Skip to main content

nr1 • 2006 • ‘De gaven van de Geest zijn niet los verkrijgbaar’

oktober 2006 (21e jaargang nr. 1)

‘De gaven van de Geest zijn niet los verkrijgbaar’
In gesprek met prof.dr. J. Hoek

Piet de Jong en Koos van Noppen

Een negatieve bijwerking van een gedachtewisseling op kerkelijk erf is dat er spontaan verdeeldheid kan ontstaan. Het onderwerp mag dan verschillen, de uitkomst is gelijk. Vandaag de dag gaat het gesprek over de gaven van de Heilige Geest aan de gemeente en nog voordat het gesprek goed en wel op gang is, tekenen de kloven zich af. Prof.dr. Jan Hoek bepleitte dit voorjaar in een vlammend artikel in CV/Koers om ‘de vensters open te zetten’, zodat ‘de wind van de Geest alle vertrekken (van de kerk) kan doorwaaien’. En: ‘Waarom zouden we als kinderen van de Reformatie niet van harte openstaan voor genadegaven als tongentaal en profetie, genezing op gebed en bevrijding van demonische bindingen?’

Na zulke zinnen heb je jezelf als gesprekspartner wel op de kaart gezet. Bovendien, Hoek was de laatste jaren verbonden aan de Christelijke Hogeschool Ede, die bekend bestaat als een plek van waaruit het zoeklicht wordt gericht op de ene na de andere ‘blinde vlek’ in de theologie, of het nu gaat om exorcisme, ziekenzalving, of zoals onlangs, de gaven van de Geest. En of het nu komt door zijn deeltijdprofessoraat bij de evangelicals in Leuven, de gereformeerde bonder Jan Hoek, ooit begonnen als gemeentepredikant op de rechterflank van de Gereformeerde Bond, later staflid bij de HGJB, is een warm medestander van iedereen die verlangt naar ‘meer van de Geest’. De vraag is alleen in hoeverre hij zichzelf daarin nog herkent.

Openheid

Boven een kop capuccino verklaart Hoek zich nader: ‘Met een aantal docenten van de CHE hebben we het boek Gaven van de Geest gepubliceerd. In antwoord op vragen van studenten hebben we gepoogd daarin een genuanceerd standpunt in te nemen. Open, doch waakzaam. Ik constateer dat in publicaties rond dat boek vooral nadruk gelegd is op de ‘openheid’. Maar in het boek vind je meer de nuance. Hette Abma (Gouda) schreef zelfs in een recensie in Woord en Dienst dat de auteurs zijns inziens wel erg voorzichtig te werk zijn gegaan, met name de dogmaticus (ik zelf) en de nieuwtestamenticus. Mag het niet wat resoluter? vroeg hij zich af. Het is dus maar hoe je er tegenaan kijkt. Ik heb niet de indruk dat ik mijlenver af sta van Van ’t Spijker of Maris, die kritische vragen stelden bij het boek. Ik leg een ander accent. Zij leggen de nadruk op de gevaren en bedreigingen, ik vraag aandacht voor openheid, maar let wel, openheid voor de Heilige Geest. Dat moet je niet versmallen tot ‘openheid voor de gaven van de Geest’, of zelfs tot de bijzondere gaven van de Geest’.

Zelfgenoegzaam

Niettemin, u staat kritischer ten opzichte van het geestelijk gehalte van de orthodoxie van gereformeerde gezindte?
‘Ja. Hier op de Christelijke Hogeschool hebben we veel contact met bevlogen jonge mensen, die in hun enthousiasme tegen kerkelijke structuren stoten. Zij komen met allerlei vragen over dit thema, bijvoorbeeld: Wat is de doop met de Heilige Geest en missen we dat niet? Na bestudering kwam ik tot de conclusie dat de doop met de Geest niet kan worden beschouwd als iets ‘extra’s’, een soort second blessing. Ik kan dat niet bijbels funderen. Tegelijkertijd moet je vaststellen dat het geloofsleven zoals dat naar voren komt in de nieuwtestamentische brieven op een ander niveau ligt dan wat wij doorgaans in de gereformeerde gezindte tegenkomen. Zeker als het gaat over de zekerheid van het geloof en het missionair gemeente zijn. Juist in samenhang daarmee deelt de Geest zijn gaven uit om toe te rusten voor werk in het Koninkrijk. Zijn wij niet, met al onze keurige, dogmatische en ongetwijfeld hoogstnoodzakelijke afbakeningen veel te zelfgenoegzaam? Alsof wij vanuit de hoogte allerlei stromingen kunnen veroordelen omdat zij ernaast zitten. Ik waardeer wat er wél is: trouw aan het Woord van God. Maar missen wij niet te vaak de vervulling met de Heilige Geest? Dat zeg ik niet exclusief, maar inclusief.’

