nr6 • 2007 • Het sleutelwoord is concentratie

juli 2007 (21e jaargang nr. 6)

Het sleutelwoord is concentratie
Rondetafelgesprek: Wat voor predikant heeft de kerk nodig? 

Marja Brak en Koos van Noppen


Deelnemers aan het gesprek:
Drs. Bert Karel Foppen (30), predikant van de Hervormde gemeente Bleiswijk.
Dr. Bert de Leede (56), hoofd van het seminarium van de Protestantsche Theologische Universiteit, daarvoor gemeentepredikant in Twijzelerheide en Emmeloord en predikant voor vormingswerk bij de IZB.
Dr. Ad van der Schoot (50), fysicus, werkzaam als manager bij Shell, jarenlang kerkenraadslid in de Hervormde gemeente van Gouda (St. Janskerk).


Wat voor predikant heeft de kerk nodig? Afgaande op de profielschetsen en advertentieteksten zoekt menige kerkenraad een genetisch gemanipuleerd schaap met minimaal vijf poten; en diep in hun hart verlangen ze een duizendpoot. Een charismatisch redenaar, een inspirerend geestelijk leider, een punctuele regelaar, een bejaardenbezoeker-met-een-hart-voor-de-jeugd, en ga zo maar door. De kerk heeft veel te vragen en weinig te bieden, want ze zit in zwaar weer. Wat voor predikant heeft de kerk eigenlijk nodig, in zo’n situatie? In een rondetafelgesprek verkennen we de contouren van een antwoord.

Kontekstueel: Laten we niet zo in mineur beginnen. Jaarlijks treedt er een nieuwe lichting aan, die met enthousiasme aan de slag gaat. Bert Karel is één van hen, die ‘met veel vreugde’ in het ambt staat. Als je de columns van beginnende predikanten in Centraal Weekblad leest, slaat de schrik je echter soms om het hart. Zoeken naar de nieuwe rol, het nieuwe werkritme met volle agenda en dreigende burnout. En soms de ontregelende vraag: Wie ben ik dan wel…?
Foppen: ‘Dat laatste herken ik. Neem alleen het feit dat je merkt dat je woorden soms enorme impact kunnen hebben. Aan de ene kant geloven we dat, vinden we het heel mooi. Maar als het gebeurt, schrik je bijna. ‘Ja dominee, u zei dat toen en dat heeft me erg aan het denken gezet….’ Laatst zei iemand dat hij naar aanleiding van een preek zich terug had getrokken uit een miljoenenfusie.’ 
De Leede ziet in zijn werk alle nieuwe predikanten aan zich voorbijtrekken. ‘Ik bespeur bij de nieuwe generatie studenten een grote inzet voor geloof en kerk. De meeste hebben goed door dat we als kerk in een minderheidspositie zijn beland. Maar velen zijn niet meer groot geworden met een duidelijk besef wat een dominee is. Mijn generatie is nog kerkelijk gepokt en gemazeld, in een tijd van heldere kaders. Maar als je niet meer weet wat het ambt vraagt, welke rol daarbij van je verwacht wordt, kun je vele bokken schieten. Ofwel je wordt een willoos object van krachten in een gemeente, ofwel je gaat op je strepen staan. De vorming om te weten wat het ambt vraagt, hebben veel studenten niet gehad; gemeenten en kerkenraden weten het vaak ook niet meer.’
Van der Schoot: ‘Je duidt ook op gezagsverlies. Dat speelt breder in de samenleving. Je komt het ook tegen bij docenten en artsen. Het is niet alleen een probleem van de gemeente, maar van onze cultuur. Leraren zitten ook in een identiteitscrisis, hebben geen natuurlijk gezag meer. Er is ook sprake van een verregaande individualisering. En ik denk dat mensen oppervlakkiger worden. Ze vinden dingen al te snel te ingewikkeld. Soms heb ik het gevoel dat de cultuur aan het infantiliseren is en dat we daar in de kerk ook ons deel van krijgen. Een moeilijke preek wordt gezien als een aanslag op de gemeente.’

Kontekstueel: Geen gemakkelijke context voor een predikant om zijn rol te hervinden.
Van der Schoot: ‘Het ankerpunt is en blijft voor mij de inhoud van de prediking. Dat is naar mijn stellige overtuiging de enige respons op deze ontwikkelingen die werkelijk hout snijdt.  Als een predikant dat beseft, geeft dat gevoel voor richting in het werk, en daarmee ook rust. Zonder die oriëntatie ben je een speelbal van de krachten binnen een gemeente. Het ene moment zoek je het in de vormgeving van de dienst, het andere moment in een veelheid aan activiteiten, maar als je bewust het zwaartepunt legt bij een inhoudelijke preek – en ik geef toe, dat is vrij klassiek – dan zet je een heldere koers voor jezelf uit.’

