nr5 • 2025 • 1700 jaar Nicaenum
39e jaargang nr. 5 (september 2025)
thema: Wij geloven - 1700 jaar Nicea
Eginhard Meijering
1700 jaar Nicaenum
De meeste christelijke kerken beschouwen de in 325 geformuleerde geloofsbelijdenis van Nicea als een uitdrukking van hun geloof. Die is echter wel in bittere theologische twisten tot stand gekomen, die na 325 nog zijn doorgegaan. Tegenwoordig zijn er christelijke organisaties die, als het om de geestelijke achtergrond gaat, deze belijdenis in de statuten opnemen. Toch zijn er in onze tijd ook velen die de belijdenis achterhaald vinden – om uiteenlopende redenen.
Het belangrijkste twistpunt was of het juist was om van Jezus Christus te zeggen dat Hij ‘één in wezen’ (Grieks: homoousios) met de Vader is. Dat is een term die aan de filosofie is ontleend. Dat bezwaar is met verschillende bedoelingen de eeuwen door herhaald en niet alleen door ‘ketterse’ geesten. Calvijn wil de term alleen onder voorbehoud gebruiken, namelijk om daarmee te zeggen dat in Jezus Christus de eeuwige Zoon van de eeuwige Vader mens wordt. Hij is bevreesd dat deze term aanleiding geeft tot wat hij noemt nutteloze speculaties over het wezen van God, die de ijdele nieuwsgierigheid van mensen moeten bevredigen. Deze angst werd en wordt door velen gedeeld. Sinds de tijd van de Reformatie is dit een belangrijk onderwerp in de theologie. Uitte zich hier de invloed van de Griekse, vooral platonische filosofie op de christelijke theologie? Betrof die invloed niet alleen de vorm maar ook de inhoud? Kun je die twee vragen wel duidelijk van elkaar scheiden?
Afhankelijk van de plaats in het kerkelijke en theologische spectrum gaf men heel verschillende antwoorden op die vragen. Wie graag een maximum aan verwerpelijke wijsgerige invloed wilde bewijzen, analyseerde vooral de door theologen gebruikte begrippen en kon gemakkelijk aantonen dat ze niet aan de Bijbel, maar aan wijsgerige geschriften zijn ontleend. Wie wilde aantonen dat die invloed uiteindelijk toch maar gering is, wees weer op het geheel van de belijdenis, waarin over heilsfeiten wordt gesproken die voor Griekse wijsgeren volkomen onaanvaardbaar waren. Kan in dit verband wel worden bewezen wie er gelijk en wie er ongelijk heeft? De discussie hierover blijft doorgaan.
Toen en daar
Ik geef in dit verband een paar gedachten ter overweging. Ik loop de belijdenis niet punt voor punt door, maar pik er een paar voor mijn betoog saillante punten uit. Is er bijvoorbeeld sprake van wijsgerige invloed op het geloof, zoals dat in de belijdenis wordt uitgedrukt? Dat lijkt niet erg waarschijnlijk als we zien hoe Griekse filosofen over het christelijke geloof oordeelden. Hun grote bezwaar tegen het christelijke geloof was dat daarin over een historische openbaring van God wordt gesproken, die ergens en op bepaalde momenten plaatsvindt. Waarom juist toen en daar? Is dat niet willekeur?
Die vraag werd niet alleen gesteld naar aanleiding van wat God in de geschiedenis doet, maar ook ten aanzien van het gebeuren dat aan alle geschiedenis voorafgaat of waarmee de geschiedenis van Godswege begint. Hoe kan een God ineens op het idee komen een wereld te scheppen? Wat heeft Hij al die tijd daarvóór gedaan? Een christen, die kennelijk niet van diep nadenken, maar wel van grappen ten koste van anderen hield, antwoordde daarop vlot: ‘Toen heeft hij de hel geschapen voor mensen die brutale vragen stellen.’ Helaas hebben vele serieuze theologen, onder wie Calvijn, dit antwoord herhaald. Het Nicaenum antwoordt: God is als de eeuwige Vader van de eeuwige Zoon altijd in een relatie geweest. Hij wil van eeuwigheid af in een relatie staan. In die Zoon heeft hij ook de eeuwige Schepper willen zijn.
