Skip to main content

nr5 • 2024 • Een biografie met zwarte bladzijden

38e jaargang nr.  5 (sept. 2024)
thema: Nazomer-nummer

Wim Dekker
Een biografie met zwarte bladzijden
Hoe lezen we het Oude Testament?

Jaren geleden preekte ik over het bekende Bijbelverhaal waarin verteld wordt hoe Laban zijn oomzegger Jakob bedriegt (Gen. 29). De tekst voor de preek was: ‘En zie het was Lea.’ In de preek had ik de genade van God benadrukt, die uiteindelijk de verachte Lea uitkiest om stammoeder te worden van veel stammen van Israël, in het bijzonder ook van Juda uit wie Jezus geboren werd. Een vertroostende en bemoedigende preek, vond ik zelf.

Terug in de consistorie kreeg ik een koude douche. Een ouderling zei vrij stellig: en toch vind ik het maar een heel vreemd verhaal. Wat een raar land en wat een rare gewoonten, dat je er pas na de huwelijksnacht achter komt met wie je geslapen hebt. Duidelijk een reactie die getuigde van kortsluiting. Wat had ik verkeerd gedaan?

Prof. dr. Eep Talstra zou het wel weten. Van zijn hand verscheen onlangs het boek: De bijbel als biografie van God en mensen. Geschiedenis en hergebruik van teksten. Dat is een belangrijk boek voor ieder die zich nog eens grondig wil bezinnen op de betekenis van het Oude Testament. Het is vrucht van een leven lang studeren en doceren als Bijbelwetenschapper. Dat is te merken en daardoor is het boek voor niet-theologen hier en daar wel pittig. Maar laten dan in ieder geval de theologen en predikanten het lezen. Gemeenteleden met veel vragen over hoe we het Oude Testament moeten lezen, zullen niet alles kunnen volgen, maar waarschijnlijk ontvangen ze toch een aantal nieuwe inzichten. Talstra doet in ieder geval een poging alle lezers van het Oude Testament mee te krijgen in de dingen die hem hoog zitten. Een van die dingen is dat we de ruigheid van deze geschriften niet serieus genoeg kunnen nemen. Dus in een preek over Laban, Jakob, Lea niet zo min mogelijk vertellen over het bizarre, het schokkende van dit verhaal, maar juist zoveel mogelijk. In de levens van deze mensen in deze cultuur wilde God zich bekend maken, sterker nog: Hij trok met hen op, Hij werd helemaal deel van hun tijd, cultuur en geschiedenis.

Alleen de biografie geeft betrouwbare Godskennis
De titel De bijbel als biografie van God en mensen geeft exact weer waar het Talstra om gaat. In een goede biografie leren we de hoofdpersoon kennen in relatie met alle andere personen en gebeurtenissen die in zijn leven een rol speelden. Hoe meer de onderste steen bovenkomt en ook alle schaduwzijden eerlijk benoemd worden, hoe beter de biografie. De stelling van Talstra is dat we de hoofdpersoon in het Oude Testament, de God van Israël en voor christenen ook de Vader van Jezus Christus, op geen andere wijze kunnen kennen dan uit zijn biografie, waarin verteld wordt hoe Hij zich verbond met zijn volk en de geschiedenis van dit volk ook de zijne werd. Hij zegt dit als wetenschapper, die vindt dat het voorwerp van zijn wetenschap, de Hebreeuwse Bijbel, volstrekt serieus genomen moet worden. Daarin wordt niet alleen over God verteld door schrijvers, die hun voortschrijdend inzicht over Hem delen met de lezers. Maar daarin brengt God ook zichzelf geregeld ter sprake wanneer Hij ‘Ik’ zegt. Je mag dan niet zeggen dat dit uiteindelijk ook woorden en meningen zijn van de schrijvers, zoals moderne mensen geneigd zijn te doen: alles wat wij over boven zeggen, komt van beneden, ook als wij zeggen dat het van boven komt (H.M. Kuitert). Je moet de schrijvers die zelf menen dat ze de stem van de levende God vernomen hebben volstrekt serieus nemen. Het is niet wetenschappelijk om de schrijvers wat dat betreft op voorhand een vergissing in de schoenen te schuiven.

