Skip to main content

nr4 • 2023 • Wat zegt de Joodse traditie over de Thora?

37e jaargang nr. 4 (maart 2023)
thema: Let’s talk about Sacks

Sam Janse
Wat zegt de joodse traditie over de Thora?
De Bijbeluitleg van Jonathan Sacks

De boeken van wijlen opperrabbijn Jonathan Sacks zijn in Nederland enthousiast ontvangen, zeker ook zijn vijfdelige serie over de Thora. Daar zijn redenen genoeg voor. Er zijn ook redenen voor een kritische benadering. Wat is het eigene van deze exegese? Zoekt zij naar de betekenis van de Thora of naar de betekenis die de Joodse wijzen aan de Thora hebben gegeven?[1]
Een luisteraar in een protestantse kerk kan het geregeld horen: ‘De Joodse rabbijn zus of zo zegt hierover…’ en dan volgt iets dat al dan niet diepzinnig en stichtelijk is. Ik zou het wel eens willen turven, maar ik denk dat rabbijnen in de protestantse preken vaker worden aangehaald dan kerkvaders en misschien ook wel (afhankelijk van het kerkelijk segment waarin je zit) dan reformatoren.
Dat is op zijn minst opmerkelijk en een aparte analyse waard: putten uit andermans bronnen, wat zit daarachter? Zonder er uitvoerige studie van gemaakt te hebben, durf ik daarover wel een hypothese over op te stellen: het recente verleden. De schok van de holocaust en de bezinning op het christelijk geïnspireerde antisemitisme hebben geleid tot herijking van het jodendom en zijn lange uitlegkundige traditie van de Schriften. We hadden als kerk ook wat goed te maken na eeuwenlange verkettering en vervolging, boekbestrijding en boekverbranding. Er zijn in de Joodse traditie grote schatten te delven en te verwerken.

Over Sacks
Dat wordt goed duidelijk als we de vijf boeken van Sacks over de Thora lezen. In het Engels zijn ze al uitgekomen, in het Nederlands ook, op Deuteronomium na. Ze zijn in Nederland buitengewoon lovend besproken. Ik denk zelfs: te kritiekloos en dat zal ik nog uitwerken, maar met lof beginnen is een goede gewoonte en dat niet alleen als opstapje naar de kritiek, want hier is veel te vinden wat je elders niet zo compact vindt.
Sacks verstaat de kunst om zijn eigen eeuwenoude Joodse traditie in te brengen in het discours van vandaag. En wel als een relevant antwoord op de crises van onze tijd. Dat is een prestatie. Wie als ongeschoolde lezer weleens rabbijnse bronnen raadpleegt, denkt al gauw: Wat betekent dit? Waar slaat dit op? Wat moet ik ermee? Voor velen blijven het gesloten boeken. Als ingewijde in het geheimschrift van de rabbijnse literatuur haalt Sacks de inzichten daaruit naar voren en vertaalt ze zo dat de lezer van nu vaak denkt: dat heeft met mijn wereld en mijn leven te maken. Ik moet zeggen dat ik dat in de christelijke theologie en prediking niet altijd zo ervaar.
In zijn boeken heeft hij een aangename stijl; hij kan in drie, vier bladzijden een boeiend betoog neerzetten. Zelfs de afmetingen van de tabernakel kunnen dan nog interessant worden. Dat kunnen weinigen. Ik dacht bij het lezen vaak: waar is de christelijke theoloog die bijvoorbeeld aan de hand van de vier evangeliën in korte essays vanuit het christelijk geloof in gesprek gaat met ‘de anderen’, en Augustinus, Calvijn en Barth als gezaghebbende denkers het woord geeft?

Cultuurkritiek
Het sterkst vind ik Sacks in zijn cultuurkritiek. Treffend is wat hij naar aanleiding van het gouden kalf zegt over het consumentisme als de nieuwe religie waar onze samenleving aan kapot gaat: we hebben winkelcentra als kathedralen waar de troost van het consumentisme geboden wordt (Exodus, 246).[2] Sacks: ‘De belangrijkste bijdrage van sabbat aan de laat-kapitalistische samenleving van de eenentwintigste eeuw is dat deze het idee van begrenzing introduceert in onze denkwereld en in ons leven. Er zijn grenzen aan onze ambities, onze arbeid en onze consumptie van de eindige hulpbronnen van de aarde, en aan wat Thomas Hobbes omschreef als “het aanhoudende en rusteloze verlangen naar macht, dat alleen bij de dood ophoudt”. Elke cultuur die haar gevoel voor grenzen verliest, vernietigt uiteindelijk zichzelf.’ (Exodus, 247).
De schrijver kan vanuit de bouw van de tabernakel zomaar terechtkomen bij de multiculturele samenleving: er is geen betere manier om een natie op te bouwen dan met een gemeenschappelijk project. ‘Een natie is niet afhankelijk van een gedeelde etniciteit. Ze kan eenvoudig ontstaan vanuit een besef van collectieve verantwoordelijkheid dat ontstaat door de uitvoering van een gedeelde taak’ (Exodus, 276).
Polemisch wordt Sacks niet gauw. Hij probeert open te staan voor al het goede, ware en schone dat de gojim hem bieden. Shakespeare en Rembrandt mogen ook meedoen. Apologetisch is hij wel, maar dat zullen we hem na meer dan twee millennia antisemitisme niet kwalijk nemen. De beschaving, en dat is voor Sacks de westerse beschaving, heeft volgens hem heel veel aan het jodendom te danken. Hoe vaak komen we niet zinnen tegen als: ‘Het jodendom heeft als eerste…’, of: ‘Voor de eerste keer in de geschiedenis hebben Joden…’ Zo is de uittocht ‘de eerste internationale interventie in naam van de mensenrechten’ (Exodus, 19). Terwijl Engeland pas in 1870 de leerplicht invoerde, had het jodendom dat al een kleine tweeduizend jaar eerder gedaan (Exodus, 87). Het was de Thora die ‘als eerste het primaat van het recht boven de macht’ stelde (Exodus, 150). Dat had allemaal wel een onsje minder gemogen.

