nr6 • 2010 • Schuld en godsdienst volgens ‘brain-talk’

juli 2010 (24e jaargang nr. 6)

Schuld en godsdienst volgens ‘brain-talk’

 

P.J. Verhagen

Voor de evolutiebiologen en cognitieve psychologen is het allemaal niet zo ingewikkeld. Dat alle religieuze tradities zich op een of andere manier bezighouden met moraliteit, de mens als sociaal wezen en de daarbij behorende gedachten, daden en emoties (inclusief schuld) is heel begrijpelijk. En dat niet alleen, het is nog functioneel ook. Je moet dat echter niet zozeer proberen te benaderen en te begrijpen vanuit die religies, die zijn slechts bijzaak.

Je moet kijken naar hoe wij ons evolutionair gezien ontwikkeld hebben. En vooral naar hoe de even complexe als fascinerende architectuur van onze hersenen zich ontwikkeld heeft, waardoor we zijn zoals we zijn. Want het zijn onze hersenen die zo gebouwd zijn dat moraliteit, en alles wat daarbij hoort, mogelijk is geworden. Het is datzelfde brein dat de gedachten aan god en goden mogelijk maakt. Met andere woorden: het gaat om ‘brain-talk’, zoals dat vandaag heet.
De neurowetenschappen hebben een hoge vlucht genomen en de invloed daarvan is steeds meer te merken. Het brein komt steeds meer in ons leven. We hebben niet alleen een brein, we zijn ons brein. We konden al wel langer tegen elkaar zeggen: het zit tussen je oren. Maar inmiddels is dat van ‘psychisch’ steeds meer verschoven naar ‘brein’. Zo heeft de ‘brain-talk’ ook haar intrede gedaan in de godsdienstwetenschap. Ik probeer het kort (al heeft het iets van een omweg) samen te vatten, zonder meteen moord en brand te gillen.

Sociale wezens, sociale intelligentie
We kunnen beginnen bij het eenvoudige gegeven dat mensen afhankelijk zijn van elkaar voor hun fysiek, psychisch en emotioneel welbevinden. En vergeleken met andere soorten hebben wij ons daar veel verder in ontwikkeld, wat misschien ook wel de reden is van ons succes als soort. Het is niet alleen dat we intelligenter zijn, we zijn sociaal intelligenter. Ons brein is toegerust met het vermogen om wederkerigheid te gebruiken. Daarom spreken we van sociale intelligentie en over onze ‘mind’ als ‘social mind’ (lastig te vertalen). Eenvoudig gesteld zijn voor dat sociale functioneren met alles wat erbij hoort twee zaken fundamenteel: samenwerking en informatie.
We zijn in eindeloos veel opzichten op elkaar aangewezen en hebben het nodig om elkaar te helpen. En om dat goed te kunnen hebben we informatie nodig. We zijn geneigd samen te werken in taken en relaties die wederkerig de moeite waard zijn, met mensen die we betrouwbaar genoeg achten om hun aandeel te leveren. En we hebben onze afwegingen om te kiezen welke taken of relaties we de moeite waard vinden, en welke mensen we betrouwbaar genoeg vinden op basis van informatie die we voortdurend proberen te vergaren en te ‘updaten’. En tegelijk is het ook weer waar dat we afhankelijk van anderen zijn, die ons die informatie verschaffen.