Mag God het zelf zeggen?
Talstra zegt dit als wetenschapper, maar ook als geëngageerd christen in de westerse cultuur, waarin God doodverklaard is en waarin degenen die hier niet mee kunnen leven veelal bezig zijn hun eigen voorstellingen over God in het middelpunt te stellen. Wie neemt de moeite de oorspronkelijke teksten te lezen, waarin het over Hem gaat en waarin Hij zichzelf voortdurend als ‘Ik’ ter sprake brengt? ‘Gelovigen zijn soms de verrassing allang voorbij en weten al wat ze gaan lezen, anderen op hun beurt verwachten geen verrassing meer en zien vooral achterhaalde of zelfs gevaarlijke teksten en in elk geval geen maatschappelijk nut. En omgekeerd, mensen die wel ambachtelijk zijn toegerust en als tekstonderzoekers zelfs hun vak hebben gemaakt van Bijbellezen, blijken doorgaans heel terughoudend, om niet te zeggen: afwerend om over God of geloof te spreken’ (p. 34). Met andere woorden: je echt verdiepen in wat er staat betekent dat je God zelf leert kennen zoals Hij echt is, want je leert Hem nergens anders kennen dan uit zijn biografie. Zo wil Talstra de theologie weghouden bij alle speculatie over God vandaan en wijst Hij de Schriften aan als enige bron van kennis. ‘Vermoedt de theologie misschien ergens achter de teksten de échte’ God, een God die een andere en tijdloze versie is van het veranderende personage ‘God’ dat we in de diverse bijbelteksten zien? Waarom zoeken naar ‘kennis’ van een tijdlozer God dan de bijbel ons geeft?’ (p. 246). ‘De bijbel blijkt het niet nodig te vinden om een ‘echte’ God te beschermen tegen het al te menselijke. En evenmin om het religieuze verlangen naar een perfecte God veilig te stellen’ (p. 247).

Gods veranderlijkheid
Het bovenstaande ligt geheel in de lijn van wat gereformeerde christenen altijd geloofden en nog geloven: zuivere Godskennis ontspringt aan de Heilige Schrift en niet aan ons eigen inzicht of gevoel. (Over zijn gereformeerde wortels spreekt Talstra in een uitvoerig interview in In de Waagschaal, juni 2024.) Dat gezegd zijnde is het toch nog wel iets ingewikkelder dan het lijkt. Want in de gereformeerde theologie was, voor zover ik zien kan, nooit ruimte voor een veranderlijke God, die zich al strompelend een weg heeft gebaand richting het Nieuwe Testament en die ook nu nog op een dynamische wijze met ons onderweg is. Het klopte niet met haar grondleggende gedachte dat bij de eeuwige God geen veranderlijkheid past. Dus overal waar hierover in de Bijbel gesproken wordt, moet dit wel overdrachtelijk bedoeld zijn. Bij Talstra is er juist alle ruimte voor zo’n veranderlijke God, niet omdat hij daar als gelovige beter mee uit de voeten kan, maar gewoon omdat de bestudering van het Oude Testament volgens hem onontkoombaar in deze richting wijst.
In de eerste plaats is daar het gegeven dat God zelf voortdurend op dingen terugkomt. Hij zegt bijvoorbeeld in Genesis 6 dat het Hem berouwde dat Hij de mens gemaakt had. Dan komt de zondvloed. Maar daarna zegt God dat Hij zo’n catastrofe nooit meer zal laten plaatsvinden. Oneerbiedig gezegd: God is steeds bezig zichzelf opnieuw uit te vinden in zijn ingewikkelde omgang met mensen. Calvijn zegt echter in zijn commentaar op Genesis 6 dat het berouw van God natuurlijk niet letterlijk genomen moet worden, maar dat het een menselijke manier van spreken is over God. God zelf kan geen berouw hebben. Calvijn en Talstra nemen alle twee de hele Bijbel en ook het Oude Testament volstrekt serieus, maar komen door deze verschillende interpretatie toch heel verschillend uit met uiteindelijk grote consequenties voor heel de theologie en ook voor de gelovige praktijken die daarmee verbonden zijn. Denk alleen maar aan de verschillende manieren van bidden wanneer je gelooft dat God echt op zijn gedachten kan terugkomen of wanneer je dat niet gelooft.
In de tweede plaats komt niet alleen God zelf soms uitdrukkelijk op dingen terug, maar hebben mensen vanwege de loop der geschiedenis later andere conclusies getrokken uit wat Gods bedoelingen waren en herinterpreteren ze dan ook wat Hij gezegd had. Talstra werkt dit gegeven grondig uit naar aanleiding van een boeiende vergelijking tussen de boeken Koningen en Kronieken.

Zwarte bladzijden
Wanneer het Oude Testament de biografie is van God en mensen, dan ligt het voor de hand dat in deze biografie ook zwarte bladzijden voorkomen. Die zwarte bladzijden hebben dan natuurlijk te maken met het feit dat mensen vaak niet blijken te deugen, zo denken wij. Dat is ook zo, maar Talstra gaat nog wel een stap verder. Er zijn ook zwarte bladzijden omdat God nog onderweg was in de omgang met zijn volk en daarbij soms een afslag nam die later niet bleek te werken. Daarbij denkt Talstra bijvoorbeeld aan de geweldsinstructies in het boek Deuteronomium. In Deuteronomium 7:1-2 geeft God de opdracht de overwonnen volken in Kanaän volledig te vernietigen. Later in Deuteronomium 30:6 blijkt dat God ‘zijn omgang met Israël opnieuw heeft uitgevonden’ (p. 156). Intussen blijven de zwarte bladzijden wel staan. Maar ze moeten gelezen worden in het licht van het vervolg. God was nog niet klaar met zijn pogingen Israël als een heilig volk te doen wonen in het beloofde land.

