nr5 • 2010 • Tussen Mokum en Jeruzalem

mei 2010 (24e jaargang nr. 5)

Tussen Mokum en Jeruzalem
Psalm 87

S. Schoon

De meeste lezers van Kontekstueel zijn waarschijnlijk in Nederland geboren. Pars pro toto voor Nederland staat Mokum, de naam die de Joden aan Amsterdam gaven toen ze op de vlucht waren voor de Inquisitie. Mokum komt van het Hebreeuwse HaMakom, dat de plek, de veilige plaats betekent. Voor Joden is HaMakom ook één van de namen van God. Een erenaam! Amsterdam staat als hoofdstad voor het geheel van Nederland. Zo zou je kunnen zeggen: ‘Ieder van ons is in Mokum geboren.’ Dat kan ook van niet-Nederlanders gezegd worden die in Marokko of Suriname geboren zijn.

Het is een soortgelijke manier van spreken als in Psalm 87: ‘Ieder van hen is in Sion geboren’. Dat gold namelijk ook niet in letterlijke zin voor alle aangesprokenen in die psalm. Zeker niet voor de mensen die uit Egypte, Babel of Filistea afkomstig waren. Maar Jeruzalem is de plek van hun symbolische thuis.

Domicilie
In het buitenland is Amsterdam vaak als enige Nederlandse stad bekend. Alle Nederlanders worden verondersteld uit Amsterdam afkomstig te zijn. Maar ieder van ons heeft ook zijn of haar eigen Mokum, bijvoorbeeld Friesland, Limburg of Noord-Holland. Of Marokko of Ethiopië. De plaats waar je vandaan komt, waarvan je weet hoe het er ruikt, je oorsprong. Voor velen is dat hun geboortegrond, daar waar je ingeschreven bent in het geboorteregister. Maar jouw hoogst eigen Mokum hoeft natuurlijk niet per se je geboorteplaats te zijn. Het kan ook de plek zijn waar je je het meest thuis voelt, waar je voor je gevoel je domicilie hebt, en vooral: waar je je veilig voelt. Zo’n plaats heeft een specifieke geur, een bijzondere eigenheid. Dat is voor de één de zeewind, voor de ander de weilanden van Noord-Holland, voor weer een ander de bergen van Marokko. Je afkomst, je geboortegrond, je oorspronkelijke Mokum, raak je nooit kwijt, hoever je ook reist of verhuist. Naarmate je ouder wordt, besef je dat steeds duidelijker.

Erbij horen
In Psalm 87 gaat het ook over geboortegrond. Over de stad Jeruzalem, die met haar erenaam Sion wordt genoemd. Die stad steekt volgens de psalm uit boven alle andere steden van het land Israël:

Boven alle steden van Jakob
heeft de Heer de poorten van Sion lief,
zijn vesting op de heilige bergen.
Van u wordt met lof gesproken,
stad van God.

Je kunt je natuurlijk storen aan die speciale positie van Sion, die kennelijk berust op een soort verkiezing van Godswege. Maar als we vroeger die psalm zongen in de kerk van mijn geboortegrond, dan kreeg ik juist het bijzondere gevoel dat ook ik er echt bij hoorde. In de woorden van de oude berijming:

De Filistijn, de Tyriër, de Mooren
zijn  binnen u, o Godsstad voortgebracht;
van Zion zal het blijde nageslacht
haast zeggen: ‘deez’ en die is daar geboren’.

Het klonk geheimzinnig: ‘de Tyriër, de Mooren’. Maar ik begreep wel dat ík er echt bij mocht horen; dat ik ook iets met Jeruzalem had. En al leerde ik later dat in Psalm 87 juist de vijanden van het volk Israël werden opgesomd, toch begreep ik dat die vijanden kennelijk vrienden waren geworden en zich voortaan thuis mochten voelen in Jeruzalem. En het begon me te dagen dat je je dus niet hoefde te generen voor je afkomst. Want ook heidenen-van-huis-uit mochten zich thuis weten in de Godsstad. En er is immers ook veel moois en goeds in de cultuur en gewoonten van Egypte en Filistea, van Broek op Langedijk en Gouda, van Amsterdam en Praag, van Gaza en Ramallah. Alles kan niet zomaar als ‘heidendom’ of - nog erger - als ‘afgoderij’ worden afgedaan.1