Godsdienst moet sociaal zijn
Wat heeft dit met godsdienst te maken? Alles. In godsdienst is het niet anders. Het feit dat god en goden ons sociaal bewustzijn (‘social mind’) voor zich innemen is heel functioneel. Het laat ook zien waarom religies succesvol zijn. Immers contra-intuïtieve concepten (zoals god en goden in dit jargon heten) hebben enerzijds voldoende overeenkomsten met ons als mensen (bv persoon zijn, intelligentie) en anderzijds eigenschappen en mogelijkheden die de onze ver te boven gaan (en dus tegen onze intuïtie ingaan, vandaar de term).
Voor de cognitief psychologen staat één ding vast. Wat theologen ook aan moois en bijzonders over god en goden weten te zeggen, het zijn de sociale eigenschappen en vaardigheden van goden die gewone mensen aanspreken. Dus theologen kunnen wellicht prachtige dingen zeggen over bijvoorbeeld de onbewogenheid van god en goden, maar mensen zullen daar weinig mee hebben. Volgens de cognitief psychologen zijn de meest aansprekende goden: sociaal, praktisch van aard en minder dramatisch dan in menig theologisch boek.
Nu stelde ik hierboven dat informatie in het sociale functioneren essentieel is. Wat maakt god en goden wat dat betreft nu zo bijzonder en aansprekend? Dat is precies dit punt, namelijk wat ze weten en hoeveel ze weten. Dat is vervolgens weer belangrijk voor de consequenties die dat heeft voor ons handelen en samenwerken.

Strategische informatie
Het is duidelijk dat degene die met het oog op samenwerking over de meest adequate informatie beschikt in het voordeel is. Deze informatie wordt daarom ook wel strategische informatie genoemd. De mentale operaties die eraan ten grondslag liggen zijn natuurlijk onbewust, maar ondertussen wel hoog ontwikkeld. Hoe zouden we anders de complexiteit van deze wereld en haar relaties aankunnen? Wat precies strategische informatie is en wat niet, is natuurlijk niet zo te zeggen. Dat hangt helemaal af van de situatie. Bovendien weten we veelal niet of niet genoeg over welke informatie de ander beschikt; lastig dus. We weten sowieso niet alles! Maar god en goden wel, die hebben toegang tot alle informatie en weten alles. Dat is van alle tijden en plaatsen. Het betekent overigens lang niet altijd dat goden slim of goed zijn, maar ze hebben alle strategische kennis en dat houdt mensen - al dan niet op een prettige manier - in hun ban.
U voelt natuurlijk wel aan wat er gebeurt als je geconfronteerd zou worden met iemand die alles van je weet. Gelukkig bestaat dat niet. Er zijn gemiddeld altijd maar een paar mensen die zo dichtbij staan, dat ze bijna alles van ons weten. Trouwens, zei Augustinus niet dat een vriend iemand is, die alles van me weet en toch van me houdt? Zulke mensen zijn ondertussen heel belangrijk en zoiets bestaat ook alleen bij de gratie van vertrouwen, wederkerigheid en loyaliteit. Inbreuk daarop geeft grote problemen.
Ik moet er nog een aspect aan toevoegen als het gaat om die strategische informatie. Die informatie zal veelal geen neutrale informatie zijn, niet waardevrij. Strategische informatie bevat dikwijls waardeoordelen over mensen en gebeurtenissen. En dat geldt zeker voor god en goden. Zij hebben een moreel perspectief, oordeel over het gedrag van mensen. Kunnen we onze medemens nog een beetje op afstand houden of om de tuin leiden, met goden of voorouders gaat dat niet.
Sommige moeders maakten daar gebruik van in de opvoeding: ik kan niet alles zien, maar de Here God ziet alles hoor! Misschien dat iemand zich nog herinnert hoe weinig plezierig, maar toch wel effectief dit pedagogisch vermaan was. God ziet het hart! En, zeggen de cognitief psychologen, is het feitelijk niet waar dat dit eigenlijk vanzelfsprekend is. Jazeker, zeggen ze, want het is een natuurlijke gevolgtrekking van ons sociaal bewustzijn, zo zit ons brein in elkaar. Religies sluiten daar naadloos op aan. En zo gebeurt het ook dat diezelfde god en goden bij mensen, evenals bij mensen onderling, emoties oproepen. Emoties als schuld of dankbaarheid die de morele onderbouwing van het sociaal verkeer (wat goed en fout is) onderhouden.       

