Skip to main content

nr5 • 2025 • Nicea en christologie

39e jaargang nr.  5 (september 2025)
thema: Wij geloven - 1700 jaar Nicea

Herwi Rikhof
Nicea en christologie

‘Wie zeggen jullie dat Ik ben?’ De vraag die Jezus aan zijn leerlingen stelt, midden in het evangelie van Marcus op weg van Galilea naar Jeruzalem, is een vraag die hij over de eeuwen heen stelt aan al zijn leerlingen. Op die vraag wordt door Petrus een antwoord gegeven: ‘U bent de messias’ (Marc. 8:29; zie ook Luc. 9:20). In het evangelie van Matteüs is Petrus’ antwoord iets uitgebreider: ‘U bent de messias, de Zoon van de levende God’ (Mat. 16:16).
Een antwoord dat lijkt op het begin van het evangelie van Marcus (‘Het begin van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God’) en op het (originele) slot van Johannes (‘opdat u gelooft dat Jezus de messias is, de Zoon van God…’, 20:31). Het doopverhaal, dat in alle evangelies te vinden is – het enige trinitaire verhaal in de Schrift – bevat ook een antwoord. Hoe verschillende die doop ook verteld wordt in de vier evangeliën, in alle verhalen klinkt de term ‘Zoon’ en wordt Jezus door de nederdaling van de Geest geopenbaard als de messias (Mat. 3:13-17; Marc. 1:9-11; Luc. 3:21; Joh. 1:32-34).
Maar tegelijkertijd is duidelijk dat het antwoord dat Petrus geeft en de titels die Jezus krijgt bij zijn doop niet het laatste woord zijn. Wat betekenen ze? Na de doop confronteert de duivel Jezus met een interpretatie van ‘Zoon van God’, een heel redelijke en voor de hand liggende interpretatie, die Jezus afwijst. In het evangelie van Lucas volgt op die confrontatie in de woestijn een andere confrontatie in Nazaret rond de interpretatie van ‘gezalfd met de Geest’. En later verzet Petrus zich tegen een lijdende messias.

De Ariaanse kwestie
De discussie over de betekenis van ‘Zoon van God’ en ‘de door God gezonden messias’, die in de evangelies te proeven valt, houdt aan en krijgt in de Ariaanse kwestie een extra scherpte, ook en vooral omdat het een discussie is tussen christenen. Arius is een gelovig man met een grote eerbied voor het God-zijn van God. Er is maar één God en niets of niemand anders kan in eigenlijk zin ‘god’ genoemd worden. Eén die eeuwig is, zonder begin of bron, Eén die ongeschapen is, Eén die onveranderlijk is. De consequentie van deze strikte nadruk op de transcendentie is dat al het andere geschapen is. Het goddelijk zijn is niet mededeelbaar. Dat zou betekenen dat er meerdere goden zouden zijn.
Dat heeft ook consequenties voor de visie op de Zoon: die verschilt fundamenteel van God en kan dus geen ‘god’ genoemd worden. Hij is schepsel, weliswaar de eerstgeborene van de schepping en perfect, maar schepsel. Hij heeft een begin, weliswaar voor alle tijden, maar een begin. Hij heeft, zoals alle schepselen, een beperkte kennis van God. Hij is, zoals alle schepselen, onderhevig aan verandering.
Maar hoe eerbiedig ook: die hoge, massieve en gesloten opvatting van de transcendentie Gods roept grote problemen op voor schepping en verlossing. Voor zowel de schepping als de verlossing is een intermediair nodig. Maar die intermediair kan niet ‘god’ in eigenlijke zin genoemd worden. Wat betekent dan heil van Godswege?

