nr1 • 2009 • Kroniek

september 2009 (24e jaargang nr. 1)

Kroniek 

Besturen nieuwe stijl
drs. P.J. Verhagen

Negen jaar maak ik deel uit van het bestuur van een christelijke onderwijsinstelling voor voortgezet onderwijs en ben nu aan het eind van mijn tweede termijn gekomen. Ik ga dus stoppen. Daarom wil ik er iets over vertellen. Het rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek ‘Religie aan het begin van de 21ste eeuw’ is daar ook wel een mooie aanleiding toe. Ik doel op het vrijwilligerswerk in verband met religie en maatschappelijke betrokkenheid.

De sportvereniging is het meest populair (12%). Het vrijwilligerswerk in kerkelijk en levensbeschouwelijk verband komt op de tweede plaats (9%). Onderwijs staat op de derde plaats (8%). PKN-ers spannen de kroon met 63%, maar zijn bepaald niet alleen maar vrijwilliger op kerkelijk of levensbeschouwelijk gebied.  Ik neem aan dat mijn vrijwilligerswerk als bestuurder in het onderwijs in de derde groep valt. Ik weet niet of de kerk, de gemeente wel zoveel aandacht heeft voor al dat vrijwilligerswerk. Mij is er in ieder geval nog nooit naar gevraagd. Moet dat dan? Nou ja, er lijkt een link te liggen met kerkelijk betrokkenheid en levensstijl en dat is toch een voornaam aandachtspunt. Bovendien draagt het bij aan sociale cohesie. En wat dat betreft bood het rapport ‘breaking news’. Godsdienst draagt bij aan vertrouwen in de samenleving. Dat heet sociaal vertrouwen; ook dat blijkt het hoogst onder PKN-ers.  Vertrouwen staat hoog genoteerd. Is dat belangrijk? Nu ja, ik zou zeggen, daar werken we wekelijks aan in de samenkomsten van de gemeenten, aan geloven dat niet alleen weten is maar ook vertrouwen, in God en in de naaste. Wij oefenen ons in dat vertrouwen, en blijkens de statistiek doen we, en wij niet alleen, dat helemaal zo slecht nog niet.      

Latijnse school – mooie school
Nu kan iedereen zien waar ik woon, dus ik ga niet ingewikkeld doen en ik schrijf geheel, als altijd, op persoonlijke titel. Zoveel christelijke instellingen voor voortgezet onderwijs telt Harderwijk niet. Het gaat om het Christelijk College Nassau-Veluwe (CCNV), dat dit jaar het 90- jarig bestaan viert. Trouwens, sommige enthousiastelingen, die terecht trots zijn op de school, laten de geschiedenis van de school en haar voorlopers, teruggaan tot in de middeleeuwen (de Latijnse school, 1373-1600). Overigens was het Maurits, die de naam Nassau aan de school verbond; een kwestie van geld.
Het is geen overdreven grote school met zo’n 1500 leerlingen, maar altijd wel gezichtsbepalend voor Harderwijk, met (tot voor kort nadrukkelijker) een duidelijke streekfunctie. Het is eigenlijk net zo’n school als waar ik indertijd zelf op heb gezeten, het christelijk lyceum in Gouda, met een havo, atheneum en gymnasium. Ik kwam in het bestuur doordat de toenmalige penningmeester, met wie ik in de kerkenraad zat, mij vroeg toe te treden. Voor mij was het een geheel nieuw terrein. Maar als je voor zoiets gevraagd wordt, moet je wel heel goede redenen hebben om het niet te doen. Die redenen had ik niet. Ik kende de school als ouder, omdat onze vier kinderen er (inmiddels) hun diploma hebben behaald.
Mijn tijd als bestuurder laat zich wel heel nadrukkelijk in twee perioden onderscheiden. De eerste periode, die samenvalt met mijn eerste termijn, was een rustige periode. Wij vergaderden regelmatig onder de gedegen leiding van een jurist, van wie ik de uitdrukking ‘stukken omleggen’ leerde. Dat was zo zijn zegswijze. Als een stuk afgehandeld was, dan konden we het ‘omleggen’. Waar je mee omgaat, daar raak je mee besmet. De moordenaar legt zijn slachtoffer om, de rechter stukken. De jaarlijkse bestuurlijke hoogtepunten, afgezien van het bestuursuitje, waren de bespreking van de jaarstukken en de algemene ledenvergadering, jaarlijks in november. Maar die jaarstukken met hun cijfers hadden niet mijn grootste interesse. En die ledenvergadering, met alle respect, stelde (veel te) weinig voor: een handjevol mensen, oudgedienden van de school veelal. Maar achter de schermen werd veel werk verzet op het gebied van goodwill en netwerken. De leden van het dagelijks bestuur verdienen daarvoor alle lof. Een enkele personele kwestie met juridische consequenties werd even vaardig als geruisloos uit de wereld geholpen.