Schuld
Schuld staat onverkort voor het overtreden van een regel, maar ook als inbreuk op de samenwerking. En we zagen hoe fundamenteel juist die samenwerking is voor sociale wezens zoals wij zijn. Schuld is wat we over ons afroepen als we bedriegen of in het algemeen de samenwerking schade toebrengen of in gevaar brengen. Dat geldt achteraf, maar ook vooraf. Schuld helpt ook om vooraf de nadelen van bedrog te bedenken, zodat het minder verleidelijk wordt. Dankbaarheid daartegenover is geassocieerd met positieve samenwerking met anderen, terwijl bedrog misschien best mogelijk was geweest.
In de psychiatrie en psychotherapie zijn typische situaties voor schuldgevoelens situaties waarin men in termen van zelfcontrole zichzelf tegenvalt. Ik zou moeten studeren, maar doe het niet. Ik zou niet zoveel moeten eten, maar kan het niet laten en voel me schuldig over mijn vreetbuien.
Daarnaast spelen natuurlijk altijd inbreuken op interpersoonlijke relaties als bron van schuldgevoelens. Er is echter nog een aspect te onderscheiden. Schuldbesef of schuldgevoel staat ook voor een besef van eigen aandeel, inzicht in de problematiek. En iemand die in termen van schuld inzicht heeft, en zijn eigen aandeel onderkent, zal bereid zijn iets (aan zichzelf) te willen veranderen. In de psychiatrie onderzoeken we dat allemaal in het kader van een stoornis. Schuldgevoelens hebben we op z’n tijd in meer of mindere mate allemaal. In geval van een stoornis zijn die schuldgevoelens, die we wel kennen, veranderd. Ze zijn vaak heftiger of intenser geworden. Ze komen veel vaker voor en gaan gepaard met allerlei anderen verschijnselen en symptomen, bijvoorbeeld depressiviteit.
Behandeling volgt eigenlijk alleen pas indien er sprake is van zo’n stoornis. En inderdaad maakt het nogal verschil vanuit welke optiek een psychiater of psychotherapeut daar tegenaan kijkt. Het is een heel verschil of schuldgevoelens bekeken worden tegen de achtergrond van al dan niet verwrongen levensverhalen (en geloofsopvoeding), of dat er sprake is van een stoornis in het brein. In de eerste benadering zal het accent veel meer liggen op de persoon in kwestie, in het tweede geval doet de persoon er veel minder toe. In de eerste opvatting moet ‘iets’ verwerkt worden. In de tweede benadering moet ‘iets’ zo snel mogelijk ophouden. Aan de andere kant past enige relativering hier wel: het blijft altijd nog ‘pillen en praten’, en over beide bestaan de nodige twijfels.

Een nieuw verhaal
De neurowetenschappen hebben ons aan een nieuw narratief, een nieuw verhaal geholpen: het breinverhaal. Ons brein straft ons, zo heet het. Het breinverhaal blijkt een in alle opzichten kritisch verhaal te zijn. Want dat breinverhaal gaat niet alleen over de wondere en mysterieuze wereld van het brein, het gaat ook over wat we tot nu toe voor waar hielden over onszelf en ons doen en laten. Met de zogenaamde beeldvormende technieken, hersenscans kort gezegd, zijn we op zoek gegaan naar de mechanismen in het brein die ten grondslag liggen aan samenwerking en competitie, geweld en religiositeit. De impact daarvan is groot.
En hoe zit het nu ten aanzien van religie? Inderdaad mensen zijn onverbeterlijk religieus. Echter, om het met de titel van het boek van Guus Labooy te zeggen, is het nu ‘Waar geest is, is vrijheid’? Of is het: ‘Waar geest is, is de illusie van vrijheid’? Illusie, omdat het een ‘truc’ van het brein is. Een knappe truc, ingenieus ook, maar wij hoeven ons ondertussen niet veel te verbeelden. Hoe zal dat verhaal nu verder gaan? We staan nog aan het begin, denk ik.

Drs. Piet Verhagen is theoloog en psychiater

Afdrukken