U bedoelt dat uw werk hier op de CHE bij u het kwartje heeft doen vallen. Er is wel wat gebeurd sinds u als gemeentepredikant begon in Groenekan.
‘De studenten leggen inderdaad blinde vlekken bloot. In mijn Groenekanse jaren had ik een andere positie, in de discussie tegenover het ultracalvinisme in de gemeente. Daar komt bij dat je als gemeentepredikant doorgaans tot over je oren in het ‘kerkelijk bedrijf’ zit. In zo’n situatie verlies je gemakkelijk het zicht op de context van onze cultuur. Hier op de hogeschool ontmoet je dagelijks jongelui die middenin deze cultuur leven. Zij hebben veel contact met ongelovige of anders gelovige vrienden. Ik ben er dan van onder de indruk hoe zij daarin staan en hoe ze daarbij verlangen naar de kracht van de Heilige Geest. In gesprekken met hen hoor ik vaak over occultisme, demonische bindingen; in mijn tijd als gemeentepredikant had ik de indruk dat dit alleen in bijbelse tijden voorkwam. Met al dat soort vragen ben ik hier dus veel indringender geconfronteerd. En ik zie hoe jonge mensen door de Geest worden geholpen om daarmee om te gaan. Theologisch leer ik van deze ervaringen dat de Heilige Geest zijn gaven uitdeelt ‘naar de behoefte’, al naar gelang de context waarin je als individuele gelovige of als gemeente staat. Wanneer je alleen maar intern gericht bent, zoals helaas in veel gemeenten toch nog het geval is, dan wordt de Geest gestremd om zijn werk te doen.’

Moet je niet gewoon te zeggen: Het belangrijkste werk van de Heilige Geest is de wedergeboorte .Daarna komt al dat andere pas, over de vrucht van de Geest en de gaven.
‘Ik denk wel dat er vaak zo schematisch wordt gedacht: Als we nu eerst maar eens die wedergeboorte behandelen, dan hebben we daar onze handen vol aan en zijn we aan de gaven van de Geest nog lang niet toe. Terwijl dat in het Nieuwe Testament juist in één greep genomen wordt. Van die verschillende aanduidingen van die ene werking van de Heilige Geest moeten we niet allerlei aparte hoofdstukjes gaan maken. Het heeft wel zin om het te onderscheiden, maar niet om het te scheiden.
Het laatste SCP-rapport laat verontrustende cijfers zien over het kerklidmaatschap van Nederlanders. We worden met onze neus op de feiten gedrukt. Wat gaat er nog van ons uit? Nederland is zendingsland. Jongeren moeten van ouderen leren in de gemeenten, maar op dit punt moeten ouderen ook scherp luisteren naar jongeren. Hun signalen moeten we zeer serieus nemen, zonder meteen in het defensief te schieten, want als je alleen maar je eigen standpunten herhaalt, zonder eerst goed naar hun ervaringen te luisteren, begeleid je hen ook niet. Met als gevolg dat ze afhaken of vertrekken naar parakerkelijke bewegingen.’