Maar de Bijbelwetenschappen…
In het gesprek met de wetenschappen ontbreekt er wel één, minstens één: de Bijbelwetenschap! En dat is opvallend voor iemand die over de eerste vijf Bijbelboeken schrijft. Onder de Bijbelwetenschap versta ik de bestudering van de Heilige Schriften van joden en christenen zoals die vorm heeft gekregen sinds de Verlichting.
Sacks stelt het probleem ook amper aan de orde. Dat er andere benaderingen zijn, weet hij natuurlijk wel, maar hij lijkt genoeg te hebben aan wat de rabbijns-joodse traditie hem biedt. Alleen zijdelings gaat hij weleens op het alternatief van de kritische Bijbelwetenschap in. Dat oneffenheden in de tekst verklaard kunnen worden door verschillende bronnen achter de tekst aan te nemen, vindt Sacks geen oplossing. Oneffenheden in de beschrijving van de Thora zijn door de schrijver (Mozes!) bewust aangebracht om oneffenheden in het beschrevene uit te drukken.
Het blijft vreemd dat Sacks in deze vijf boeken amper of niet in gesprek gaat met de historische-kritische benadering. Bij mijn weten heeft hij dat ook in de rest van zijn oeuvre niet uitvoerig en fundamenteel gedaan. Is dat omdat de moderne Bijbelwetenschap binnen het christendom ontstaan is en dan nog wel op Duitse grond? Zit er een besef achter dat je ook tegenkomt bij de rabbijnen van de schrijver Chaim Potok: wat zou een goj voor zinnigs kunnen zeggen over de heilige boeken van de Joden?
Hier mis ik de openheid die Sacks verder zo kenmerkt. Een concreet voorbeeld. Sommige woorden van de Hebreeuwse Bijbel hebben een onduidelijke betekenis, vooral als ze weinig of slechts eenmaal voorkomen. Zo’n woord is qerî in Leviticus 26 (Leviticus, 62). De algemeen aanvaarde wetenschappelijke werkwijze is dan: kijk in de Septuaginta, de oude Griekse vertaling van de heilige Hebreeuwse teksten. Geleerde Joden in Egypte begonnen al in de derde eeuw vóór Christus deze boeken in het Grieks te vertalen, omdat sommige geloofsgenoten hun grootmoedertaal niet meer machtig waren. Maar Sacks raadpleegt de Septuaginta niet. Deze vertaling werd door het latere jodendom afgeschreven omdat ze door de christenen geannexeerd werd. Sacks gebruikt wel de Targum, de parafraserende vertalingen in het Aramees, om de betekenis van het lastige Hebreeuwse woord qerî op het spoor te komen. De Targum valt binnen de bandbreedte van de Joodse traditie. Dit is niet alleen eenkennig, het is ook in hoge mate onwetenschappelijk.

Biblicisme
Ik heb elders de uitleg van Sacks biblicistisch genoemd. Ik gebruik dat woord liever dan de term fundamentalistisch, omdat dat tegenwoordig met religieus geweld geassocieerd wordt. Wat bedoel ik daarmee? Ik werk het uit in vier punten.

