Skip to main content

nr6 • 2006 • Het wondere ambt is zwaar geworden

juli 2006 (20e jaargang nr. 6)

Het wondere ambt is zwaar geworden
Reactie op de briefwisseling van twee dominees

Marja Brak

Uit mijn jeugd herinner ik me hoe er op de kansel indringend gebeden werd ‘dat er ook uit het midden van deze gemeente jonge mannen geroepen zullen worden tot het wondere ambt van dienaar des Woords’. Ik hoor dat niet zo vaak meer en het woord ‘wondere’ al helemaal niet.  Zwaar – dat is het woord dat bij me opkomt als ik de brieven van Westland en Schormans achter elkaar doorlees. Hoewel geen vreemdelinge in Jeruzalem, schrok ik toch van het inkijkje dat zij boden.

Om te beginnen leg ik de vinger bij enkele verzuchtingen van de dominees die ik niet realistisch vind. Laat ze danken dat zij geen struggle for life te voeren hebben, omdat hun brood gewis is. Ze hebben wél goed geregelde arbeidsvoorwaarden, maar feitelijk géén werkgever en zijn derhalve zo vrij als een vogeltje in de lucht. Het is zelfs mogelijk heel lang niet goed te functioneren zonder dat iemand ingrijpt. Als in één van de brieven de dominee ietwat verlekkerd schrijft over de ‘leasebak’ van een vriend uit het bedrijfsleven, moet hij wel bedenken dat die vriend voortdurend een zwaard boven zijn hoofd heeft: morgen kan zijn baan, en daarmee zijn toekomst, weg zijn. Ook hun veelheid aan taken vinden de dominees bijzonder. Heel wat mensen zullen daar hun schouders over ophalen. Het probleem lijkt mij ook niet de hoeveelheid, maar het feit dat ze voor een deel ervan niet zijn opgeleid. Het werk van een dominee is nooit af, zo verzuchten ze ook, er is altijd wel achterstallig bezoekwerk. Mensen in het bedrijfsleven of met een eigen zaak zullen erom glimlachen: bij hen krijgt geen enkele taak de kans achterstallig te worden: overwerken, werk mee naar huis, gewoon later naar bed en vroeger op. En tot slot: één van de predikanten noemt zijn roeping in het gezin de allerbelangrijkste. Wie dat tegen zijn baas zegt, krijgt hoogstwaarschijnlijk het advies zijn baan op te zeggen en huisman te worden. Toen ik dit las, vond ik het celibaat toch weer niet zo verwerpelijk.  

De kern

Bovengenoemde uitlatingen neem ik dus met een flinke korrel zout. Maar ik heb wel degelijk oog voor de zwaarte van het ambt van predikant. Hij staat er tegenwoordig in de gemeente vrijwel alleen voor. En hoewel één van de predikanten in zijn brief opmerkt, dat het wel prettig is dat zijn stem zwaar weegt (terwijl hij er tegelijk beducht voor is een dominante dominee te zijn), is het toch een weinig benijdenswaardige positie. De gemeente is van een gewillige kudde veranderd in een grillige horde. De pastorale problematiek is zeer complex geworden en gemeenteleden laten zich niet meer gezeggen door het Woord, laat staan door de dominee. De kerkgangers zijn veeleisend, vervelen zich snel en zoeken het een kerk verderop als het niet meer bevalt. Kerkenraadsleden zijn minder ingevoerd in allerlei zaken en hebben te kampen met tijdgebrek. En dan is er ook nog de enorme druk doordat de kerk bijna overal leger wordt. Ligt dat aan mij, de dominee?
Zo is de dominee degene geworden die altijd voorop moet lopen en ook degene die – zo zeggen de predikanten zelf – grotendeels de identiteit en de koers van de gemeente bepaalt. Dat lijkt me een flinke ontsporing.