Omslag
Wat de (ogenschijnlijke) rust en regelmaat in werkelijkheid in de school betekenden was geen vraag of punt van zorg. Twee dossiers zijn dat al die jaren wel geweest: de relatie tot het stadbestuur en de politiek en de gedateerde huisvesting van de school met alle problemen van dien. Noemt het maar gerust hoofdpijndossiers. Ondertussen, de school groeide gestaag.
Mijn tweede termijn, waarin ik vice-voorzitter werd met een nieuwe voorzitter - die ik inmiddels vervang wegens ziekte - is zo ongeveer het tegenbeeld van de eerste periode. Er kwam niet alleen een (deels) nieuw bestuur, er kwam een nieuwe rector, en er ging een nieuwe wind waaien. En terecht, want de school bleek met een cultuur waarin zo ongeveer iedereen over van alles mee praatte, en als het even kon ook mee besliste, tot stilstand gekomen te zijn. Dat bleek uit de resultaten. Dus de boel ging om, ook onze wijze van besturen. Ook al omdat het bestuur nu twee ondernemers telde, onder wie de voorzitter, in wier vocabulaire het woord ‘stilstand’ een onwelvoeglijk woord is of zelfs niet voorkomt. Daarmee ontstond een nieuw dossier: de school kraakte in al haar voegen, en dat werd/wordt de leiding niet in dank afgenomen. Zelfs oudgedienden meenden zich er al dan niet ludiek over te moeten uitlaten; niet over hun eigen aandeel natuurlijk. De examenresultaten verbeterden wel.   

Governance-idee
Het was natuurlijk niet slechts een kwestie van personele wisselingen. Er was de introductie van het principe van de ‘educational governance’, degelijk onderwijsbestuur. Dat hing al een tijdje in de lucht. Maar wij moesten toch ook wel even uitzoeken wat dat precies zou zijn. We lieten ons enigszins leiden door het volgende: Het doel van de bestuurlijke taak is namens een of andere achterban er op toe te zien dat de organisatie bereikt wat deze zou moeten bereiken en het onaanvaardbare vermijdt. Wij aan de slag! Want in deze omschrijving zit van alles waar wij zelden werkelijk woorden aan hadden gegeven. Wat is bijvoorbeeld ‘er op toe zien’? Dat is niet hetzelfde als hopen dat dingen wel goed zullen komen. Nee, dan moet je dus formuleren wat ‘ goed’ is. Wat zijn de criteria voor succes? En wie is daar verantwoordelijk voor? Maar dan moeten de verrichtingen ook te volgen, te monitoren zijn.  En daar zijn weer volgsystemen voor nodig. Ik kan u verzekeren dat het een hele operatie werd en een heel andere vorm van besturen met zich meebracht. Er ontstond in vergelijking met mijn eerste bestuurstermijn een heel andere en verrassende dynamiek in het ‘besturen op afstand’. Het begrip ‘op afstand’ bleek heel relatief.  
De Onderwijsraad adviseerde in 2004 en bestuurders in het christelijk onderwijs volgen dat via het ‘Maandblad van de Besturenraad voor managers, bestuurders en toezichthouders’. Dat governance-idee is overigens niet typisch voor het onderwijs. Het speelde al in het bedrijfsleven, de woningbouw en de gezondheidszorg. Wat doen die bestuurders nu eigenlijk, en doen ze wat ze doen ook goed genoeg? Deregulering of zelfregulering is mooi, maar het vertrouwen daarin staat danig onder druk. U herkent onmiddellijk het thema van het toezicht houden en de enorme actualiteit die dat heeft gekregen sinds uw geld en welvaart in geding zijn. En anders was u vermoedelijk ook wel enigermate aangedaan door het falende toezicht op een neuroloog die als arts alle perken te buiten ging, terwijl menigeen daarvan wist.

