Skip to main content

nr5 • 2025 • Nicea en het jodendom

39e jaargang nr.  5 (september 2025)
thema: Wij geloven - 1700 jaar Nicea

Liuwe Westra
Nicea en het jodendom
Onverwachte inspiratiebronnen van een omstreden fenomeen?

Het Concilie van Nicea van 325 staat, zeker binnen de protestantse traditie, niet bekend als een van de hoogtepunten van de kerkgeschiedenis. Natuurlijk, de kerk van Christus was toen nog praktisch één. Bovendien kreeg de kerk toen, na eeuwen van minachting en soms bloedvergieten, tenminste binnen het Romeinse Rijk de wind in de zeilen. De staat faciliteerde, de kerk glorieerde.
Maar het is allemaal wel erg lang geleden. En de theologische discussies die toen met grote hartstocht werden gevoerd, zeggen de meesten van ons niet veel meer.
Er is echter niet alleen historische, maar ook theologische afstand. Hoe blij moeten we eigenlijk zijn met zo’n huwelijk tussen kerk en staatsmacht? Die eerste jaren van vrede moeten in die tijd weliswaar als een soort wittebroodsweken zijn ervaren, maar inmiddels zijn we toch door schade en schande wijs geworden en kunnen we eigenlijk niet anders dan met een zekere opluchting constateren dat deze echtvereniging toch maar beter blijvend kon worden ontbonden. De nauwe band tussen de Romeinse keizers en de toen nog gewoon Katholieke Kerk is niet voor niets wel aangeduid als de ‘zondeval van het christendom’.
En dan zijn we er nog niet. Als belangrijkste erfenis van het Concilie van Nicea wordt meestal de Niceense Geloofsbelijdenis genoemd. Over de geschiedenis van die tekst en de precieze formulering ervan valt veel te zeggen (en dat is ook weer opvallend – van welke andere tekst vinden we het zo belangrijk precies te weten wat er staat en hoe dat zo gekomen is?), maar daar gaat dit artikel niet over. De Geloofsbelijdenis van Nicea (soms ook aangeduid als Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel) is namelijk ook de eerste tekst die niet alleen een dogmatische beslissing vastlegt, maar die ook oplegt. Want eerlijk is eerlijk: na het toekennen van de status van ‘geoorloofde godsdienst’ aan het christendom door keizer Constantijn (waarmee juridisch alle grond voor vervolgingen was weggenomen) in 313 duurde het niet lang, of de bisschoppen verloren zich in een weinig verheffende strijd over de manier waarop men over Jezus Christus diende te spreken. Dat Hij op een of andere manier Zoon van God was stond buiten kijf, maar hoe diende men dat Zoonschap op te vatten? Was zijn goddelijkheid dezelfde als die van de Vader of toch van een minder gehalte? Waren alle attributen die op de Vader betrekking hebben ook van toepassing op de Zoon? Was er een hiërarchie binnen de Drie-eenheid? Het concilie hakte de knoop door en muntte daar zelfs een speciale term voor: de Zoon is homoousios, van hetzelfde wezen als de Vader. Met andere woorden: filosofisch gesproken behoren de Vader en de Zoon tot dezelfde categorie. Er is wel een onderscheid, maar geen rangonderscheid. De Heer is één, en dat geldt voor allebei.
Als Israël hiernaar geluisterd heeft, kan dat alleen gebeurd zijn met het grootst mogelijke ongenoegen. Dit was wel een heel erg onorthodoxe interpretatie van het Sjema uit Deuteronomium 6. Maar er waren geen Joodse geleerden bij de zittingen van het concilie aanwezig, en was dat wel het geval geweest, dan hadden hun protesten weinig gehoor gevonden.

Grieks tegenover Joods?
Maar de geschiedenis neemt nu eenmaal altijd wraak. In later eeuwen betreurde men de scheiding tussen kerk en synagoge en is men mede daarom de Geloofsbelijdenis van Nicea kritisch gaan beoordelen. Het gebruik van homoousios als bindende formulering wordt dan gezien als een breuk (of althans: de bezegeling daarvan) met het Joodse geloof in de Ene en een knieval voor een theologie die zich heeft laten (ver)vormen door Griekse, filosofische categorieën. Tora werd dogma, geloven werd redeneren, een levenswijze werd een systeem.
In onze tijd voelen we duidelijk meer voor Tora, geloven en levenswijze dan voor de alternatieven. We moeten ook niet proberen te verbloemen dat de Geloofsbelijdenis van Nicea beslist een stap was van het een naar het ander. Wat dat betreft mogen we kritisch naar de inspanningen van de concilievaderen kijken (moeders waren er, zoals gewoonlijk in die tijd, niet bij).
Maar het is wel de vraag of we onze eigen 21e-eeuwse voorkeuren zonder meer kunnen legitimeren met een verwijzing naar ‘de Joodse traditie’, of de verrichtingen van de deelnemers aan het concilie als ‘abstract Grieks denken’ kunnen afserveren. Daarvoor ligt, ook in die tijd, de verhouding tussen ‘Joods’ en ‘Grieks’ te genuanceerd. In dit artikel probeer ik iets van die nuance te laten zien.