Kontekstueel: U vertelde dat u kortgeleden deel uitmaakte van een beroepingscommissie. Van een groslijst van vijftig predikant bleef na enig schiften slechts een deel over. Is het zo slecht gesteld met de preken?
Van der Schoot:
‘Daar kwamen ook wel andere criteria bij kijken, namelijk of een predikant past bij de gemeente. Maar dat laat onverlet dat ik enorm geschrokken ben van de kwaliteit van de prediking. Ik vond het een heel deprimerende ervaring. In veel preken worden platgetreden paden begaan; we hoorden ook veel preken volgens een vertrouwd stramien, met weinig oorspronkelijkheid en een middelmatige exegese. Naar mijn mening is dat zonder meer terug te voeren op gebrek aan studie.’
De Leede: ‘Je zou je moeten afvragen of je vijftien, twintig jaar geleden hetzelfde oordeel zou hebben geveld over dezelfde preken. Ik heb niet de indruk dat de predikanten over wie jij het hebt lui of dom zijn, maar dat ze zich veel te veel laten opslokken door allerlei taken in de gemeente waardoor ze niet toekomen aan hun primaire taak: de voorbereiding van een kwalitatief sterke prediking. Het gaat erom dat een predikant zegt: ik ben herder en leraar. Met andere woorden: voorganger in de liturgie en in de grote lijnen van de gemeente. Dat laatste kunnen mensen die goed thuis zijn in het besturen van een organisatie vaak veel beter. Als je het maar eens bent over de koers. Verder komt het er op aan dat je een heldere visie ontwikkelt en die uitdiept.’
Foppen: ‘Dat gaat wel uit van een heel klassiek type predikant, de dominee die ‘s zondags op de preekstoel staat…’
De Leede: ‘Helemaal niet! Het gaat er om in de diversiteit van de gemeente een heldere lijn uit te zetten en die te volgen.’
Foppen: ‘Maar we moeten wel de realiteit onder ogen zien. Neem het voorgaan in de liturgie. Als je een gemeente hebt met 600 leden in de kaartenbak en 30 kerkgangers en je wilt anderhalve dag besteden aan de voorbereiding van een kerkdienst, dan kan ik me voorstellen – al ben ik het er zelf niet mee eens - dat de kerkenraad zegt: Leuk, maar met die anderhalve dag bereik je maar 30 mensen…’
Van der Schoot: ‘Nog even terug naar de vraag die je net stelde: Een preek die ik 15, 20 jaar geleden goed vond, komt vandaag misschien wat traditioneler over, maar vind ik nog steeds goed. Een goede preek is vooral oorspronkelijk, de vrucht van een hernieuwd doordenken en actualiseren van een tekst. Dat vereist aandachtig en geduldig luisteren. Als dat anderhalve dag vergt, vind ik dat helemaal geen probleem. Want dat is volgens mij de enige manier om een gemeente van 30 mensen te laten groeien. De foute benadering is juist de prediking te verwaarlozen en naar al die mensen uit de kaartenbak te gaan.’
Foppen: ‘Daar ben ik het roerend mee eens, maar toen ik in beroepingsgesprekken met een kerkenraad aangaf, dat ik niet van plan was al die mensen te gaan bezoeken, werd ik afgeserveerd. De kerkenraad zoekt dus toch echt het schaap met de vijf poten.’