Degelijk bestuur
Een paar slogans over degelijk bestuur: het gaat om de kwaliteit van het bestuur (het besturend orgaan) en niet langer uitsluitend om de kwaliteit van het bestuurde - in ons geval de school. De vier pijlers van ‘educational governance’ zijn: integriteit, transparantie, toezicht en verantwoording. In 2008 verscheen vervolgens de ‘Code Goed Onderwijsbestuur’ in het voortgezet onderwijs, want goed onderwijsbestuur was intussen ook een maatschappelijk en politiek thema geworden. Deregulering had de autonomie en beleidsruimte voor besturen en instellingen doen toenemen. Daarbij was en is ook de vorm van toezicht een discussiepunt. De politiek vreesde dat door de toenemende verantwoordingsverplichting jegens de overheid de beheerslast, de bureaucratie en onoverzichtelijkheid navenant zouden toenemen, en dat zou gebeuren, wat men juist niet wilde: het ontstaan van hoftorentjes in de provincie.
Integriteit, transparantie, toezicht en verantwoording zijn dus de trefwoorden. Het is eigenlijk heel simpel: wie alles goed op orde heeft kan het ook goed uitleggen aan anderen.  Maar de overheid is er kennelijk niet gerust op. Er is een wetsvoorstel op komst, ‘Goed bestuur’ geheten. Het moet de minister de mogelijkheid bieden eerder te kunnen ingrijpen als de school onder de maat presteert. Voor bijzondere scholen kan dat betekenen dat de geldkraan dicht gaat. Of bestuurders/toezichthouders kunnen vervangen worden.

Religie als bindmiddel
Een ander dossier dat zich aandiende had alles te maken met de vraag naar een herformulering van de grondslag en de identiteit van het CCNV. De aanleiding om daarover in gesprek te gaan had alles te maken met het onderzoek naar de mogelijkheden om tot een (bestuurlijke) fusie te komen met het christelijk VMBO ter plaatse. Een dergelijk onderzoek en de daarmee uitgesproken intentie paste weer helemaal in de visie van de vereniging, die op papier zegt het belang van het christelijk voortgezet onderwijs te willen behartigen. Juist over deze materie verscheen in 2006 een interessant advies van de onafhankelijke Onderwijsraad, getiteld ‘De verbindende schoolcultuur. Hoe kan een gezamenlijke schoolcultuur verschillen overbruggen?’ Mij sprak daarin aan dat godsdienst (weer) aangemerkt wordt als bindmiddel binnen de schoolcultuur. Dat spreekt me daarom zo aan, omdat het ingaat tegen de heersende stroom in de samenleving. En dat het tij dus eerder gekeerd moet worden in de periode waarin jonge mensen opgeleid en gevormd worden om op een actieve verantwoorde wijze deel te gaan nemen aan de maatschappij. De religie als bindmiddel in plaats van een splijtzwam. Religie in een schoolcultuur die vertrouwenwekkend is (denk weer even aan mijn eerdere opmerking dat blijkens het CBS-rapport godsdienst kennelijk bijdraagt aan vertrouwen in de samenleving). In het rapport van de Adviesraad heet het dat ‘ de school, wier visie op het multiculturele karakter nauw samenhangt met levensbeschouwing en religie, zoekt vanuit de eigen (veelal christelijke) identiteit naar verbindingen en overeenkomsten met andere godsdienstige opvattingen. Zij accentueert deze identiteit in het onderwijs, in levensbeschouwelijke vorming, en in vaste gebruiken als dagopeningen, vieringen en acties voor goede doelen’.
Het CCNV staat vanouds bekend om haar ‘verbindend’ karakter, zoals dat uitkomt in betrokkenheid, persoonlijke aandacht en sfeer, samen betrokken in een inspirerende leer- en leefgemeenschap. Dat zijn niet maar woorden op papier, zo kijken mensen terug op hun tijd op het CCNV. Ondertussen trekt de kampioen in het atheïstisch fundamentalisme, Richard Dawkins – er is weer een nieuw boek van hem verschenen - zijn standpunt ook door naar het onderwijs: je mag kinderen en jongeren geen visie, en al helemaal niet een religieuze visie, voorhouden. Je moet liberaal denken, op voorwaarde dat je liberaal denkt. Weg verbindende cultuur, een gesloten wereldbeschouwing maakt de dienst uit. Religie is in deze visie slechts een (misleidende) cognitieve aangelegenheid, indoctrinatie geheten. Maar dat is niet de gangbare visie op religie noch een adequate benadering van de diverse aspecten van religie, samengevat als geleefde werkelijkheid.
In de benadering door de Adviesraad wordt het weer mogelijk dat jongeren in hun leren en vorming ontdekken dat levensbeschouwing en religie niet beperkt blijven tot het private domein, maar er ook in het publieke domein, hier en nu in de schoolcultuur, toe doen. Dat moet je hebben.