Proces
Dan is het goed als eerste iets beter naar de procedure en de gang van zaken te kijken. Vaak krijgt Constantijn de zwarte piet toegespeeld dat hij, nota bene als pas bekeerd christen en nog niet eens gedoopt, van zijn macht misbruik heeft gemaakt door de hele kerk een bepaalde versie van het geloof in Jezus Christus op te leggen. Dat is beslist te kort door de bocht. Het is waar dat hij het initiatief tot het concilie heeft genomen en volgens de bronnen hield hij zelfs de openingstoespraak. Of hij ook de later orthodox geworden opvatting aanhing, is al minder zeker. De keizerlijke familie bleef juist lang sympathieën koesteren voor bisschoppen die moeite hadden met de nieuwe term homoousios en die het niet eens waren met de excommunicatie van de als aartsketter veroordeelde Arius.
Maar het belangrijkste is: de procedure om een conflict op te lossen door middel van een vergadering van leidinggevenden is niet door Constantijn in het leven geroepen. Die was door en door kerkelijk. Het model van het apostelconcilie zoals beschreven in Handelingen 15 is in de hele tijd van de vroege kerk richtinggevend geweest. De verscheidenheid in die vroege kerk was ook enorm. Waarschijnlijk had binnen een gemeente (in de eerste drie eeuwen niet meer dan een huisgemeente) de leider (die al snel episkopos werd genoemd) het laatste woord. Maar zodra twee huisgemeenten binnen dezelfde regio of zelfs binnen dezelfde stad verschillende opvattingen hadden of verschillende praktijken volgden, was er maar een manier om tot eenheid te komen: een vergadering van meerdere episkopoi die gezamenlijk een bindende beslissing namen. De vierde-eeuwse theologische strijd rondom de goddelijkheid van de Zoon kon dan ook alleen maar langs deze weg worden opgelost. Weliswaar was dit de eerste keer dat een puur dogmatisch punt op de agenda stond, maar de procedure was niet nieuw. De enige vernieuwing die op het conto van Constantijn kan worden geschreven, is dat hij de mogelijkheid gaf een dergelijk gezamenlijk overleg in de vorm van een concilie voor de hele kerkelijke gemeenschap binnen de grenzen van het Romeinse Rijk te houden (en de staat zelfs reis- en verblijfskosten van de bisschoppen liet betalen).
En dan is het natuurlijk de vraag hoe de kerk aan dit conciliaire model is gekomen. Iets dergelijks bestond namelijk niet in de heidense, hellenistische cultuur. Ook daar waren er verschillende levensbeschouwelijke modellen met verschillende stromingen, maar het streven naar een georganiseerde eenheid ontbrak. Zo waren er ten minste vijf grote filosofische scholen die zich allemaal beschouwden als de legitieme erfgenaam van Socrates. Die waren het hartgrondig met elkaar oneens, maar er werden geen pogingen ondernomen de oorspronkelijke eenheid te herstellen.
Een dergelijk streven vinden we echter wel bij het proto-rabbijnse jodendom, en de procedure die daar wordt gevolgd is in principe dezelfde als die van de vroege kerk. Hoe deze vergaderingen precies zijn verlopen, weten we niet, maar het is een feit dat bijvoorbeeld het vaststellen van de oudtestamentische canon, het verwerpen van de Septuaginta als heilige Schrift, en niet te vergeten de regels van de halacha de vruchten zijn van een groepsproces. Het concilie als middel om tot een bindende beslissing te komen voor de hele geloofsgemeenschap is dus een door en door Joodse erfenis.