Kontekstueel: Van der Schoot hamert op de wekelijkse studie van de predikant. Maar wat, als dat er niet in zit?
Van der Schoot:
‘Als je de gedegen voorbereiding van een preek niet uit jezelf kunt halen, haal het dan maar uit boeken. Leg vijf commentaren op een rij en kom langs die weg tot een gedegen Schriftuitleg. Ik vind dat er geen excuus is voor een slechte preek.’
De Leede: ‘Dat is zo. Ik wil er een ander punt bij betrekken: In elke beroepsgroep heb je mensen die gemiddeld functioneren en anderen die zelf wel zorgen dat zij doorgroeien. In het predikantschap wreekt zich de nivellering. Zodra je wordt toegelaten, zit je meteen op het hoogtepunt van je carrière. Er is nog wel nascholing, maar na vijf jaar is het in principe voorbij. Dat is in andere beroepsgroepen onvoorstelbaar. Het wordt bij de dominee geheel aan het eigen initiatief overgelaten wat je verder doet. Ik hoop dat de kerk gaat investeren in verdere nascholing. En ook dat een predikant zijn bevoegdheid kwijt kan raken als hij niet om de zoveel jaar een aantal punten haalt in nascholing van vakken die bij de kern van het predikantschap horen, dus: exegese, systematische theologie, praktische theologie, etc. Dan nog een ander punt: Ik verbaas me er over dat (wijk)gemeenten die qua ligging weinig verschillen niet een gezamenlijk predikantenbeleid ontwikkelen. Iedereen wil los van de ander dat schaap met de vijf poten binnenhalen. Daarom bepleit ik differentiatie, ook met inzet van HBO-ers. Waarom stellen ze niet één of meer predikanten voor een gedeelte van hun tijd vrij met het oog op studie? Zij kunnen dan worden vooral ingezet op de inhoudelijke leiding van de gemeente, prediking en onderwijs. We hebben nu de canon van de geschiedenis, zoiets zal de kerk ook moeten ontwikkelen. Zo van: je kunt geen belijdenis doen zonder deze elementaire kennis.’
Van der Schoot: ‘Zo’n differentiatiemodel lijkt een beetje op de aanpak van de Redeemer Church van Tim Keller, waar binnen één team verschillende specialismen zijn. Dat vind ik positief.’

Kontekstueel: In veel kleine(re) gemeenten kan men alleen maar dromen van zo’n team. Vaak is een predikant alleen. Het is toch van de zotte dat je als jongeman van 25 in een gemeente belandt waar je wordt geacht geestelijk de lijnen uit te zetten en de kerkenraad te leiden…
Van der Schoot:
‘In het bedrijfsleven is dat ook ondenkbaar. Deze week kreeg ik iemand binnen van 28, afgestudeerd, gepromoveerd. Die kan nog niks, om het zo te zeggen, maar zal een paar jaar nodig hebben om met goede coaching het vak te leren.’

Kontekstueel: Daar komt bij dat de huidige generatie academici specialisten zijn, en het werk in de gemeente altijd vraagt om generalisten.
De Leede:
‘Het generalisme hoort onmiskenbaar bij dit ambt. Maar, wat betreft de beginnende predikanten, lijkt het lijkt me een kwestie van een paar jaar en dan beginnen we met juniorpredikantschappen, waarbij aankomende dominees eerst onder supervisie van een senior aan de slag gaan. Als het gaat om de overstap van de opleiding naar de praktijk denk ik aan de 50 leervicarissen die ik in de afgelopen weken op Hydepark heb ontmoet. Zeker 30 van hen hebben het in zich een goede predikant te worden. Als ze tenminste de kans krijgen en die ook aangrijpen. Maar ik ben nogal eens teleurgesteld als ik afgestudeerde dominees na drie jaar terugzie bij de nascholing. Dan hoor ik een preek en denk: wat is er gebeurd dat je inhoudelijk zo teruggezakt bent in plaats van gegroeid? In gesprekken daarover blijkt dan dat een gebrek aan keuzes daaraan debet is. Ze zijn ondergegaan in het werk. Concentreer je, concentreer je – is mijn devies, anders word je een popie-jopie-dominee, of een dominee met een burnout, of een predikant van de grijze middelmaat. Dat vergt keuzes én een omgeving die zo’n keuze beloont….’
Foppen: ‘Ik ben nu een paar jaar bezig. Het is pittig, maar dat wist ik van tevoren; ik heb dit werk altijd als vrij zwaar ingeschat. Ik herken de valkuil om veel aan te pakken. De kerkenraadsleden vinden het vaak best dat je alles doet, want het ontbreekt hen aan tijd en kennis. Je hoort op het seminarie dat een predikant achteruit gegaan is, maar wanneer ontmoet je eens een ouderling die zoals Aquila en Priscilla je de weg Gods nog eens ‘nauwkeuriger uitlegt’? Die zijn zeldzaam. Door de kennisafname bij kerkenraadsleden moet de prikkel om het niveau hoog te houden helemaal uit jezelf komen. Of je moet met een kritische vrouw getrouwd zijn…’
Van der Schoot: ‘Houd jij wel eens preekbesprekingen met de kerkenraad?’
Foppen: ‘Ja, die heb ik zelf ingesteld. Het ene jaar voeren we gesprekken, een ander jaar werken we met een vragenlijst. Met enkele jaargenoten bespreek ik van tijd tot tijd ervaringen. Maar dat zijn dan alleen degenen die het leuk vinden om zoiets te doen; die uitdagingen zoeken. ’
Van der Schoot: ‘En heb je een mentor?’
Foppen: ‘Ik spreek regelmatig met een klein aantal verschillende mensen uit de gemeente over mijn werk. Die heb ik wel zelf uitgezocht. Wat mij hoog zit, is dat ik nu in de pastorie moet bijspijkeren, waar de opleiding tekort is geschoten. Ik denk dan met name aan wat je zou kunnen noemen een bijbels theologisch kader. In Utrecht waren docenten die niet in de mogelijkheid van een bijbelse theologie geloofden. Ik herinner me een college, waarbij we een kernbegrip uit het Oude Testament behandelden en de vraag opkwam hoe Paulus dat in zijn brieven heeft verwerkt. De kerkelijke (!) docent zei: ‘Paulus? Daar heb ik geen boodschap aan, ik ben oudtestamenticus.’ Zoiets kan en mag toch niet in een kerkelijke opleiding gebeuren.
Bert (de Leede) is nog opgeleid door hoogleraren die wat meer kerkelijk besef hadden en tijdens een college ook nog eens zeiden: ‘Zo kun je over deze tekst preken’. Het is de vraag of de PKN niet zó pluriform is dat het mede daardoor ontbreekt aan een eenduidig profiel voor het predikantschap dat kan doorvertaald worden in de vormgeving van de opleiding.’
De Leede: ‘Daar heb je gelijk in. Dat de Protestantse Theologische Universiteit is ontstaan is geen luxe, maar komt door de armoede dat men aan de staatskant hoe langer hoe meer hoogleraren en docenten aanstelde die nooit predikant waren geweest of zelfs niets met de kerk hadden. Nu hebben we een veel sterkere opleiding voor kerkelijke predikanten, maar ik onderken dat we achterstand hebben opgelopen. Een goede bijbelse theologie is onmisbaar. Anders hanteer je ofwel een traditionele dogmatiek en krijg je voorspelbare preken, ofwel je hebt in het geheel geen theologie en krijg je een ‘praatje’ in plaats van een preek.’