Over het hoe van het scheppen doet de belijdenis verder geen uitspraken. We bevinden ons in de lijn van het Nicaenum als wij afzien van kosmologische speculaties over de ‘big bang’. Die laten we aan de geologen over, van wier onderzoek wij misschien zelfs kunnen profiteren. Wij geloven dat God de wereld in Christus met het oog op zijn openbaring in Christus heeft willen scheppen. Natuurlijk komt ook bij ons de vraag op: durven we dat nog te geloven, nu we inzicht krijgen in de schier oneindige afmetingen van het heelal? Zoals we de oneindige tijden buiten onze beschouwingen laten, zo doen we dat ook ten aanzien van de oneindige ruimte met de talloze planeten. Hoe Gods relatie daartoe is, weet alleen God, en dat hoeven wij niet te weten. Of er nog veel meer mensen op andere planeten zijn, is geen bemoediging en geen bedreiging voor ons geloof in God als onze Schepper. Dat is een beperking die we niet als bekrompenheid hoeven te zien.
Eén in wezen
De openbaring in Christus betekent dat de eeuwige Zoon in Jezus mens wordt. Voordat er in de belijdenis wordt gesproken over wat er in die menswording is geschied, wordt er eerst heel duidelijk gezegd wie de Zoon is. Het belangrijkste en in de loop van de kerkgeschiedenis meest controversiële is de formule ‘één in wezen’. Wat doet dit filosofische woord in een geloofsbelijdenis, die we soms zelfs in kerkdiensten zingen? We kunnen beter vragen: wat bedoelde men met dit inderdaad ook door wijsgeren gebruikte woord?
Wijsgeren zouden zeker kunnen en willen zeggen dat mensen met elkaar van hetzelfde wezen zijn. De belangrijkste filosofen van die tijd, de volgelingen van Plato, hamerden er echter op dat God geen wezen is, maar dat de hoogste God, het hoogste goddelijke Beginsel, nog ‘boven het zijn uitgaat’. Zij zouden niet alleen niet zeggen dat God bestaat, maar evenmin dat God is. Dat is volgens hen een veel te menselijke en te wereldlijke manier van spreken. Zij willen alleen zeggen wat God niet is. Platonische wijsgeren zouden de stelling dat de Zoon, in hun taal het Tweede Beginsel, één in wezen met het Hoogste, het Goede, is, verontwaardigd van de hand hebben gewezen.
Tegen alle ontkenningen en alle scepsis in zegt de belijdenis wie God is en wil zijn. Daarover moet duidelijkheid bestaan, wil het zin hebben wat we over het handelen van God en van Christus zeggen. Het is misschien een beetje te abstract-theologisch om te zeggen dat God in Christus zijn wezen openbaart, maar met de woorden dat God in Christus zichzelf aan ons wil geven zeggen we iets dat juist dat bedoelt. Ik vrees dat afwijzing van de term ‘één in wezen’ eigenlijk alleen maar moet camoufleren dat we niet willen belijden dat in Christus God zichzelf aan ons wil geven. Wij lijken wel een beetje op die platonische filosofen als we geen uitspraken over het zijn of wezen van God willen doen, maar alleen over wat God met ons doet.
Fatsoenlijk leven
De platonische filosoof Celsus vraagt ironisch of volgens de christenen God soms mens is geworden om er zelf beter van te worden – om erkenning te krijgen die Hij nog niet heeft. Dat zou een god toch onwaardig moeten zijn! Verschillen wij erg van deze platonist wanneer wij zeggen dat niet alleen wij God nodig hebben, maar God ook ons? Halen we God daarmee niet omlaag en verheffen we onszelf niet te zeer? Zou het niet bescheidener en gepaster zijn om te belijden dat we God danken dat Hij ons nodig wil hebben, in zijn dienst wil nemen, zodat wij onze kleine bijdrage kunnen leveren tot het leefbaar maken en houden van de wereld?