Eigen identiteit als vertrekpunt
Wij deden een poging deze gedachten mee te nemen in de nieuwe (poging tot) formulering van de identiteit: De school heeft als deelgemeenschap binnen een samenleving immers de specifieke taak om kennis, cultuur en competenties over te dragen aan de jonge generatie. Kinderen brengen in toenemende mate een diversiteit aan (sub)culturen en wereldbeelden mee. Juist daardoor wordt de vraag naar een gemeenschappelijke schoolcultuur des te relevanter. Wij namen aan dat godsdienst een belangrijke verbindende rol zou kunnen spelen. Om vervolgens te stellen: Daarvoor is het nodig dat de scholengroep (die ons voor ogen stond) een heldere visie formuleert, waaruit blijkt welke waarden belangrijk geacht worden, op welke wijze deze waarden relevant zijn voor en doorwerken in de onderwijsvisie, in leerdoelen en leerstof, welke helden (rolmodellen) en symbolen de gemeenschap representeren, en welke rituelen bijdragen aan de ontwikkeling en versteviging van de gemeenschappelijke schoolcultuur. Dit betekent dat kinderen kennis en inzicht krijgen in de christelijke levensovertuiging om te laten zien welke waarden en levenshoudingen daar bij horen. Dit is bedoeld om de ontwikkeling van kinderen in godsdienstige/levensbeschouwelijke zin te stimuleren om er mee verder te kunnen. En: Met de eigen identiteit als vertrekpunt komen andere overtuigingen en godsdiensten als gesprekpartners aan bod. Het doel is immers alle kinderen in staat te stellen op een zelfstandige wijze voor een al dan niet christelijke levenshouding te kiezen.
Natuurlijk was er discussie te verwachten en werd die ook gevoerd. Maar ik moet bekennen, dat ik toch wel diep geschokt was gegeven de intentie over het volgende. U moet weten dat het christelijk VMBO van oudsher wat behoudender in godsdienstige zin was/is dan het CCNV. Docenten op het CCNV meenden zich - ondanks of dankzij bovenstaande tekst - zorgen te moeten maken over de vraag of in de beoogde nieuwe organisatie nog wel plaats zou zijn voor homoseksuele medewerkers. Iets wat, voor zover ik kon nagaan, nooit een issue is geweest. Er zijn van die momenten waarin een mens zich in het geheel niet begrepen kan voelen, wat een ‘unheimisch’ gevoel is, alsof verbanden en verbondenheid wegvalt. Ik schrok ervan. Ik moet echter ook reëel blijven. Homoseksualiteit is in het christelijk onderwijs toch niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. En ‘geen bezwaar tegen’ klinkt niet zo mooi als het op het eerste gehoor lijkt. Moeten we dus op terugkomen.
Ik moet natuurlijk vermelden dat uiteindelijk de fusie om andere redenen (financiële en gemeentepolitieke) niet doorging, maar (in fusieprocessen voorspelbaar) wantrouwen was daarin mede een storende en belemmerende factor. Anderzijds heeft het onderzoek naar de mogelijkheden van een fusie ook wel weer zoveel uitdagend en stimulerend materiaal opgeleverd, dat daar in andere vormen van brede samenwerking uitwerking aan gegeven kan worden. Dat is trouwens mede noodzakelijk, omdat de twee hoofdpijndossiers huisvesting en de relatie tot de locale overheid er nog steeds liggen. 

Balans en motto
Ik zou veel meer kunnen vertellen over ups en downs. In de loop van de tijd ben ik meer en meer onder de indruk geraakt van de betekenisvolle plek die instellingen als het CCNV innemen in een locale samenleving. Dat betekent ondermeer dat de uitstraling (PR) van het grootste belang is. Niet zozeer om nieuwe leerlingen aan te trekken, hoe belangrijk dat ook is, maar in de richting van de locale samenleving in termen van wat er werkelijk toe doet. Wat ik vooral geprobeerd heb is te doen wat als geleefde werkelijkheid passend is bij de levensfase waarin ik zat toen ik er aan begon, de fase van de generativiteit. Dat is de fase ergens tussen je 25e en 50e die zich richt op de volgende generatie, in productiviteit en creativiteit. Je hebt iets te bieden, je hebt iets door te geven van wat je zelf ontvangen hebt. Zoals er altijd eerst iemand met jou begonnen is. Mijn motto: Ge hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet (Mat. 10:8).

Drs. Piet Verhagen is psychiater en theoloog   

Afdrukken