De focus van het gesprek verlegt zich van de predikant naar zijn directe mede-ambtsdragers, de kerkenraad.

Van der Schoot: ‘Mijn stelling is: Het probleem van de predikant is het probleem van de kerkenraad. Als je spreekt over de taken van de predikant, gaat het onvermijdelijk ook over het werk van de kerkenraad. Welke ondersteuning biedt de raad? Veel onzekerheid over het werk van de predikant ontstaat door verwarring in kerkenraden. De kerkenraadsleden weten wel in grote lijnen wat hun taak is, maar ze worstelen met de concrete invulling. Ouderlingen kampen met de gezagscrisis, diakenen tobben met de reikwijdte van het diaconaat, ze krijgen te maken met werkgroepen binnen de gemeente, los van de kerkenraad, et cetera. Hoe houd je de zaak in de hand?’

Kontekstueel: Daar komt bij dat kerkenraden behoorlijk in niveau zijn gedaald – in kwaliteit, in kennis van de kerk, van de traditie. 
Foppen:
‘Tegenwoordig is men al blij als er mensen bereid zijn het werk te doen. Van mijn opa – die decennia lang ouderling was - kreeg ik zijn exemplaar van de ‘Institutie’ van Calvijn; de man had alleen lagere school gevolgd, maar had dat hele werk gespeld. Zoiets is inmiddels een zeldzaamheid. Dat je als predikant natuurlijk ook een rol hebt te spelen in de toerusting van de kerkenraad lijkt me juist, daar ben je professional voor.’
Van der Schoot: ‘Waarom kent de kerk geen opleiding voor ouderling, geen kadervorming voor diakenen, geen visievorming voor kerkenraden. Ik deel die zorg over het afnemende niveau van de kerkenraad. Maar ik vrees dat ik mezelf herhaal: de prediking is het enige middel om daar op de langere termijn iets aan te doen. Andere oplossingen zijn kunstgrepen. Het komt aan op continue voeding vanuit het Woord.’
De Leede: ‘Geheel mee eens.’
Van der Schoot: ‘In het beroepingswerk zochten we een predikant die zijn preek goed op orde had, theologisch-bevindelijk. En goed voor het missionaire werk en het jeugdwerk. Maar die laatste twee kun je zo herleiden tot de prediking, want daarin komen die aspecten als het goed is ook aan bod. Via goed voorbereide catechismuspreken krijg je de kerkenraad en de gemeente weer aan de studie, heel klassiek. En als bijbelstudiegroepen thematisch bijbelboeken behandelen, zet je de grote lijnen van die boeken uiteen in de prediking.’