Helemaal overtuigend vind ik deze duiding van de geweldsinstructies eerlijk gezegd niet. Anderzijds is het gegeven van de zwarte bladzijden in het Oude Testament, ook als het gaat om God zelf, wel een feit. Ik kom terug op het voorbeeld waarmee ik begon: het verhaal van Jakob, Lea, Laban. Het lijkt een vrij onschuldig verhaal vergeleken met het heftige van de geweldsinstructies uit Deuteronomium. Maar ook bij dit verhaal zijn heel veel vragen aan God te stellen. Waarom gebruikt Hij de door en door slechte Laban om Jakob te straffen? Misschien is daar nog een redelijk antwoord op te vinden. Maar waarom betekende deze straf voor Jakob (hij kreeg Lea in plaats van Rachel) dat Lea levenslang in het ongeluk werd gestort? Niet alleen dit verhaal maar de hele geschiedenis van God in zijn omgang met dwalende en soms goddeloze mensen roept de vraag op of God zich zo kan mengen in de geschiedenis van deze mensen zonder zelf vuile handen te maken. Het serieus nemen van die vraag roept om een antwoord. Heel het pad van het Oude Testament ligt bezaaid met de scherven van onopgeloste vragen van schuld, straf, lijden, oordeel en tragiek. Wat als er geen Nieuwe Testament zou zijn?

Het nieuwe van het Nieuwe Testament
Het is voor christenen een verleiding te vlug naar het Nieuwe Testament te grijpen als naar de eigenlijke Bijbel. Terecht verzet Talstra zich daartegen. We moeten het Oude Testament door en door serieus nemen. De vierduizend jaar waarover deze geschriften gaan waren niet bedoeld om de tijd totdat Jezus kwam onnodig lang te laten duren. (Dat is helaas wel het beeld dat mensen soms vanaf de zondagsschool hebben meegekregen, wanneer verteld wordt dat in het paradijs Jezus al beloofd werd.) Er wordt een zeer serieuze weg van God met zijn mensen beschreven die er in elk hoofdstuk toe doet. Maar hoe serieuzer we die weg nemen, hoe serieuzer roept deze om een uitweg. Daarom hebben we meer dan Talstra lijkt te suggereren ook de systematische theologie nodig, die ons helpt om niet in de Bijbel te verdwalen.

Talstra schrijft aan het einde van zijn boek ook over de betekenis van het Nieuwe Testament. Maar de manier waarop hij dat doet, vind ik niet bevredigend. Hij ziet in het Nieuwe Testament een voortzetting en uitbreiding van de weg van God zoals die in het Oude Testament werd beschreven. ‘Het vervolg van Gods biografie met meer deelnemers’ (p. 257). En tenslotte was het met het Nieuwe Testament ook nog niet afgelopen. De biografie van God en mensen gaat door tot op de dag van vandaag en mensen worden steeds weer genodigd daarin deel te nemen, in het vertrouwen dat God veranderlijk is, maar wel te vertrouwen. In ieder geval is Hij ook een echte volhouder, waardoor we hoop mogen hebben voor de toekomst.

Ik ben het met dit alles wel eens, maar vind het te weinig. Niet voor niets staan in het christelijk geloof kruis en opstanding van Jezus Christus centraal. Alle schuld, oordeel, tragiek, kortom alle zwarte bladzijden van God en mensen komen hier samen. Wie op grond van het Oude Testament meent te kunnen concluderen dat God zelf ook geen schone handen heeft gehouden, ziet dit bevestigd in het kruis, waaraan Jezus onschuldig en tragisch sterft. Alle raadsels van het Oude Testament en van het echte leven vandaag de dag komen hier samen. Het geheim waar de kerk van leeft is echter dat God zelf zich in Jezus met onze en zijn eigen zwarte bladzijden heeft vereenzelvigd. God is niet alleen maar een volhouder, waardoor wij hoop houden, Hij heeft in Jezus voor eens en voor altijd een beslissende daad gesteld. Het wachten is op het openbaar worden van die daad voor het oog van de hele wereld. Tot die tijd kunnen wij getroost leven, juist wanneer we het Oude Testament lezend voortdurend denken: de wereld is nog niet veel veranderd.

Dr. W. Dekker is emeritus predikant in de PKN en redactielid van Kontekstueel.
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

  • Raadplegingen: 1513