel niemand van ons is in staat om Gabriel als een medemens te zien. Door zijn medemensen wordt hij verworpen. Maar wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren. ”Alleen God is in staat zich niets aan te trekken van de mankementen van zijn schepselen”, vervolgde Calvin, “want God neemt alleen redenen uit Zichzelf. Dát is zijn genade”. Calvin wees met zijn ene hand naar Gabriel en legde zijn andere hand op zijn borst. “Ik wil zeggen dat het heel goed mogelijk is dat deze miserabele een uitverkorene Gods is, en dat ik een verworpenen ben. Ziet u nu hoe troostend de predestinatieleer kan zijn voor iemand als Gabriel?”.

De hele roman wordt gekenmerkt door een houding van kritische reserve ten opzichte van Calvijn maar tegelijk van grote bewondering. En juist de spanning tussen die beide maakt het boek boeiend en leerzaam.

Naar aanleiding van:
Bas, Woord en Dienst, Boekencentrum 2008
Calvijn!, Boekencentrum 2009
Arminius. Voorvechter van de vrije wil, Boekencentrum 2010
Willem Balke, Jan C. Klok, Willem van ‘t Spijker, Johannes Calvijn, zijn leven, zijn werk, Kok 2008
Frans Willem Verbaas, Heilig vuur, Mozaïek 2009

Dr. Piet van den Heuvel is emeritus predikant (PKN) en is redacteur van Kontekstueel

Afdrukken