Kontekstueel: Dus zeg je als kerkenraad tegen de predikant: Ga maar wekelijks twee dagen studeren.
Van der Schoot:
‘Minstens! Als hij dat niet doet, wil ik een indringend gesprek over zijn prioriteiten.’
Foppen: ‘Moet je hier toch niet onderscheid maken tussen gemeenten? In een stadsgemeente met veel kader kan de kerkenraad de predikant werk uit handen nemen, maar in een dorp is dat moeilijk. Als je kiest voor die concentratie, laat je veel uit handen vallen.’
Van der Schoot: ‘Dat moet dan maar; dan stort er maar een hoop in. Op de langere termijn is dat toch de beste koers. Als je ervoor kiest om alles aan te pakken in een gemeente, dan verslonst en versnippert het werk en ben je per saldo slechter af. Ik heb een groot geloof in de concentratie op het Woord. Het probleem is dat predikanten zich blijkbaar wijs laten maken dat ze van alles moeten doen. Dat is de oorzaak van veel verwarring.’
Foppen: ‘Als ik alle ontwikkelingen die hier voorbij komen goed inschat (neergang kader in de kerkenraden, secularisatie, kwaliteit predikanten etc), denk ik dat we het dieptepunt nog niet voorbij zijn.’
De Leede: ‘Er moet zeker wat gebeuren aan ondersteuning van kaderleden in de kerk. Het besef van urgentie is hoog. Als predikant ben je belangrijker voor een consistente richting van een gemeente dan 20 of 30 jaar geleden. Tijdens het beroepingswerk moet je opletten dat je in een gemeente terechtkomt die vraagt om jouw kernkwaliteiten. Het predikantschap vereist een sterke persoonlijkheid, karakter, wijsheid, kennis van levensvragen. Dat verwacht ik van predikanten, in het leiding geven aan de gemeente en aan de kerkenraad. Want als je dat laatste niet goed doet, trek je vervolgens weer de verkeerde mensen aan. Dan krijg je een neergang die je niet zomaar ombuigt.’
Foppen: ‘Ook daarom (vanwege die neergang) denk ik dat we het dieptepunt nog niet voorbij zijn. Je staat er alleen voor. Daarmee vraag je veel van mensen, zeker van beginners.’

Kontekstueel: Aan probleemoplossend vermogen ontbreekt het ons niet...
Foppen:
‘Het klinkt allemaal prachtig, maar even heel nuchter, kan de kerk zulke aanpassingen financieel nog wel aan? Ik vrees dat voor heel veel gemeenten een aantal goede koerswijzigingen te laat komen.’
Van der Schoot: ‘Als al die overwerkte predikanten nu eens een vicaris naast zich krijgen,.dan verdeel je het werk over meer schouders. Het gaat om de koers; daarna kun je zien hoe je er met de beschikbare middelen het dichtste bij komt.’
De Leede: ‘Met het pleidooi voor concentratie op kerntaken van Van der Schoot ben ik het volstrekt eens. Dat vraagt van predikanten dat ze dit punt aan de orde stellen, als het niet aan de orde gesteld wordt in de gemeente of de kerkenraad. Het komt er dan wel op aan dat ze echt bereid zijn om te investeren in de prediking en in het herderschap daaromheen. Dat je je verdiept in geschiedenis en cultuur, moderne literatuur leest evenals een paar kwaliteitskranten. Je moet de onderstromen in de cultuur kennen, zodat gemeenteleden herkennen dat je de Schrift hebt bestudeerd met hun levensvragen in je hart en in je hoofd.’
Foppen: ‘Heel mooi allemaal en van harte mee eens, maar als ik kijk naar mijn seminariegroep: de enige fulltimers zijn de rechts-confessionelen en gereformeerde bonders. Het parttime predikantschap dringt steeds meer door… Als je ’s zondags voorgaat en doordeweeks één begrafenis begeleidt, zit je al aan je uren, dan kom je dus aan al die andere dingen niet zomaar meer toe.’
De Leede: ‘Naarmate er steeds meer parttime predikanten komen, wordt de vraag nijpender: Waar hebben we de dominee nu echt voor nodig? De rest moeten we als gemeenteleden zelf doen. Preken moeten we in elk geval niet zelf gaan doen. Dat vraagt van deeltijdpredikanten de bereidheid om ’s zondags een volle dag te werken: ‘s ochtends en ’s avonds preken en aansluitend catechese voor degenen die doordeweeks niet kunnen. Door de aanwezigheid van een werkende partner zie ik bij parttimers een toenemende druk op de zondag ontstaan. Wie dominee wordt, weet dat het zwaartepunt van de week op zondag ligt – op dat moment niet bij de partner en/of kinderen. Dat is een offer dat zij moeten brengen, maar zonder dat kan het niet.’

Afdrukken