nr1 • 2007 • Spreken is zilver... reactie A.W. de Ronde

oktober 2007 (22e jaargang nr. 1)

   

Reactie dhr. A.W. de Ronde
op
'Spreken is Zilver …'
Over de homodiscussie in de Protestantse Kerk in Nederland
door dr. P. van den Heuvel

Het probleem: We willen een heldere uitspraak
In de eerste plaats wil ik dr. van den Heuvel een compliment maken voor de concrete weergave van veel feiten en zijn erkenning dat deze (mijn) strijd al meer dan vijftien jaar duurt. Ging en gaat het mij nu om een heldere uitspraak of niet? Prompt kan dan de vraag gesteld worden: over welke duidelijkheid of helderheid gaat het eigenlijk? Dan springt onmiddellijk in het oog dat de kerk hier absoluut niet duidelijk in is geweest en dit heeft de verwarring op dit punt alleen maar groter gemaakt. Helaas heeft dr. van den Heuvel dan ook heel weinig van de motieven voor mijn gravamen begrepen.

Gravamen
Het enige wat het gravamen beoogde was het vragen van een Schriftuurlijk onderbouwd fundament, en gestoeld op de bekende belijdenis, voor het invoeren van ord. 5-4 en als dat niet mogelijk was het artikel te laten vervallen.
Meermalen werd immers betoogd en verdedigd dat we in de Protestantse Kerk een belijdende kerkorde hebben gekregen, waarbij ook de ordinanties een belijdend karakter hebben gekregen. In dat opzicht slaat dr. van den Heuvel dan ook helaas de plank mis als hij stelt dat er geen vijf minuten aan gewijd had hoeven te worden. Ook de Generale Raad van Advies (GRA) is het duidelijk oneens met deze stellingname. Citaat uit het het rapport van de GRA:
Ord. 5, art. 4 betreffende de zegening van andere levensverbintenissen dan het huwelijk raakt inhoudelijk echter wel aan het belijden van de kerk en impliceert een afwijking van de gereformeerde en lutherse belijdenisgeschriften. Het feit dat aan de kerkenraden wordt overgelaten al of niet tot zegening van deze relaties over te gaan (ook wel genoemd: een pastorale oplossing) laat onverlet dat de mogelijkheid kerkordelijk is geregeld en de afwijking wordt toegestaan. Ook de bevestigende toelichting van prof. De Kruijf over dit punt werd ter synode niet bestreden, waarmee mijn stelling dat ord. 5-4 een afwijking is van het belijden werd bevestigd. Daarmede werd de kerkordelijke grondslag voor het indienen van het gravamen gerechtvaardigd.

Luisterhouding
Het is een groot goed als mensen naar elkaar willen en kunnen luisteren. Dit laatste laat onverlet dat ook in het luisteren het gezag van de Heilige Schift als toetssteen gehanteerd dient te worden. Hiermee volg ik het hoofdartikel in onze kerkorde art. I, lid 9,10 en 11. Daarbij volg ik ook dr. J. Hoek die in Verwarring en Herkenning aangeeft: Ik meen dat God hier (een homofiele praxis) voor altijd een rood stoplicht heeft gezet. In het verkeer zal het voor iedereen duidelijk zijn dat rijden door een rood stoplicht tot de grootste ongelukken zal leiden. Daarbij komt nog dat we dienaangaande ook nog een helder spreekwoord hebben: “Bij twijfel niet inhalen” en als er ergens binnen de kerk twijfel over was, dan was (en is) het wel over dit punt.

Gemeenschappelijke visie
Hier raakt dr. van den Heuvel wel de kern van wat ik noem: mijn geschil met mijn kerk. Als we de Heilige Schrift als gezaghebbende bron en norm voor geloven en leven aanvaarden en van harte in de traditie van de belijdenisgeschriften staan, komen we vanzelf tot een gemeenschappelijke visie. Veelzeggend is dan zijn toevoeging: Zo dacht men! Hiermede bevestigt van den Heuvel dat het begrip “gezaghebbend” en “van harte” is losgelaten. Het “waarom” komt niet aan de orde. Is het dan vreemd dat dit door velen als Godsverduistering wordt ervaren? Dit loslaten staat immers haaks op, en is in strijd met art. I lid 9, 10 en 11 van de kerkorde.