Het Nicaenum zegt het anders: de Zoon is ter wille van ons mensen en om ons behoud mens geworden. Geloven wij dat wij behoud nodig hebben? Kunnen we niet vanuit onszelf fatsoenlijk leven? Kennelijk geloven we dat geloof in God meer inhoudt dan fatsoenlijk leven, meer dan een ethiek waarin we elkaar geen kwaad doen, maar er voor elkaar willen zijn. Hier is het noemen van de maagdelijke geboorte zinvol. Het is duidelijk dat die voor de vroegste christenen niet zo centraal stond als de opstanding. We kunnen de maagdelijke geboorte, of de twee verhalen over de maagdelijke geboorte, gebruiken om duidelijk te maken dat het leven van Jezus geen voorbeeldige hoogstand van een bijzonder begaafde persoon was, die wij moeten nadoen, maar een scheppingsdaad van God. Die daad gaat door, omdat Jezus Christus uit de doden is opgewekt en nu bij God is, aan wiens rechterhand Hij zijn gemeente regeert.
In het leven van de gemeente zijn de voortdurende bede om de vergeving van zonden en de hoop op een eeuwig leven belangrijk. Dat betekent dat we als christenen geen programma’s ontwerpen die we uitvoeren – dat laten we aan politieke partijen en maatschappelijke organisaties over – maar dat we ons in iedere situatie afvragen wat de Heer nu van ons vraagt. Wij zijn feilbare mensen. We kunnen met de beste bedoelingen dingen bepleiten en doen, die achteraf heel anders hebben gewerkt dan we hadden verwacht. Dat maakt ons, als het goed is, ook vergevingsgezind ten opzichte van elkaar. We mikken er niet op dat we de ideale maatschappij stapsgewijs naderbij brengen, maar hopen op het rijk van God dat geen einde zal hebben. Wie daarin zal delen is niet aan ons ter beoordeling, we kunnen alleen hopen en bidden dat wij er zelf in mogen delen. Het laatste oordeel zal volgens de belijdenis worden uitgesproken door Christus, die zelf als mens ten onrechte is veroordeeld, maar in zijn opstanding het kwaad heeft overwonnen.
Ik heb in het voorafgaande geprobeerd duidelijk te maken dat het Nicaenum geen document is dat ons voor de keuze plaatst of wij als moderne mensen nog willen geloven in een aantal wonderbaarlijke dingen, waar de mensen vroeger kennelijk minder moeite mee hadden. Het Nicaenum is geen christelijk wereldbeeld dat wij moeten handhaven. De ketterij die erin wordt bestreden, is het arianisme, de leer van de volgelingen van Arius. Die leer zou men wél een christelijk wereldbeeld kunnen noemen. Jezus geldt daarin als Gods eerste en volmaakte schepsel, dat God als zijn werktuig heeft gebruikt bij het scheppen van de wereld. Hij is mens geworden, heeft als mens zijn vrije wil op een voorbeeldige manier gebruikt en is bij zijn opstanding daarvoor door God beloond. Zijn voorbeeld mogen wij volgen. Het Nicaenum is anders: het is een belijdenis die ons uitnodigt om ons te laten betrekken bij de beweging van God, die ons in beweging wil brengen. Wij zijn graag zelf in beweging, en willen ook God alleen maar in beweging zien, en God niet in definities omtrent zijn wezen vastleggen. Daarom zeggen we graag dat God ons inspireert om ons te bewegen. Laten we ons dan wel realiseren dat we ons mogen afvragen wie de God is, bij wie die beweging begint, en die ons voor verkeerde bewegingen, waartoe wij geneigd kunnen zijn, wil behoeden. Het Nicaenum kan ons bij het zoeken naar dat antwoord helpen.
Dr. E.P. Meijering is emeritus predikant in de Remonstrantse Broederschap en gastlid van de Nederlandse Gereformeerde Kerk Oegstgeest.
Mailadres:
- Raadplegingen: 46