nr3 • 2012 • Vrolijk kruisdragen

januari 2012 (26e jaargang nr. 3)

 

J.H.F. Schaeffer

Vrolijk kruisdragen

In het gebed rond de bediening van de heilige doop wordt aan de almachtige en eeuwige God gevraagd of Hij wil geven dat de dopeling ‘iedere dag zijn of haar kruis bij het volgen van Christus blijmoedig zal dragen’. Voor een blijmoedig en vrolijk christendom lijkt heden ten dage meer dan genoeg ruimte gevraagd te worden. De vraag is echter of het kruisdragen daarbij niet teveel op de achtergrond komt te staan.

Is het een terechte observatie dat in preken en in het kerkelijk leven kruisdragen een onderbelichte notie is geworden? We leven in een consumer culture. We streven naar het volmaakte leven, en willen het bereikte en nagestreefde geluk met alle mogelijke (technische) middelen vastgrijpen. Ondanks een met de mond beleden failliet van het maakbaarheidsdenken uit de vorige eeuw is het vertrouwen op menselijke mogelijkheden – misschien tegen beter weten in – nog springlevend. Christenen doen daar vrolijk aan mee. Spreken de moderne mantra’s ons aan en voelen we een lichte irritatie bij de woorden kruisdragen en offer? Leven we gewoon mee met de rest van de wereld en geloven we het allemaal wel? En hoe zit het met de prediking? Worden we nog wel eens opgeroepen om kruisdragend achter Jezus aan te gaan? En zo ja, hoe wordt die oproep dan praktisch ingevuld? Met de radicaliteit die Hem eigen is, zegt Jezus: ‘Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn’ (Luc. 14: 27). En: ‘Wees niet op uzelf gericht, maar op de ander’ (1 Kor. 10: 24 NBV).

Vervolgd en uitgescholden

Wat zijn dergelijke gedachten waard als we ze nader bekijken. Zijn ze het product van een onrustig geweten, dat vervolgens met theologische argumenten gerustgesteld kan worden? Of zijn het reële, christelijke vragen die moeten blijven schuren? Daarbij is het natuurlijk de vraag wat kruisdragen eigenlijk inhoudt. Kruisdragen is een veelzijdig en complex begrip. Gemakkelijk ontstaat hierover begripsverwarring en onduidelijkheid. Wie schrijft over kruis en lijden ontkomt er daarom niet aan een eigen interpretatie en indeling van bijbelse aspecten te maken – zo ook in deze inleiding.

Kruisdragen kan allereerst slaan op de navolging van Christus, de gehoorzaamheid aan Gods geboden ondanks krachtige tegenstand. Kruisdragen krijgt hier al snel de kleur van het martelaarschap in de geest van de Bergrede. Gelukkig ben je als je vervolgd wordt, uitgescholden, als er kwaad van je gesproken wordt – ja: ‘verheug je en juich’ (Matt. 5:10-11 NBV). De apostelen hebben met enige regelmaat de ervaring van dit blijmoedig kruisdragen onder woorden gebracht (Hand. 5:41; 2 Kor. 6:10; 1 Petr. 1:6 en 4:13).

Waarschijnlijk is deze interpretatie van het doopgebed voor de context van de late zestiende en vroege zeventiende eeuw historisch gezien de meest voor de hand liggende, in lijn met de troost van Christus´ wederkomst om te oordelen op grond waarvan ik ´in alle droefheid en vervolging´ Christus als Rechter uit de hemel mag verwachten (Heid. Cat., zondag 19).

Tegen de stroom in?

Een andere belichting van kruisdragen komt van woorden van Jezus Christus zelf. ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter Mij aan komen,’ zegt de Heiland tegen zijn leerlingen (Mar. 8: 34). In de context van een geseculariseerd Nederland balanceren velen tussen geloof en ongeloof, onwillig om zich te binden aan normen en waarden die – op zijn minst schijnbaar – onze vrijheid en onze zoektocht naar geluk inperken. De stijl van Gods Koninkrijk staat kritisch tegenover deze, vaak eendimensionale en snelle belevingscultuur. Cultuurkritiek en het zoeken naar de tegenover-positie die uit zo’n kritische houding in een seculiere tijd volgt, worden door veel christenen als hedendaagse vormen van navolging en kruisdragen gezien. In de bekende Micha-campagne worden manieren om te consuminderen of bezig te zijn met de millenniumdoelen uitgewerkt. De pijn die deze keuzes met zich meebrengen wordt soms als zelfverloochening omschreven, en raakt zo aan wat Christus kruisdragen noemt. De huidige financiële crisis geeft in elk geval aanleiding tot heel wat preken en artikelen waarin de tegenstelling tussen hebzucht en christelijke naastenliefde onder woorden wordt gebracht. Kruisdragen is dan een ander woord voor eerlijk en ecologisch verantwoord leven.