Verschil van inzicht
Allereerst wil ik hier graag vermelden dat de hervormde synode, na de indiening van mijn vorige gravamen, wat volgens de scriba van de PKV Zuid Holland niet conform de fungerende hervormde kerkorde is behandeld, een commissie heeft ingesteld en dat deze commissie na lange tijd van beraadslagingen haar opdracht (zoeken naar de Schriftuurlijke grondslag) onafgemaakt heeft teruggegeven; men kwam er niet uit! Dat er ook binnen de hervormd-gereformeerde gezindte verschillend gedacht wordt zal niemand ontkennen, maar het mag ook duidelijk zijn dat men daar heel voorzichtig mee om wilde gaan en geen splijtzwammen wilde veroorzaken. Ik vind het dan ook wat merkwaardig dat dr. van den Heuvel “het gelukkig vindt” dat onder redactie van ds. A. Kool de “gewraakte” uitgave “Homosexualiteit en Kerk. Om de voortgang van het gesprek” wel is verschenen. Verschillen hoeven niet verdoezeld te worden, maar als dit betekend dat men blij is dat de Heilige Schrift als gezaghebbende bron en norm voor geloven en leven aanvaarden en het van harte in de traditie van de belijdenisgeschriften staan minder relevant is geworden en het verstaan van de hele Schrift niet meer als enige gezagsdrager wordt ervaren , dan betreur ik dat.

De kerkorde
Veelzeggend is hier de opmerking van dr. van den Heuvel dat er geen dwingende noodzaak is geweest om ord. 5-4 in de kerkorde op te nemen en de daarbij gevoegde opmerking “de progressieve vleugel was daartoe niet bereid”. Deze mening werd gevoed door de KOA commissie, die in de reactie op de proeve van de nieuwe kerkorde aangaf dat men in de consideraties grofweg 1/3 voor was, 1/3 absoluut tegen en 1/3 nee tenzij, of ja mits had aangegeven; er was nu in hun ogen een 2/3 meerderheid. Over luisteren gesproken! Ook de voormalige preses van de hervormde synode, ds. W. Beekman liet mij in een persoonlijk schrijven weten: het is van tweeën een, of een homofiele relatie is identiek aan de “gewone” relatie tussen man en vrouw (en dus door God gewild) of het is niet gelijk en dan is het door God verboden. Om die reden was de eerste versie van ord. 5-4 dan ook volkomen identiek aan die van ord. 5-3. De forse weerstand tegen deze gelijkwaardigheid heeft er uiteindelijk toe geleid dat het nu een bescheiden regeltje over “andere levensverbintenissen“ is geworden. Taalkundig is dit artikel zo mistig, dat iedere vorm, (hoewel beslist niet zo bedoeld) ook het hebben van meer dan een vrouw of zelfs een pedofiele relatie hieronder zou kunnen vallen. Als ik hier de visie van ds. Beekman op loslaat (het is niet gelijkwaardig aan ord. 5-3) leid ik daaruit af dat het niet geoorloofd is. Bij het hanteren van de visie van dr. Hoek over het rode stoplicht, lees ik in de “kan” bepaling het volgende: Het stoplicht staat op rood, maar de kerkenraad mag bepalen dat men ook gewoon kan doorrijden, of: wit (het mag wel) is gelijk aan zwart (het mag niet). Hoe kan ik dat aan mijn kinderen en hoe kan ik dat, als ambtsdrager op huisbezoek aan gemeenteleden uitleggen? Ik ben het dan ook eens met het kader “Soms (zeker hier) schuilt er meer wijsheid in wachten dan in doorpakken”. Zit ik er ver naast als ik stel dat deze door dr. van den Heuvel genoemde en nu in de kerkorde vastgelegde verlegenheidsvorm als een van de hoofdoorzaken (overigens mijns inziens ten onrechte) voor de scheuring en het ontstaan van de Hersteld Hervormde Kerk is gebruikt?