Concilie en geloofsbelijdenis
Omdat die binnenkerkelijke discussie, gezien de veranderende positie van het christendom in het Romeinse Rijk – van vervolgd tot geaccepteerd in een paar decennia – ook een publieke en politieke discussie wordt en wel een die de eenheid van de staat bedreigt, roept keizer Constantijn in 325 een concilie bijeen in Nicea. Op dat concilie wordt een geloofsbelijdenis aangenomen. Al bij eerste lezing valt opdat die geloofsbelijdenis uit twee delen bestaat. Een positief gedeelte dat gestructureerd wordt door drie keer ‘in’: ‘Wij geloven in één God Vader, … en in één Heer Jezus Christus, Zoon van God, … en in de heilige Geest.’ En een veroordelend gedeelte waarin degenen die bepaalde visies houden buiten de kerk geplaatst worden. ‘Maar degenen die zeggen “er was een tijd dat Hij niet was”, en “Hij was er niet voor Hij geboren werd”, en dat Hij uit het niets geworden is, of, die beweren dat de Zoon van God van een andere hypostase of ousia is, of, onderhevig aan verandering of wisseling: deze sluit de katholieke en apostolische kerk uit.’
Ook valt op dat de drie onderdelen van het positieve gedeelte nogal ongelijk van lengte zijn. Bij de Vader wordt gezegd ‘almachtig, maker van al het zichtbare en onzichtbare’ en de heilige Geest wordt alleen maar genoemd, maar praktisch alle aandacht gaat uit naar de Zoon. De visies die veroordeeld worden, hebben ook met de Zoon te maken. Het is duidelijk dat de geloofsbelijdenis, die qua structuur teruggaat op de doopondervraging, door de Ariaanse kwestie een heel eigen accent gekregen heeft.
Wie vervolgens dat onderdeel over de Zoon aandachtig bekijkt, ontdekt dat twee nogal verschillende vormen van taal gebruikt worden met daaraan corresponderend twee verschillende blikrichtingen. Allereerst wordt een uitleggende en argumenterend taal gebruikt, waarbij de blik gericht is op het zijn van Jezus Christus, op zijn identiteit, en vervolgens een verhalende en beschrijvende taal gericht op het doen van Jezus Christus, op zijn werkzaamheid en wel ‘omwille van ons en omwille van ons heil’.
Die twee vormen van taalgebruik en ook die twee blikrichtingen zijn op zich niet vreemd of beperkt tot deze geloofsbelijdenis. Integendeel: ze zijn heel herkenbaar in ons gewone spraakgebruik. Als we over mensen spreken, kunnen we aandacht geven aan wat ze doen of gedaan hebben, én aan wie ze zijn of waren. Een goed voorbeeld van deze combinatie zijn de necrologieën van bekende Nederlanders. De combinatie is ook niet vreemd of beperkt tot deze geloofsbelijdenis. We gebruiken het spreken over wie mensen zijn, bewust of onbewust, als een interpretatiekader voor het spreken over hun doen en laten. Het maakt nogal wat uit of je de beroepsgroep waar iemand toe behoort als betrouwbaar of onbetrouwbaar ziet. Maar als je de Geloofsbelijdenis van Nicea vergelijkt met de Apostolische Geloofsbelijdenis, dan valt op dat die blikrichting op het zijn, op de identiteit van Jezus Christus, in die laatste geloofsbelijdenis niet zo prominent aanwezig is. De aandacht voor de identiteit van Jezus is het eigene en het karakteristieke van de Geloofsbelijdenis van Nicea. Ook is duidelijk uit de toon van dat spreken over de identiteit van Jezus Christus dat die aanwezigheid van dat spreken niet onschuldig is, maar dat het interpretatiekader bewust ingebracht wordt en een polemische kant heeft. Dat is te zien in het veroordelende slot, maar ook in wat volgt op ‘Zoon van God’.
‘Geboren uit de Vader’ is het eerste wat gezegd wordt en dat wordt meteen uitgelegd: ‘dat is van de substantie (ousia) van de Vader’. Die term komt iets later weer terug in wat hét woord is dat bij het Concilie van Nicea hoort: homoousion, van dezelfde substantie van de Vader, één in wezen met de Vader. Homoousion is de term die valt aan het eind van een reeks termen die alle de oorsprong van de Zoon uitleggen: God van God, Licht van Licht, ware God van de ware God, geboren, niet geschapen. Die reeks is een opklimmende reeks, een soort trap waarbij elke trede niet voldoende is, maar om een volgende vraagt. Die opklimmende reeks kun je lezen als een weerslag van een discussie en dat lijkt ook het geval te zijn: een poging om antwoorden te vinden, met telkens de ontdekking dat een bepaald antwoord toch niet voldoende is.
Om het wat technisch te formuleren: naast de aandacht voor de oikonomia, Gods werking in onze geschiedenis, wordt in de deze geloofsbelijdenis aandacht gegeven aan de theologia, spreken en denken over wie God is in zichzelf. Maar het gaat daarbij bovendien niet om een wel aardige of zelfs begrijpelijke toevoeging, maar om de noodzaak van de theologia. Om de noodzaak van de theologia toe te lichten moeten we terug naar de Ariaanse kwestie.