(Bij)scholing

Dominees van de leeftijd van Westland (dicht bij Vut of emeritaat) hebben het vak in betrekkelijke rust kunnen leren en zijn meegegroeid met de ontwikkelingen. Maar wie nu 25 jaar oud is en de pastorie in gaat, wordt in het diepe gegooid en moet maar zien dat hij het volhoudt 40 jaar de verraderlijke stromingen van de volle zee te trotseren. Ik heb een gruwelijke hekel aan het woord ‘kerkleider’, maar het is een feit dat de predikant een leider, een manager is geworden. Dat heeft hij niet geleerd. Dat betekent dat de opleiding aangepast zal moeten worden. Waarom wordt er bij voorbeeld niet een flink aantal maatschappelijke stages in het pakket van de kerkelijke opleiding opgenomen? Of waarom wordt men niet eerst een paar jaar junior predikant naast een senior, zoals men in Engeland schijnt te doen? Bekijk ook het hele bijscholingsprogramma eens: is dat niet veel te eenzijdig gericht op prediking en pastoraat? En moeten er niet veel strengere criteria komen voor de besteding van het studieverlof? Wie een cursus wil volgen in de tijd van de baas is ook niet vrij in zijn keuze.  
Iets anders nog: in de brieven wordt ook geklaagd over het door elkaar lopen van werk en privé leven. Het hoofd van de school woonde vroeger bij de school en de huisarts bij zijn praktijk. De maatschappij is ervan teruggekomen, maar de dominee werkt nog altijd thuis. Waarom geen werkplek elders? Het is veel beter ’s morgens de huisdeur achter je dicht te trekken en naar je werk te gaan dan moeten schipperen met de afleidingen die de thuissituatie met zich meebrengt. Nog afgezien van het feit dat ik als gemeentelid nogal bang zou zijn de dominee in zijn privé domein te storen.   

De kerkenraad

Hoe principieel we ook kunnen praten over de verschillende ambten en vooral over het regeerambt van de kerkenraad, de praktijk is totaal anders. Het is uitermate moeilijk om ambtsdragers te vinden. Dat moet wel kwaliteitsverlies betekenen en zo zijn nogal wat kerkenraden geen goed tegenover meer van de predikant. Of er aan de (on)mogelijkheden van kerkenraden veel te veranderen is, betwijfel ik. Misschien moeten we daarom toe naar een andere werkstructuur: de dominee weghalen uit zijn solistisch bezig zijn, omdat het te zwaar is voor hem en niet goed voor de gemeente. Te denken is aan het vormen van een team, waarvan naast de predikant een HBO-er (of vicaris of stagiair) en een voor een stukje werktijd vrijgestelde ouderling deel uitmaken. En waar men de vrouw in het ambt niet kent, kan mogelijk ook een vrouwelijk gemeentelid met organisatorische gaven worden toegevoegd. Financieel niet haalbaar? Misschien moet de dominee dan voor een stukje van zijn tijd betaald werk in de maatschappij gaan doen (naast de celibatair Paulus haal ik dus ook graag tentenmaker Paulus als voorbeeld aan) waardoor er budget vrijkomt voor taken die anderen van hem overnemen.

Zwijgcultuur

Voordat we aan bovenvermelde omslag toe zijn, is er al wel iets te verbeteren. In nogal wat gemeenten en kerkenraden heerst een dodelijke zwijgcultuur als het om het bezig zijn van de predikant gaat. Eindeloos praten óver de dominee, maar niet met hem. Daar hebben de dominees het in hun brieven niet over, maar ik weet dat het een feit is. Een nieuwe predikant wordt juichend binnengehaald, maar na een jaar of nog korter begint het gemurmureer: ‘Hij doet toch wel weinig bezoekwerk. Met de jongeren kan-ie ook niks. Hij groeit niet in zijn preken.’ Als ik dan verwonderd vraag: ‘Bespreken jullie dat niet in de kerkenraad?’ is de reactie: ‘Nou, eh, nee, dat ligt nogal gevoelig… we worden het toch niet eens…’ ‘En in een persoonlijk gesprek dan?’ ‘O nee, dat pakt-ie vast niet goed op. Nee, dan heb ik het gedaan…’
Zo blijft de dominee de eenzame fietser en komt het erop aan hoe sterk hij is. Het is de hoogste tijd dat er functioneringsgesprekken (of welke naam je ze ook geeft) komen met predikanten. Kies daarvoor een paar wijze mensen (kerkenraadsleden samen met gemeenteleden) die dit goed kunnen. Eventueel met iemand vanuit de landelijke kerk erbij. De visitatie zal ooit wel zo bedoeld zijn geweest, maar voldoet mijns inziens niet meer als het om het functioneren van de predikant gaat.

Ten slotte

Is het allemaal kommer en kwel? Nee, want ik lees in de brieven ook veel geloof. Bij de predikant die 35 jaar in het ambt staat is er daarnaast de volharding. En bij degene die drie jaar predikant is, is er naast het geloof het enthousiasme en de hoop. Als ik hun eerlijke verhalen lees, heb ik grote bewondering voor hun trouw en inzet. Maar ik maak me wel zorgen over de toekomst van de gemeente, de kerkenraad én de predikant. Het zou allemaal dicht te smeren zijn met gelovige en principiële woorden. Dat doe ik niet. De gemeente als eenmans (dominees)bedrijfje lijkt me niet bijbels en niet gewenst. Het roer zal om moeten. Maar met dat ik dit constateer, vraag ik me ook af wie er iets aan zal doen.