Opnieuw in gesprek?
Het mag duidelijk zijn dat “de heer de Ronde” daar geen vrede mee kon hebben. In mijn gravamen heb ik de legitimiteit van ord. 5-4 betwist, dit omdat voor het opnemen hiervan geen enkele Schriftuurlijke onderbouwing is gegeven. In het gesprek met de commissie van onderzoek, waar ik als simpele ambtsdrager zat tegenover meer dan tien zeer godgeleerde dames en heren, heb ik mijn visie op een eenvoudige manier mogen voorleggen. Ik denk met veel waardering terug aan dit gesprek waar op respectvolle wijze met mij werd omgegaan. In dat gesprek heb ik wel de door dr. van den Heuvel geciteerde zinsnede gebruikt, maar daar direct het volgende aan toegevoegd: als u (commissie) mij vanuit Gods Woord aantoont dat de homofiele praxis door God gewild is en daarom gezegend zal worden, trek ik bij dezen mijn gravamen in en kunnen we over gaan tot de orde van de dag. Er viel toen een voor mij veelzeggende stilte. Ondanks het feit, dat ik het jammer vind dat de commissie niet volmondig het gravamen durfde ondersteunen, ben ik de commissie zeer dankbaar dat zij te kennen gaf dat “de kous” hiermee niet af was, en met grote klem in haar aanbeveling de voortzetting van het gesprek heeft bepleit. In het afrondende gesprek met de preses van de generale synode is mij nogmaals beloofd dat dit gesprek er zal komen en dat bij de voortgang de criteria van art. I lid 9, 10 en 11 onverkort zullen worden toegepast. Nu is vastgesteld dat ord. 5-4 op geen enkele wijze Schriftuurlijk is onderbouwd en bovendien duidelijk afwijkt van het vastgestelde belijden, zou men ook de vraag op kunnen werpen of de hervormde synode destijds bij het ratificeren deze ordinantie van de nieuwe kerkorde voor de Protestantse Kerk wel een kerkordelijk legitiem besluit heeft genomen. Ik laat dat graag aan deskundigen over. Daarom is het helemaal niet erg als een mens zijn eigen(zinnige) standpunten moet verlaten en terugkeert naar het eeuwig en onveranderlijke Woord van God.

Ontwikkelingen
Van harte ben ik het eens met het uitgangspunt dat mijn homofiele broeder en zuster, net zoals ik met mijn mogelijk nog grotere zondige geaardheid (van nature geneigd tot alle kwaad), een kind van God mag zijn en daarom op mijn aandacht en meeleven mag rekenen. Daarbij ga ik er dan wel vanuit dat er geen afbreuk wordt gedaan aan mijn eigen visie en ik daar vanuit een oprechte bewogenheid open naar de ander mee om kan gaan.

Wachten op (het) licht
Het is de plicht van de kerk, en zij heeft dat in de besluitvorming aanvaard, het gesprek door te laten gaan. Daarom verbaast het mij een beetje dat dr. van den Heuvel het met de uitspraak van ouderling mevrouw Hiebsh is eens. Zij weigerde in haar, overigens knappe, betoog om ook maar op een enig punt van mijn Schriftuurlijke onderbouwing van het gravamen in te gaan. Als voormalig synodelid noem ik dat weglopen voor je verantwoordelijkheid. Wachten op het licht, jazeker, maar naar ik hoop niet op de manier zoals het mij eens werd toegevoegd: wij (moderne kerkmensen) hebben het licht gezien, alsof ons voorgeslacht in dit opzicht in volstrekte duisternis heeft geleefd. Daarom is mijn vurige bede dan ook dat de kerk in dit opzicht niet wacht op eigen licht maar zich laat leiden door Het Licht der Wereld, Jezus Christus en zich voegt naar Zijn geboden. Als de kerk vanuit die liefde mag spreken, dan is zwijgen omwille van de pijn, veel minder dan zilver, maar wordt haar spreken puur goud!!

Afdrukken