Opnieuw de Ariaanse kwestie
De Ariaanse kwestie is niet alleen een discussie tussen christenen, het is ook een discussie over het lezen van de Schrift. In die discussie beriepen de verschillende partijen zich op bepaalde passages. Bijvoorbeeld op ‘want Ik ben bij God vandaan gekomen’ (Joh. 8:42) – maar Paulus stelt dat alles uit God is (1 Kor. 8:6). Daarmee wordt de eerste tekst niet exclusief. Of op Johannes 17:3: ‘Het eeuwige leven, dat is dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus.’ Voor de Arianen is dit een tekst waarin het fundamentele verschil tussen Vader en Zoon wordt uitgedrukt, maar voor niet-Arianen niet. En dat geldt ook voor Johannes 14:28: ‘de Vader is meer dan Ik.’ Ook teksten uit de synoptici zijn voor verschillende uitleggingen vatbaar, zoals Jezus die in de Hof van Olijven in doodsangst bidt.
Door die verschillende uitleggingen van dezelfde teksten werd een gegeven duidelijk dat niet alleen speelt bij het lezen van de Schrift, maar ook bij het lezen van andere teksten: dat vooronderstellingen een beslissende rol spelen en dat men zich zo goed mogelijk bewust moet worden of zijn van die vooronderstellingen. De Ariaanse kwestie is daarmee een kwestie van alle tijden. Maar we weten ook dat het niet altijd goed mogelijk is tot dat bewustzijn te komen, omdat wat voorondersteld wordt meestal als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Afstand is vaak de enige mogelijkheid om die vanzelfsprekendheid te doorbreken. Maar ook discussie helpt, al was het alleen maar als een eerste stap in het openbreken van die vanzelfsprekendheid. En dat gebeurt precies in de Ariaanse kwestie.
De tegenstanders van Arius en de zijnen kunnen en willen de consequenties van diens visie voor ‘omwille van ons heil’ niet aanvaarden, omdat het geen recht doet aan bijvoorbeeld het gedoopt zijn ‘in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest’. Daarom worden zij als het ware gedwongen zo goed en kwaad als het gaat in die discussie over het lezen van de Schrift die vooronderstellingen boven water te krijgen. De vooronderstelling waar het hier om gaat is het denken in termen van hoger en lager dat alles bepaalt: subordinationisme. Gecombineerd met die hoge en gesloten opvatting over transcendentie leidt dit tot een visie die geen recht kan doen aan de kern van het christelijke geloof dat Jezus de God, die niemand ooit gezien heeft, heeft doen kennen (zie Joh. 1:18) en dat alleen Jezus de ware weg tot de Vader is (zie Joh. 14:4-11). De hoogte, breedte en diepte van de menswording van God vraagt om een reflectie die bestaande kaders van denken en spreken doorbreekt en overstijgt.
Maar als transcendentie door de menswording Gods opnieuw bedacht moet worden, moet dat ook gebeuren met immanentie. Wanneer Pilatus de mishandelde Jezus aan het volk toont, zegt hij ‘zie de mens’. Een formulering die te denken geeft. Is het een gewone uitspraak in de zin van ‘hier heb je hem’? Of is het een gelaagde formulering, zoals vaker in het evangelie van Johannes? In dat laatste geval gaat het niet om een pure immanentie, maar om een doorzichtige, waarin recht wordt gedaan aan de incarnatie Gods. Pilatus is dan onbewust een verkondiger, zoals ook zijn eerdere vraag naar de waarheid de lezer aan het denken kan zetten. Tussen een hoge, gesloten transcendentie en een pure, ondoorzichtige immanentie moet een andere term de transparantie die nodig is om de incarnatie goed te bedenken pakken. ‘Sacrament’ is dan een goede kandidaat, want om Augustinus te parafraseren: je ziet het ene en je denkt aan het andere.

Het negatieve gedeelte van de geloofsbelijdenis
Het negatieve gedeelte van de geloofsbelijdenis wordt meestal weggelaten. Maar het is tot slot belangrijk toch nog even aandacht aan dat deel te geven. Dat deel maakt duidelijk dat het positieve deel niet in het luchtledige is ontstaan, maar thuishoort in een discussie onder gelovigen. De uitsluiting waarmee dit deel eindigt kan alleen maar zinvol zijn als het om een ‘binnenkerkelijke’ discussie gaat. Die historische context maakt ook duidelijk dat elke positieve belijdenis in zekere zin voorzichtig begrepen moet worden. De neiging om die positieve belijdenis los te zingen van de historische context is groot, zeker als de belijdenis met de toevoegingen van Constantinopel (381) een plek in de liturgie krijgt en voor de verschillende kerken een constitutionele tekst wordt. Daarmee is niet gezegd dat de Geloofsbelijdenis van Nicea dus ‘maar’ een 1700-jarige tekst is. Daarmee wordt wel gezegd dat, als we die geloofsbelijdenis serieus nemen, we weet moeten hebben van de beperkingen van onze menselijke taal, dat we ons voortdurend moeten realiseren dat we als gelovigen dingen zeggen omdat we andere dingen niet willen zeggen en dat we dus niet altijd precies weten wat we dan wel moeten zeggen, belijden, bidden en zingen.

Prof. dr. H.W.M. Rikhof is emeritus hoogleraar systematische theologie aan de Tilburg School of Catholic Theology en pastor van de Cenakelkerk in Heilig Landstichting.
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

  • Raadplegingen: 44