Calvijn

U zegt: De vensters moeten open. Een positieve houding. Maar is al die aandacht voor de Geest nog wel zo gereformeerd? Calvijn trok toch altijd een soort brandscherm op voor doperse invloeden.
‘Calvijn is de theoloog van de Heilige Geest. Nadrukkelijk noemt hij in boek III van de Institutie dat Christus zonder de Geest ‘in ruste’ is. Dan heeft Hij geen ‘effect’ onder ons. Maar de aandacht voor de Geest is voluit calvinistisch. Kijk je naar de gaven van de Geest, dan kom je uit bij een leerling van Calvijn, Martin Bucer. Bij gemeenteopbouwwerk grijpen we daar vandaag weer gretig op terug. Begrijp mij echter goed - ik benadruk dit omdat ik op dit punt helaas ben misverstaan - het is niet zo dat ik het heil zou verwachten van de gaven van de Geest. Dat heb ik nooit beweerd. De vensters moeten open ja, maar voor de Heilige Geest, niet voor geïsoleerde gaven van de Geest. Het gaat me erom dat we beseffen hoe Geesteloos we zijn en dat we vreselijk verlegen zijn om een opwekking. Als je daarvan doordrongen bent, ga je ook niet meer zitten plussen en minnen of de Heilige Geest in onze tijd nog wel de gave van het spreken in tongen geeft. Wij hebben de Geest niets voor te schrijven. Het gaat erom dat we alles van Hem verwachten.’

Als u het zo stelt, wordt de discussie wel erg tot de kern teruggebracht. Een kern waar niemand het mee oneens zal zijn.

‘Laat me een toespitsing maken dat het warempel wel ergens over gaat. Neem de gave van de profetie. Ds. K. ten Klooster (HHK) en ds. C. Harinck (Ger. Gem) schrijven daar bij voorbeeld over dat we die gave niet meer nodig hebben, want we hebben de canon. Als je nu gaat praten over de profetie, dan morrel je aan het unieke gezag van de Heilige Schrift. Achter die karikatuur gaat het wel degelijk ergens over, namelijk over de opdracht, de uitdaging en roeping om het gegeven Woord te actualiseren, zodat er een vonk overspringt tussen het Woord en de werkelijkheid. Juist als je dat in afhankelijkheid probeert, kan de Heilige Geest profetische inzichten geven. Het gaat dan niet alleen om uitleg, maar ook om concrete vertolking. God heeft niet alleen gezegd: Hier heb je een boek, daar doen jullie het maar mee tot aan de jongste dag. Hij heeft zijn Geest daarbij geschonken die vanuit het luisteren naar het Woord verder leidt. Daar willen Ten Klooster en Harinck blijkbaar niet van weten en daarom gebruiken ze grof geschut als ze zeggen: Wie ruimte vraagt voor de gave van de profetie, doet tekort aan het gezag van de Schrift.’

Er is veel discussie geweest naar aanleiding van het congres rond de presentatie van het boek ‘Gaven van de Geest’. Prof dr. J.H. Maris en dr. C Haak haakten publiekelijk af.

‘Ik ben het ook niet eens met alles wat er op dat congres gebeurde. Het ging ons erom mensen met elkaar in contact te brengen om te spreken over het werk van de Heilige Geest. Het was niet de bedoeling dat daarbij ook een ministrygebed zou worden opgevoerd, waarbij verondersteld werd dat de Heilige Geest ter plekke directe boodschappen doorgaf aan iemand die kort daarvoor op het podium een getuigenis had afgelegd. Ik kreeg er kippenvel van. Ik wist er niets van. Maar daar word je als dagvoorzitter wel op afgerekend. Dus als Maris c.s. daarop afgingen, begrijp ik ze wel.’

Terug naar uw appèl. Dat is eigenlijk niet veel meer dan een gebed om de Heilige Geest.
‘Inderdaad.’

Maar jongeren vinden dat te vaag of te algemeen. Die gaan voor – noem maar eens wat - de gaventest.
‘Ja, dus hebben we ook hier op de CHE wel wat te corrigeren. Laatst heb ik met een aantal studenten alle bezwaren doorgenomen die in de kerkelijke pers werden geuit tegen de ‘charismatische vloedgolf’ die onze gemeenten zou overspoelen. Het is geen onzin wat er allemaal in waarschuwende zin wordt geschreven, daar moet je rekening mee houden. De vraag is niet: Wat is mijn gave? De vraag is: Wat is mijn plek in de kerk, mijn roeping? Je ontdekt je gaven vanuit je roeping, niet omgekeerd.’