Mokum bij uitstek
Onze afkomst heeft ook vaak een spirituele geur. Dat wat je geleerd hebt uit de kinderbijbel, op school en in de kerk. Ook als je denkt dat je dat allemaal over boord hebt gezet, kan het zich zomaar weer melden. Dat kunnen de woorden zijn van de psalmen in de oude berijming. Maar ook de geur van pepermunt of de herinnering aan de verveling onder de lange preken. Voor een ander misschien de geur van wierook, en de sfeer van kaarsen, liturgie en gregoriaans. Of voor Joden de geur van kippensoep op sjabbatavond of de smaak van Hamansoren op het Poerimfeest. Soms vermengen die geuren zich later in je leven en levert dat een inspirerende combinatie op. Zo kun je rituelen uit de wereldwijde oecumene samen laten gaan met de voorliefde van protestanten voor het Woord en met het leren van de rijkdom en wijsheid van de joodse traditie.
Hoe mooi het gevoel van verbondenheid met je geboortegrond ook kan zijn, of - ja, dat moet ook gezegd worden - hoe ellendig de herinneringen ook kunnen zijn aan je afkomst en opvoeding, voor ons allemaal geldt die bijzondere verbondenheid, waarover Psalm 87 spreekt. Als door een magneet worden we aangetrokken door Jeruzalem, door Sion, door Mokum bij uitstek. Van deze magneetfunctie getuigde de dichter van Psalm 87 met visionaire bewoordingen in de tijd na de ballingschap. Al eerder hadden profeten als Micha en Jesaja die aantrekkingskracht van Sion als toekomstdroom bezongen. Er zou een beweging op gang komen van de volken naar Sion, een pelgrimage naar Jeruzalem. Daar zouden ze onderricht ontvangen - een workshop in vredeskunde. Ze zouden daar hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. En geen mens zou meer weten wat oorlog is.
De zanger van Psalm 87 actualiseerde na de ballingschap dit grootse profetische visioen. Hij zag voor zijn ogen gebeuren dat Joden uit de diaspora en proselieten uit de volken optrokken naar Jeruzalem. Hij werd er zo door gegrepen dat hij de namen opsomde van al die volken, de vijanden van weleer. Mensen uit die landen mochten nu als pelgrims thuiskomen in de Godsstad. Voor hen werd Sion het unieke Mokum. De dichter zag voor zijn geestesoog God zelf als ambtenaar van de burgerlijke stand hun namen inschrijven: ‘Ook dit volk is hier geboren’. Ze mochten geestelijk thuis zijn in Sion. Hij raakte er door in extase. Voor zijn ogen zag hij het gebeuren: Ze dansten allen uitbundig in Sion. En zongen: ‘Mijn bronnen zijn alleen in u’.

Thuiskomen
Dit profetische visioen is in het Nieuwe Testament overgenomen en doorgetrokken. Dat wordt zichtbaar op het Pinksterfeest in Jeruzalem. Feitelijk was dat op het joodse Wekenfeest, op Sjawoeot, vijftig dagen na Pesach, de dag van het geschenk van de Tora. Joden en proselieten uit de hele toenmalige wereld waren in Jeruzalem samengestroomd. Een lijst namen wordt opgesomd: Parten, Meden, Elamieten, mensen uit Egypte en Arabië, en nog veel meer, net zoals in Psalm 87. Ze hoorden allemaal in hun eigen taal spreken over de grote daden van God. Vertegenwoordigers van de zeventig volkeren, die volgens de joodse traditie aan de voet van de Sinaï stonden toen de Tora werd geschonken, waren nu in Jeruzalem vertegenwoordigd.
We lezen dit verhaal pas goed, als we beseffen: ook wij stonden er bij. Onze taal werd daar gesproken. Ook voormalige Kaninefaten, Germanen en Batavieren mogen thuis komen in Jeruzalem. Een fascinerend beeld voor het gemeente zijn! Kerk zijn is: door de doop erbij geroepen heidenen krijgen brood en wijn in Sion. We raken thuis in de Schriften, die van ver gekomen zijn - uit een andere tijd, een ander land, een andere cultuur. We mogen een plek vinden, een Mokum in Gods hart. En dat alles door de Jood Jezus die ons de weg heeft gewezen en die weg tot het einde toe is voorgegaan. Zo hebben we deel gekregen aan de aan Israël geschonken verwachting en strekken we ons uit naar het Koninkrijk van God (om het ook eens met de taal van het eerste artikel van de protestantse kerkorde te zeggen). Zo leren we wat gerechtigheid is en vrede.