Zonder de waarde van deze vorm van christelijke matiging te ontkennen, of de moeite om deze levensinstelling praktisch vorm te geven te bagatelliseren, is het toch de vraag of dit bedoeld wordt als Christus het heeft over je kruis op je nemen. ‘Want allen die de Heere als de zijnen heeft aangenomen … moeten zich instellen op een hard, moeilijk, rusteloos en van zeer veel verschillende soorten rampspoed vervuld leven,’ schrijft Calvijn in zijn Institutie (III.8.1 – vertaling De Niet). Hierbij vergeleken lijkt consuminderen een verontrustende vorm van domesticatie. Calvijn gebruikt een heel ander taalveld om het kruisdragen concreet te maken. Bij hem is het de dagelijkse oefening in de bekering. Bekering van blinde eigenliefde, je eigen zwakheid ervaren, jezelf wantrouwen, leren om Gods genadige hulp te verwachten (III.8.3). Kruisdragen wordt dan synoniem met bekering, zoals omschreven in de Catechismus als het afsterven van de oude en het opstaan van de nieuwe mens (zondag 33).

De populair-theologische studie naar navolging van Hans van der Lee (Volg jij mij, 2005)) probeert deze visie op navolging onder woorden te brengen. Navolging en kruisdragen zijn woorden die de realiteit van het gelovig christen zijn karakteriseren. Nadrukkelijk stelt Van der Lee dat het met deze navolging in het westerse christendom matig gesteld is.

Delen in vergankelijkheid

Een derde omschrijving van wat kruisdragen inhoudt, geeft Paulus in Romeinen 8. Hij schrijft daar over het moeten delen in Christus’ lijden (vs. 17) dat hij vervolgens uitwerkt in heel algemene zin als ‘het lijden van de tegenwoordige tijd’ (vs. 18). Het lijden aan de vruchteloosheid, de gebrokenheid van deze wereld in ons sterfelijk bestaan wordt hier in verband gebracht met het lijden van Christus. De dienstbaarheid aan de vergankelijkheid wordt zo in een kader gezet dat dit lijden en deze pijn een belangrijke dimensie verleent. Het ondergaan van lijden en moeite is immers niet zomaar een onderworpen zijn aan een noodlot, maar wordt als lijden aan de gevolgen van de zondeval gekarakteriseerd. Dit lijden is vervolgens door Christus geleden en aan het kruis van zijn angel beroofd (1 Kor. 15: 55). Vervolgens schetst Paulus dat dit lijden in Christus door de Geest wordt getransformeerd op Gods nieuwe aarde. De kern van deze vorm van ‘lijden met Christus’ aan de gebrokenheid van deze wereld ligt dan ook in het slot van dit hoofdstuk, wanneer Paulus benadrukt dat dit alles ons niet van de liefde van Christus kan scheiden (vs. 35-39). Daaruit volgt dat wij in dit lijden in hoop mogen en moeten vasthouden aan Gods belofte als de enige mogelijkheid om te worden bevrijd van de ‘zinloosheid’.

Ontwijken

Vanuit deze drie aspecten van kruisdragen (delen in Christus’ vervolging; het afsterven van de oude mens; het delen in de vloek van de zondeval) kunnen valkuilen opgemerkt worden waar christenen te midden van onze huidige consumer culture in kunnen vallen.