Hoe functioneert dat in de praktijk van de opleiding?
‘In de loop van de opleiding gaan we met studenten in gesprek over hun competenties. Als de student kwaliteiten bij zichzelf en anderen herkennen, zijn dat belangrijke signalen op de weg waar de Here God zo iemand roept. En in de overgave mag je verwachten dat de Heilige Geest je op die weg dan toerust. In dat kader komen dan de gaven van de Geest aan bod. Maar ze zijn niet los verkrijgbaar, als een hype. Daar komen ongelukken van.’

Maakt u onderscheid tussen gaven die bij het mens zijn, en die bij het nieuwe mens zijn horen?
‘Het begrip ‘talenten’ gebruiken we in een breder verband dan ‘charismata’. Talenten heeft de Here God royaal uitgedeeld onder alle mensen, of ze gelovig zijn of niet. Als je tot geloof komt, kan het zijn dat zo’n talent wordt ingezet in de bedoelingen van de Heilige Geest. Op dat moment is het een charisma geworden, vanuit de toewijding aan de Here en zijn Koninkrijk. Zo kan het zijn dat iemand die inspirerend leiding geeft aan een gemeente daar al een talent voor had. Maar dat hoeft niet altijd. De Heilige Geest is geen enkel schema dwingend op te leggen. Er zijn mensen die door de Geest gaven en mogelijkheden krijgen die je nooit achter hen gezocht had. De charismata liggen dus niet altijd in het verlengde van de talenten.’

De Geest kan talenten inschakelen. Maar de focus ligt vaak op de geestelijke gaven.
‘Willem Smouter (NGK predikant) publiceert binnenkort een boek waarin hij spreekt over ‘herstelwerk’. De Heilige Geest, stelt hij, werkt aan herstel van wat door de zondeval is gecorrumpeerd. Het mens zijn mag weer voluit tot ontplooiing komen. Dat is werk in uitvoering waarover we niet te hoog van de toren moeten blazen. Theologia crucis, theologie van het kruis. Maar er gebeurt wél wat, want er is ook nog opstanding. Smouter plaatst de gaven in het kader van het ‘mens zijn in herstel’. Hij sluit aan bij de schepping en benoemt de gaven als een voorschot op de herschepping.’
 
Sluit het niet óók aan bij de hedendaagse trend van groei en bloei en nog meer groei? Hoe houd je nu de Heilige Geest bij de woorden van God, zodat je niet met de Geest je eigen psychologische gang gaat en je eigen upgrade organiseer?

‘Inderdaad is er een hele ‘groeicultus’, met het risico van een soort ‘succeschristendom’. Die good looking kerkleiders van megagemeenten zoals Willow Creek zouden president zijn geweest van een business company, als ze niet  in een gemeente waren beland.
Van Berkhof heb ik geleerd dat je aan de ketterij het waarheidselement moet ontnemen, om zodoende de dwaalleer te overwinnen. In dit geval moeten we misschien dit waarheidselement onderkennen dat waar Gods Geest werkt ook de mens tot zijn recht komt.’

Door de nadruk op de opstanding en de Geest kan Christus zomaar buiten beeld raken. Hoe houd je die bij elkaar?
‘Het kan niet buiten Christus om. Want de Geest herschept ons naar het evenbeeld van Christus. Wat daar niet mee in overeenstemming is, wordt weggehakt. Calvijn voert een pleidooi voor de ‘duplex gratia’: vergeving en vernieuwing. Kruis en opstanding. Zoals Paulus schrijft ‘…opdat ik Hem kenne in de kracht van zijn opstanding en in de gemeenschap van zijn lijden.’ Waarom moeten we altijd in eenzijdigheden vervallen? De Geest geeft ons een duw in de rug om in deze tijd, waarin de kerk zo langzamerhand een kleine minderheid is, toch verschil te maken en een zoutend zout te zijn. Centraal staat het getuigenis van de verzoening met God; dat kan niet buiten Jezus om. Hij moet ook in de gestalte van de gemeente zichtbaar worden.’
 
Hoogleraar gereformeerde spiritualiteit

Sinds 1 januari bent u hoogleraar ‘gereformeerde spiritualiteit’ aan de Protestantse Universiteit in Kampen. Hoe verhoudt dat zich tot wat we hier bespraken?

‘Wij lezen in die colleges wat Calvijn, Kohlbrugge, Woelderink en vele anderen hebben geschreven.’