Haaks op de werkelijkheid
Wordt dit niet te romantisch en zweverig? Is dit niet een al te groots en daarom onrealistisch visioen? Dit soort dromen wordt toch dagelijks door het nieuws weersproken? Ook het nieuws uit het hedendaagse Jeruzalem. Zo had ik ooit eens mijn eigen visioen, in de lijn van die dichter van Psalm 87, zittend boven op de Damascuspoort in Jeruzalem. Onder mij zag ik op vrijdagmiddag Joden naar de Westelijke Muur gaan om de sjabbat te begroeten. Daar liep een groep christenen zingend een kruis te dragen over de Via Dolorosa. En moslims keerden terug van hun vrijdaggebeden in de Al-Aqsa Moskee. Het leek een eigentijdse versie van het visioen van Psalm 87. Totdat ik nauwkeuriger toekeek. En ik de angst zag in de ogen van de mensen. De verschillende groepen mensen keken elkaar niet in de ogen; ze groetten elkaar niet. Militairen hielden met hun geweren de menigte in de gaten. Elk ogenblik zou er een bom kunnen ontploffen. Nee, het was nog geen vredesworkshop in Jeruzalem. Het visioen verdween achter de horizon. En ik vroeg me af: Zou het in de tijd van de zanger van Psalm 87 anders geweest zijn? Meestal zijn visioenen namelijk verhalen, die haaks staan op de werkelijkheid. Máár: daarom moet je die dromen nog niet loslaten! Ook het hedendaagse Jeruzalem met zijn tegenstellingen, angsten en trauma’s blijft verwijzen naar die droom. Jeruzalem is allereerst een stad op aarde. Haar particulariteit verwijst naar Gods universaliteit. Niemand mag Jeruzalem voor zichzelf alleen claimen.

Heen en weer
De kerk heeft Israël niet vervangen. De christelijke gemeente is niet in de plaats gekomen van Jeruzalem. Het visioen van Sion blijft ons allen roepen en wenken, zowel Joden als christenen. Zo mogen we als christenen de woorden van Psalm 87 lenen en ook lezen als een aansporing tot een open gemeente. Een kerk uit Egypte en de Palestijnse gebieden, uit Amsterdam en Gouda, zowel mannen als vrouwen, kinderen en ouderen, zowel hetero’s als homo’s, zwarten en blanken. Allen ingeschreven in Sion. Soms zie je even iets van de realisering van die droom. Dan licht het op dat we onze eenheid vinden in de verbondenheid met Sion, niet zozeer met Genève, Wittenberg of Rome. Maar als we eenmaal aangekomen zijn in Sion, dan worden we er weer op uit gestuurd. Volgens Handelingen 2 hebben al die mensen dat ook ervaren die ter gelegenheid van het Wekenfeest in Jeruzalem waren, waar ze ieder in hun eigen taal werden aangesproken.
Eenmaal goed en wel door de Geest ingeschreven in Sion, werden ze weer teruggezonden, naar Egypte en Arabië, naar Filistea en Etiopië, ieder naar hun eigen Mokum. En later werden ze nog verder gestuurd, naar de uiteinden van de aarde, zelfs naar Friesland en Twente, naar Amsterdam en Gouda. Ze werden voortgedreven door de wind van de Geest. En steeds wijdere cirkels werden er getrokken - met Jeruzalem als blijvend middelpunt. Zo bleef er een ook wederzijds aangetrokken worden tussen Mokum en Jeruzalem. Zoals Jacob Israël de Haan gedicht heeft:

Die te Amsterdam vaak zei: ‘Jeruzalem’
En naar Jeruzalem gedreven kwam
Hij zegt met een mijmerende stem:
‘Amsterdam, Amsterdam’.

Om er het heen en weer van te krijgen. In die beweging staan wij vandaag nog. Zo mogen we gemeente van Jezus Christus zijn en worden. In vieren, leren en dienen. Zo mogen we zingen van de bronnen in Sion, en soms zelfs dansen. Zo mogen we telkens weer de ervaring opdoen, dat we ten diepste veilig zijn in God zelf, dé Plaats - ons Mokum voor nu en altijd.

Dr. Simon Schoon is emeritus predikant (PKN) en was o.a. werkzaam in Nes Ammim en voor Kerk en Israël en bijzonder hoogleraar voor de leerstoel judaïstiek ThUK

Noot:
1. Vgl. H. Vreekamp, Zwijgen bij volle maan. Veluwse verkenning van Edda, Evangelie en Tora, Zoetermeer 2003.

Afdrukken