Denkbeelden
Aan de andere kant moeten we ook het rabbijnse jodendom zoals we het nu kennen niet te snel gelijkschakelen met het jodendom ten tijde van de vroege kerk. Dat geldt niet alleen voor de organisatie, maar ook voor de opvattingen van de gelovigen. Het is inderdaad zo dat men in Nicea de goddelijkheid van Christus probeerde te begrijpen en te formuleren met behulp van de toenmalige filosofie, en dan in het bijzonder het intellectuele gereedschap van Aristoteles. Hij geldt nog steeds als een van de grondleggers van het westerse denken in die zin, dat hij de werkelijkheid leerde te bevatten als een geheel van verzamelingen of categorieën. Ieder wezen en ieder voorwerp behoort tot een bepaalde categorie (op basis van gezamenlijke kenmerken), en ieder wezen en ieder voorwerp vormt daarbinnen een unieke entiteit (op basis van eigen kenmerken). Bovendien kan een verzameling categorieën ook weer een categorie van een hogere orde vormen. De hele moderne biologie is nog steeds op dat principe gebaseerd. Ieder musje in onze tuin is een uniek wezen, maar behoort tot de categorie of soort ‘huismus’. De huismussen behoren weer tot het geslacht van de mussen, die weer tot de orde van de musachtigen behoren, en musachtigen zijn weer allemaal vogels.
Het Concilie van Nicea heeft, hoe oneerbiedig het ook klinkt, deze denkwijze toegepast op Jezus Christus: Hij is uniek in zijn Zoonschap, maar behoort tegelijkertijd tot de hogere categorie ‘God’. Dat vinden we inderdaad niet in de Tora terug en zeker niet in de Talmoed, maar het intellectuele procedé was en is zeker niet on-Joods. Iedere tijd en iedere cultuur heeft nu eenmaal zijn eigen filosofische discours en het is altijd de uitdaging van theologen geweest de openbaring van de Schrift met het eigen denken te verbinden. Op een of andere manier maakt God deel uit van de werkelijkheid, en dat betekent dat onze visie op de werkelijkheid gevolgen heeft voor onze visie op God.
Dat de toenmalige en latere Joodse traditie niet mee kon met de dogmatische beslissing van Nicea komt niet door het daar gebruikte denkmodel, maar door het gelovige uitgangspunt van de christelijke conciliegangers, die Jezus Christus allemaal als de Zoon van God beschouwden. Op dat punt waren de rabbijnse Joden toen al lang afgehaakt, maar in eerder eeuwen bestond er ook bij Joodse denkers ruimte voor concepten als ‘een tweede God’ of zelfs ‘een kleine YHWH’. Joodse, hellenistische denkers waren niet minder in de ban van het toenmalige filosofische discours dan christelijke theologen. Plato, door zijn geschriften de grondlegger van de Griekse filosofie, werd in beide tradities meer gezien als een leerling van Mozes dan van Socrates.

Afstand en verkettering
Ten slotte wil ik stilstaan bij een ander aspect van het Concilie van Nicea, namelijk de bewust vergrote afstand tot het jodendom. Dat heeft minder te maken met denkbeelden dan met de gelovige praktijk van vieren en vasten. Altijd is Pasen het belangrijkste feest van de kerk geweest, en niemand heeft ooit ontkend dat de kerk daarin schatplichtig is aan het jodendom. Toch vieren gemeente en synagoge dat feest niet of nauwelijks gezamenlijk, en de belangrijkste reden daarvoor is dat beide tradities op hun eigen manier de datum van Pasen berekenen. Deze eigen christelijke berekening van de Paasdatum berust op een concreet besluit van het Concilie van Nicea, en dat was een bewuste stellingname om afstand te creëren.
Met de kennis van nu kunnen we dat niet anders dan betreuren. Maar opnieuw moeten we niet te snel zijn de historische schuld bij de vroege kerk of bij het Romeinse Rijk of bij Constantijn te leggen. Ook hier is de kerk namelijk weer in de voetsporen getreden van de synagoge. Hierboven is al aangestipt dat het proto-rabbijnse jodendom aan de kerk haar belangrijkste beslissingsmodel heeft geleverd, namelijk dat van het gezamenlijk overleg. Maar ook de Joodse traditie heeft dergelijke vergaderingen gebruikt, niet alleen om de eenheid te bewaren en gemeenschappelijke beslissingen te nemen, maar ook om groepen uit te sluiten en afstand te creëren.
De belangrijkste beslissing van de proto-rabbijnse traditie is misschien wel geweest dat alle niet-rabbijnse Joodse groeperingen van het jodendom werden afgesneden, en in het bijzonder al degenen die zich lieten dopen in de naam van Jezus. Ook de beslissing om vanaf een zeker moment de Septuaginta, de Griekse versie van de Tenach, niet meer als geïnspireerd te beschouwen en dus niet meer te gebruiken in de eredienst, moet in dat licht worden gezien. Deze Griekse bijbeltekst was namelijk in algemeen gebruik bij degenen die Jezus Christus beleden als Messias.
Al met al kunnen we constateren dat er op het Concilie van Nicea een aantal beslissingen zijn genomen die van blijvende betekenis zijn gebleken voor de hele verdere kerkgeschiedenis. Daarbij treedt de paradox op dat het concilie zowel dogmatische als praktische beslissingen heeft genomen die de afstand tot het jodendom hebben vergroot, maar dat deze beslissingen zowel inhoudelijk als procedureel door en door Joodse wortels hebben. De heidense Grieken en Romeinen kunnen alleen maar met verbazing hebben toegekeken.

Dr. L.H. Westra is universitair docent aan de faculteit Religie, Cultuur en Maatschappij aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

  • Raadplegingen: 38