En wat u in de loop der tijd hebt geleerd over de Heilige Geest, - dat fietst u daar dan in? Als het bijvoorbeeld gaat over de Nadere Reformatie gaat u meer voor Lampe dan voor Van der Groe?
‘In mijn Kampense opdracht ligt het accent anders. Het gaat om een verdiepte kennismaking met de gereformeerde traditie. Want daarover leven de gekste vooroordelen. Het is dus al heel wat wanneer we met elkaar scherp krijgen wat onder anderen Lampe en Van der Groe echt hebben gezegd. ’

Predikanten die vandaag worden opgeleid leven in een theologisch zeer divers klimaat. Gaat u daarin een accent leggen, met nadruk op de Geest van God en Christus?

‘Dat is een andere frontpositie. Ik werk ook nog in Leuven (Heverlee) aan de Evangelische Theologische Faculteit. Daar voeren we het gesprek met allerlei evangelicals, Wesleyanen  en anderen. De dingen die prof. Maris c.s. mij in de discussie hebben voorgehouden, namelijk dat de Heilige Geest ons altijd bindt aan het Woord en dat Hij ons altijd leidt naar Christus - dat zijn zaken die ik juist met nadruk naar voren zal brengen in Leuven.

12 of 12?  

Terug naar de discussie over het werk van de Geest. Je kunt 1 Korintiërs 12 lezen over de gaven. Maar zou je ook mogen zeggen: Wij zijn een heel andere gemeente, wij kiezen liever voor Romeinen 12.

‘Dat mag in zekere zin wel, want in de discussie over de Geest loop je al snel het gevaar van wetticisme en biblicisme. Dan zegt men: Wij komen in het Nieuwe Testament deze gaven tegen, dus moeten ze precies zo bij ons voorkomen. Bovendien, zeggen ze dan, ze moeten ook nog eens in elke gemeente voorkomen, en waar dat niet zo is, deugt de gemeente niet. Dat vind ik een even verkeerd bijbelgebruik als dat van de cessationisten, die ervan uitgaan dat de gaven alleen in de beginperiode van de christelijke gemeente voorkwamen. Waarom zou een gave die in Korinte voorkwam ook vandaag in Veenendaal of Rotterdam moeten voorkomen?’

En mag je dan al naar gelang de context van de gemeente vandaag ook zeggen: wij leggen het accent bij Romeinen 12? Is dat legitiem? Er was toch ook onder de apostelen en hun medewerkers in het Nieuwe Testament verscheidenheid in bedieningen. Apollos deed ander werk dan Paulus.
‘Het oog kan niet tegen de hand zeggen: ik heb u niet nodig. Maar de ene gemeente kan wel meer een oogkarakter hebben, en de andere een handkarakter. Dat kan wel, als je maar weet dat je met elkaar in verbinding staat en elkaar nodig hebt.’

Naar welke gave zouden we vandaag de dag moeten streven? Welke zou volgens u prioriteit moeten krijgen?
‘Veronderstellende de verbondenheid met de Here Jezus, de verborgen omgang met God – als we die niet kennen, kunnen we niets met de gaven – dan hebben we in deze tijd vooral de gave van de vrijmoedigheid nodig en de gave van de vindingrijkheid. Zoals een broeder tegen me zei: Als ik in een gezelschap ben, bij een vereniging of op een verjaardag, probeer ik altijd iets van een getuigenis door te laten klinken in de gesprekken die ik voer; niet op een afstotende manier, maar uitnodigend.’

Is er een gave die God u heeft toebedeeld?
‘Je kracht is vaak ook je zwakheid. Ik ben invoelend: uit een breed scala van theologisch denken kan ik het positieve benoemen. Mijn valkuil is dat ik soms het gevaar loop te blijven steken in een collage van opvattingen. Mensen moeten ook duidelijk kunnen zien waar ik zelf sta. Het lijkt mij daarom goed van tijd tot tijd mijn nek uit te steken – in alle bescheidenheid.’

Prof.dr. J. Hoek is directeur van de Theologische Hogeschool van de Geref. Bond (THGB), die verbonden is met de CHE, en hoogleraar (Ger. Bond) verbonden aan de Theologische Universiteit te Kampen en de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven