39e jaargang nr. 3 (mei 2025)
thema: Herbetovering. Om al uw tekens te verstaan
Mirjam Elbers
Mundus semper desanctificandus est
Of: laat de wereld steeds opnieuw onttoverd worden!
Na een aantal stevige secularisatierondes die het christendom in de westerse wereld substantieel hebben gemarginaliseerd, slaat de theologie momenteel een nieuwe (doch oude) weg in: die van de ‘sacramentele heroriëntatie’. Werd de twintigste eeuw gekenmerkt door een kritische (dialectische) theologie die inzette op bevrijding, emancipatie en religiekritiek, het begin van de 21ste eeuw is daarentegen gericht op ‘re-enchantment’.
Wie de kaalgeslagen, (post-)neoliberale samenlevingen ziet met hun harde, a-culturele en utilistisch-technologische focus, kan in eerste instantie alleen maar begrip hebben voor de kritiek op de ‘onttovering’ die de westerse wereld heeft ondergaan. Een pleidooi voor verwondering, voor aandacht, voor inleving en medemenselijkheid, niet in de laatste plaats gevoed door de kunsten en de natuur, kan mij niet welkomer zijn. De vraag is wel: waarom moet dat religieus of kerkelijk worden ingevuld?
Het is misschien goed om eerst vast te stellen dat Max Weber, aan wiens werk de term onttovering ontleend is, het begrip geenszins bedoelt als een aanklacht tegen de moderne tijd. Integendeel, in zijn lezing ‘Wetenschap als beroep’ gebruikt Weber deze term juist om de beperking van de wetenschap aan te geven. Ze is geen ‘profetie’ en ook geen politiek. De wetenschap gaat niet over de waarde van de dingen die bestaan, maar over de werking ervan. Ze gaat uit van een onttoverde wereld, waarin niet goddelijke, onberekenbare krachten de dienst uitmaken, maar rationeel te doorgronden beginselen. Zelfs al weten wij zelf niet precies hoe het onweer ontstaat of hoe een tram werkt, we leven in het vertrouwen dat we die dingen zouden kunnen weten en beheersen. Weber haast zich om eraan toe te voegen dat de wetenschap om die reden niet geëigend is om een antwoord te geven op de vraag naar de zin of de waarde van het leven. Zo geeft de geneeskunde geen antwoord op de vraag of het leven het wáárd is verlengd te worden. Onttovering is dus een beschrijving van de aard én de beperking van de wetenschap.
Tegenwoordig is het begrip onttovering in theologische kringen echter welhaast een waardeoordeel over een wereld die weinig meer geeft om heilige plaatsen en tradities, maar tegelijk blijkt geeft van een verlangen naar ervaringen waarvoor in de wetenschap geen plek is: ervaringen die een mens uittillen boven zijn alledaagse bestaan en het gevoel geven dat de wereld groter is dan wat wij beheersen kunnen en zinvoller dan we uit de empirische werkelijkheid kunnen opmaken. Jan Martijn Abrahamse doet daarvan eloquent verslag in zijn boek Verlangen naar het heilige en verzamelt vele stemmen, zowel christelijke als seculiere, die getuigen van een verlangen naar ‘resonantie’ (Rosa) of zelfs het ‘heilige’ (Scruton, Williams, Boersma). Hij grijpt daarbij uiteraard allereerst terug op Rudolf Otto (Das Heilige) en betoogt dat het christendom de wereld veel te bieden heeft aan hernieuwd sacramenteel denken. De huidige ecologische crisis heeft de noodzaak van een hersacramentalisering, met name in onze omgang met de natuur, voor velen nog eens extra onderstreept.
Over de sacramentele heroriëntatie die vanuit de theologie wordt voorgesteld valt heel veel te zeggen. Helaas kan ik in dit artikel hooguit wat aspecten aanstippen die volgens mij bedacht moeten worden voordat we ons als theologen, kerkmensen, bezorgde burgers of cultureel ontheemden al te sterk maken voor een herbetovering of herverwondering van de wereld, vooral als we die ook nog eens willen koppelen aan JHWH, de God van de Bijbel, de vader van Jezus Messias.
De onttoverende werking van de Bijbel zelf
De ‘Werdegang’ van het heilige zoals die door Abrahamse en anderen wordt beschreven doet het voorkomen alsof de joods-christelijke traditie ‘hoogbetoverd’ inzet met haar heiliging van sabbat, tabernakel en gemeenschap. Vervolgens wordt beschreven hoe die heilige tijden en plaatsen in de seculiere, moderne maatschappij verloren dreigen te gaan. Wat in zulke analyses vaak volkomen ontbreekt is de onttoverende werking van de Bijbel zelf. Ook Weber koppelt de onttovering van de wereld vooral aan de Griekse geest en de moderne wetenschap, maar vergeet dat de Hebreeuwse Bijbel zelf een radicale onttovering voorstaat. De bijbelse teksten kennen een zeer kritisch aspect dat de wereld juist van zijn heiligheid ontdoet. De belijdenis ‘Geen andere goden!’ betekent feitelijk dat niets of niemand zich erop kan beroepen heilig te zijn. We kunnen daarbij denken aan het feit dat in de bijbelse teksten de natuur en natuurlijke verschijnselen een dienende rol krijgen te spelen: de hemellichamen hebben slechts lampen te zijn (Gen. 1:16), de zon staat stil als JHWH dat wil (Joz. 10:12), zelfs de zee en de bergen juichen voor de Heer (Ps. 98:8). ‘De Naam Gods betekent de ontgoddelijking van de wereld en de ontkenning dat het bestaande, hoe machtig ook, in zichzelf sacraal zou kunnen zijn en om zichzelf goddelijke verering verdient’ (K.H. Miskotte). Volgens de Egyptoloog Jan Assmann is dit een radicale wending binnen de religies van het oude Nabije Oosten: niet langer dient de religie om de natuurlijke status quo in stand te houden. Het ‘kosmotheïstisch’ wereldbeeld, waarin de kosmos de heiligheid van de godheid ademt, wordt vervangen door een wereldbeschouwing waarin in principe niets meer heilig is – behalve JHWH zelf. Hij neemt soms mensen of plaatsen ‘apart’ en heiligt die, maar die heiligheid ligt nooit vast. Als het volk de heiligheid van ‘hun’ JHWH wil fixeren in een gouden kalf, wordt dat als afgoderij veroordeeld (Ex. 32). Maar ook David, die meent dat hij de ark van JHWH als heilig voorwerp in Jeruzalem kan plaatsen, komt bedrogen uit: de heiligheid van JHWH blijkt niet te pakken en niet vast te leggen (2 Sam. 6). ‘Heiligheid’ is in de Bijbel een daad, geen ervaring van sacramentaliteit waarin we boven onszelf uitgetild te worden om de zin van het leven te voelen. In veel bijbelverhalen is de ongrijpbare aanwezigheid van JHWH een verzengende en ontregelende ervaring – waarin een mens wordt geroepen om iets te doen wat hij niet kan (of wil). JHWH breekt met alles wat heilig is en stelt zijn volk in een woestijn waarin er niets anders is dan een Stem. ‘God maakt zijn uitverkorenen tot ONGELOVIGEN, namelijk ten opzichte van de wereld en al haar goden’ (K.H. Miskotte). De moderne wetenschap met haar onttoverde wereldbeeld is een vrucht van de bijbelse tradities zelf, niet hun tegendeel.
De ecologische crisis als aanleiding voor hersacramentalisering
Een van de meest begrijpelijke aanleidingen voor een sacramentele heroriëntatie is ongetwijfeld de zeer zorgwekkende ecologische situatie van de aarde. De onttovering van de wereld, die dus mede een vrucht is van de joods-christelijke traditie, heeft de mens verlost van de aanbidding van natuur (en cultuur) en in een verantwoordelijkheid tegenover zijn omgeving geplaatst. Maar van die verantwoordelijkheid is bitter weinig terechtgekomen. De gevolgen van onze onverantwoordelijke omgang met de aarde maakt dat velen een hernieuwd beroep doen op de sacramentaliteit van ‘de schepping’. Zo schreef Stefan Paas in NRC (26 mei 2023) dat er een ‘religieuze omgang met de schepping’ nodig is. En Karen Armstrong wijdde er een heel boek aan: in Sacred Nature voert zij een pleidooi voor een ‘heilige omgang’ met de natuur.
Er zijn hier twee problemen die met elkaar samenhangen: allereerst is er het onheuse gebruik van het woord schepping. Dat woord verwijst hier (vermoedelijk) naar het werkwoord ‘scheppen’ uit de Hebreeuwse Bijbel. Daar betreft dat een inderdaad heiligende acte van JHWH zelf, die de chaos van water en duisternis omvormt tot leefbare kosmos. Het zelfstandig naamwoord ‘schepping’ kent de Bijbel niet of nauwelijks. Kunnen we nu zomaar stellen dat het resultaat van dit ‘scheppen’ van JHWH samenvalt met wat wij om ons heen zien? Zijn de parasieten, roofdieren, aardbevingen en virussen een op een schepping te noemen? Of gaat het verhaal van JHWH’s scheppen over een roeping, een visioen, waarin de bedoeling van hemel en aarde onthuld worden? In verreweg de meeste theologische verhandelingen (ook in dit nummer van Kontekstueel) wordt met ‘schepping’ vooral ‘dat wat niet God is’ of ‘natuur’ bedoeld. Ik stel voor dat we hier gewoon ‘wereld’ zeggen.
Het tweede probleem hangt met deze gelijkstelling van Gods scheppen en de ‘wereld’ samen: de voorstellen van Paas en Armstrong (en ze zijn bepaald niet de enigen) zijn goed bedoeld, maar lopen het gevaar dat de (religieuze) eerbied voor de wereld die wereld tot de norm verheft. Dat het ‘natuurlijke’ normatief wordt. Wees op je hoede als er geschermd wordt met dat wat ‘natuurlijk’ is. We kunnen misschien bewonderend toekijken hoe natuurvolkeren een religieuze omgang met de natuur hebben, maar vrouwen hadden en hebben daar zelden gelijke rechten. Om over homoseksuelen maar te zwijgen. Overal waar de natuur of de ‘natuurlijke orde’ van een heilig aura wordt voorzien (ook zogenaamde ‘scheppingsordeningen’), legt de emancipatie het loodje – terwijl in de bijbelse context de natuurlijke orde juist wordt bevraagd (van lopen over water tot ‘in Christus is man noch vrouw, slaaf noch vrije’, Gal. 3:28).
Al eerder (In de Waagschaal 51/11 en The Other Journal 2023) heb ik voorgesteld om een ander bijbels beeld te gebruiken voor de omgang met de wereld: de tuin. Niet de natuur op zichzelf, maar de op orde gebrachte, leefbaar gemaakte natuur staat in de Bijbel centraal. Bij dat beeld komt ook de menselijke verantwoordelijkheid om de hoek kijken om de aarde tot een plaats te maken waar allen kunnen floreren, maar waar ook onkruid gesnoeid wordt ten behoeve van de kwetsbare bloemen en planten.
De bredere vraag die we vanuit deze discussie kunnen stellen is of we voor een hernieuwde ervaring van ‘heiligheid’ die gepaard gaat met verantwoordelijkheid voor deze wereld wel een hersacralisering nodig hebben. Paas meent dat er religie nodig is om goed met de aarde om te gaan. Het lijkt me juist rationeel dat de mens zijn eigen woonplaats schoon en leefbaar houdt – daar heb je geen religieuze heiligverklaring of herbetovering met alle gevolgen van dien voor nodig. Abrahamse schrijft in zijn boek dat ‘wanneer het heilige wordt verdrongen door de sfeer van het profane (…) alle tijden en plaatsen hetzelfde worden’: alsof voor niet-religieuze mensen die de wereld niet verbinden met een transcendente godheid alles doods en zonder onderscheid of verwondering is. Het kan zelfs bevrijdend zijn om de wereld zoals zij is van haar betovering of sacraliteit te ontdoen en zo ruimte te scheppen voor nieuwe inzichten en ervaringen – ook ervaringen van verwondering.
Heiligheid: wie bepaalt dat?
Dat brengt ons bij het besef dat betovering of heiligheid ook altijd een machtsgreep vergt. In de ecotheologische discussie zagen we al hoe normativiteit een probleem wordt: is het natuurlijke (dat-wat-er-is) tevens de norm (dat wat er zou moeten zijn)? Oftewel: wie bepaalt eigenlijk wat ‘heilig’ is, wat ‘resoneert’ en wat niet? De voorbeelden die in de sacramentele heroriëntatie genoemd worden zijn altijd positief en veilig: een sterrenhemel, de Matthäus Passion, een wandeling in de (niet-bedreigende) natuur. Maar hebben die ‘optillende’ ervaringen echt iets te maken met het verhaal van JHWH en zijn volk? En hoe zit het met de meer ambigue ervaringen (en ervaringen zijn áltijd ambigue)? Ook de verrukking van de erotiek kan een intense ervaring van betovering, zingeving of zelfs het heilige zijn – maar de kerk heeft nu juist die ervaring eeuwenlang in een kwaad daglicht gesteld. Het is een ervaring die in haar geperverteerde tegendeel kan verkeren. Hetzelfde geldt voor de saamhorigheid in een voetbalstation: prachtig of luguber?
Een sacrament is dus altijd een machtsgreep: er wordt een heilige status verleend aan een menselijke, profane zaak. Daarom ben ik blij dat de protestantse theologie slechts twee sacramenten kent, die bovendien zeer dicht aanliggen tegen de context van het bijbelverhaal: doortocht door de zee en delen van brood en wijn. De sacramentalisering van iedere andere, profane werkelijkheid is linke soep: wie zijn wij om een voorwerp, een mens, een gebeurtenis, een kunstwerk of een natuurverschijnsel heilig te verklaren? We zagen hoe de Bijbel zelf daar telkens protest tegen aantekent: het heilige voorwerp van de ark verandert in een vervloekt object, de gezalfde koning in een ongehoorzaam en ontrouw mannetje. Dat veel bijbelteksten narratieve teksten zijn, geeft ook al aan dat de teksten uit zijn op een steeds terugkerende desanctificatie van absolutisme en heersende normen. In die zin zou je de sacramentele heroriëntatie een (laatste?) stuiptrekking kunnen noemen van een christendom dat graag een vinger in de pap houdt als het om sacraliteit gaat.
Tenslotte: de titel die de redactie voor mijn bijdrage had bedacht was ‘Laat de wereld maar onttoverd blijven’. Was het maar zo simpel. Waren we maar getuige geweest van de kritische onttovering of ontheiliging van ons samenleven. Helaas hebben we in de secularisatie niet zozeer met een ontheiliging als wel met een verschuiving van heiligheid te maken: de heiligheid of eerbied is verplaatst van de door de heersende kerk opgelegde heiligheid van kerkgebouwen, kerkelijke praktijken en niet in de laatste plaats knellende, moralistische en knechtende regels naar een eerbied voor en aanbidding van efficiëntie, geld, opbrengst en vitaliteit in de meeste banale zin. Volgens de Bijbel moet de wereld steeds weer gered worden van haar eigen hang naar heiligheid – juist omwille van de open ontmoeting en verwondering.
Dr. M. Elbers is theoloog en senior acquirerend uitgever voor de klassieke oudheid bij Brill in Leiden (PhD 2024, KU Leuven).
Mailadres:
- Raadplegingen: 452