Is het niet een valkuil om onze verworven zekerheden en ons comfort zó te willen waarborgen dat we bedreigende situaties willen vermijden? Gaan we – bewust of onbewust – confrontaties uit de weg waarbij we openlijk onze specifiek christelijke inbreng kritisch in stelling zouden moeten en kunnen brengen? Getuigend opkomen voor de eer van Christus in werksituaties vergt soms een moed die we ontberen. Rust de christelijke kerk in prediking en onderwijs haar leden voldoende toe om in zulke confronterende omstandigheden ons houvast onder woorden te brengen, en traint zij haar leden voldoende om om te gaan met de daarbij behorende pijn en verlies-ervaringen? Misschien is dit aspect te vangen onder het algemene begrip ‘vreemdelingschap’, zoals H. Berkhof suggereert (Christelijk geloof, par. 49-50).

Als het gaat om bekering en het laten afsterven van onze oude mens ligt het voor de hand dat we proberen via allerlei redeneringen ons huidige leven niet in termen van ‘oude mens’ te definiëren. Zo valt het verschil tussen wat God van ons vraagt en wat wij graag willen minder op. De huidige nadruk op zelfontplooiing en zelfaanvaarding maakt het moeilijk om over jezelf na te denken in termen van zwakheid, verlorenheid en de noodzaak van redding en verlossing. Oude teksten hierover doen ons nu haast curieus aan: ‘Ja, jij boze zonde, jij vermetele zonde, jij moet er nu aan. … Ik spreek dit ook uit voor mijn God: Het is besloten, het staat bij mij vast: al mijn lievelingszonden moeten aan het kruis gehangen worden, die moeten door mij vervolgd worden, die moeten in mij sterven en Christus moet in mij leven’ (W. Teelinck).

De derde vorm van kruisdragen, bezien vanuit Romeinen 8, geeft aanleiding om te vragen hoe wij omgaan met ervaringen van lijden en tegenslag. Bestaat de neiging niet om het lijden met alle mogelijke technische middelen te voorkomen of te bestrijden? Trainen wij onszelf in onze cultuur er niet in om de confrontatie met machteloosheid en onrust zoveel mogelijk uit de weg te gaan? Wanneer deze ervaringen uiteindelijk toch onvermijdelijk blijken, hebben we wellicht de vaardigheden verloren om met eigen zwakheid en begrensdheid om te gaan.

Het valt allemaal wel mee’

Hebben deze drie valkuilen niet tenminste één aspect gemeenschappelijk – een aspect waarover het kruis van Christus zelf zijn ontdekkende licht laat schijnen? Namelijk dat onze cultuur, die hierin overigens niet méér is dan een historische verbijzondering van een wereld na de zondeval, de gevolgen van diezelfde zondeval wil bagatelliseren. Zien we onze leefwereld wellicht te weinig als een plek licht rond het kruis (Noordmans)? Of, in de woorden van Bonhoeffer: ‘Er bestaat geen echte liefde tot de wereld buiten de liefde om, waarmee God de wereld heeft liefgehad in Jezus Christus’.

Als dit juist is, dan is het de vraag hoe de christelijke kerk haar leden leert aankijken tegen de wereld. Het is deze vraag die een belangrijke aanleiding vormt voor dit nummer van Kontekstueel. Dat deze vraag geformuleerd is in termen van ‘de christelijke kerk’ moet trouwens niet worden gedacht als een tegenstelling tot onze persoonlijke christelijke verantwoordelijkheid. Integendeel, het komt aan op de juiste balans tussen individu en gemeenschap, zoals Bonhoeffer in zijn Navolging al laat zien. De oproep van Jezus tot navolging maakt de discipel tot enkeling, die zich tegenover de Heer verantwoorden moet, maar roept die enkeling vervolgens ook in de kring van volgelingen.

Het is deze vraag die in dit nummer centraal staat: hoe volgelingen van Jezus Christus, persoonlijk en samen, hun visie op de wereld als door God geschapen, in zonde gevallen, en door Hem in Christus gered, om kunnen en moeten zetten in concreet gedrag. Misschien is het begrip kruisdragen wel per definitie bedoeld om de kloof tussen leer en leven te signaleren, en behoort zo’n woord onrustig te maken. Zodat wij gedrongen worden de afgod van onze zelfgebouwde comfortzone te verlaten en met ons onrustig hart rust te zoeken bij God zelf (Augustinus).

Dr. Hans Schaeffer is post doc onderzoeker aan de Theologische Universiteit Kampen (Broederweg) en redacteur van Kontekstueel

Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Afdrukken