  1. Mozes is de schrijver van de Thora.
    Het verslag van zijn dood en begrafenis zal door Jozua zijn geschreven, neemt Sacks aan, maar verder moeten we aan de mozaïsche oorsprong van de eerste vijf Bijbelboeken vasthouden. De hypothese dat deze boeken uit verschillende geschreven bronnen afkomstig zijn, vindt hij een grote misvatting. Net als in het christelijke biblicisme is dit maar niet een punt van wetenschappelijk onderzoek, het is een geloofszaak: ‘Seculiere bijbelgeleerden’ (Numeri, 42) willen de waarheid niet geloven (Numeri 226, noot 4). Ontkenning van het mozaïsche auteurschap van de eerste vijf Bijbelboeken is puur ongeloof. Zo kan het ook in evangelische en reformatorische kringen een strijdpunt zijn: Geloof je dat Mozes de eerste vijf Bijbelboeken heeft geschreven?
  2. God is de eigenlijke auteur van de Thora.
    Te bedenken is dat voor het rabbijnse jodendom dit alleen van de Thora gezegd kan worden. Bij de twee andere grote delen van de Hebreeuwse Bijbel, de profeten en de geschriften, ligt dat anders; daar is de menselijke inbreng groter. Als Mozes in Deuteronomium het woord neemt, zijn dat ‘niet zijn eigen woorden, maar die van de Goddelijke Aanwezigheid, de Sjechina, die spreekt met zijn lippen’ (Deuteronomy, 27). Verwantschap met het christelijke biblicisme blijkt als hij het woord ‘dictation’ gebruikt, een term die ook in de consequente mechanische inspiratieleer van Gisbertus Voetius wordt gebruikt (Deuteronomy, 367).
  3. Historisch besef is afwezig.
    Niet-biblicistische Bijbelwetenschappers zullen latere teksten verklaren vanuit vroegere teksten en veel voorzichtiger zijn met de omgekeerde route. Bilderdijk laat zich soms verklaren vanuit Vondel, maar het omgekeerde is problematisch. Omdat wij historisch denken. Zo werkt het niet bij de biblicisten. Immers, als God de eigenlijke auteur is, kan een vroege tekst evengoed vanuit een late tekst verklaard worden als omgekeerd. Heel de Schrift is immers één groot tapijt waarvan alle draden onderling vervlochten zijn.
  4. Tegenstellingen worden opgelost.
    Als Mozes de schrijver van de Thora is en God als de eigenlijke auteur daarachter staat, is het onwaarschijnlijk dat er fouten en tegenstrijdigheden in staan. Tegenstrijdigheden zijn alleen maar schijnbare tegenstrijdigheden en de rabbijnen hebben grote vaardigheid opgebouwd om die weg te praten (Numeri, 210). Dat lukt ook altijd. Het is dezelfde vaardigheid die reformatorische en evangelische theologen aan de dag leggen om te bewijzen dat de Bijbel ‘klopt’.

Selectief winkelen
Ik vind dat deze gegevens het rechtvaardigen om Sacks een biblicist te noemen. Niet als een veroordeling, want hij blijft een interessante, erudiete denker, maar zijn overeenkomst met christelijke theologen die we biblicistisch noemen is te opvallend om hem dat predicaat te onthouden. Met de biblicistische, historiserende manier van Bijbellezen komt ook een psychologiserende exegese mee. Noach bijvoorbeeld kon niet leven met het schuldgevoel dat hij de catastrofe van de zondvloed overleefd had en bedronk zich (Genesis, 48). Zulke staaltjes van inlegkunde zijn er meer.
Een overeenkomst is ook dat er in de wetenschapswinkel selectief wordt gekocht. Sacks gaat nergens serieus in gesprek met de geleerden die de historiciteit van Bijbelverhalen betwijfelen. Het verhaal van de torenbouw is volgens hem ‘historisch nauwkeurig’ (Genesis, 49). De 600.000 mannen van de uittocht vormen een ‘aanzienlijke machtsfactor’ (Exodus, 20). Abraham was al een monotheïst (Exodus, 25) enzovoort. In de moderne Bijbelwetenschap wordt dat in historisch opzicht allemaal ter discussie gesteld, maar Sacks vindt het geen bespreking waard.
Wel beroept hij zich geregeld op de resultaten van de geschiedwetenschap als het in zijn kraam te pas komt. De archieven van Nuzi bevestigen volgens hem de Bijbelse berichten over Abraham (Genesis, 84). De Bileam-inscriptie van Deir Alla uit de achtste eeuw vóór Christus bewijst de historiciteit van de Bijbelse figuur uit Numeri 22-24 (Numeri, 265-266). Sacks geeft zich er geen rekenschap van dat de redenering ook de andere kant op kan lopen: er is blijkens buitenbijbelse berichten een historische figuur, Bileam, geweest en zijn naam is gebruikt in een Bijbelverhaal waarvan de historiciteit onzeker is. In dit opzicht heeft zijn Bijbeluitleg een hoog De-Bijbel-heeft-toch-gelijk-gehalte.

Kan Sacks de prediker verder helpen?
Het enthousiasme waarmee ik in de protestantse kerken het vijfdelige werk van Sacks hoor begroeten, doet mij vrezen dat vele voorgangers, als ze voortaan preken over de eerste vijf Bijbelboeken, hun degelijke commentaren in de kast laten staan en denken aan Sacks voldoende te hebben. Dat lijkt me geen recept voor een grondige exegese en een degelijke preek. Want Sacks is niet zozeer op zoek naar wat de Thora zegt, hij is op zoek naar wat de joodse wijzen over de Thora hebben gezegd. Hij kan dat met de wind van de postmoderne hermeneutiek in zijn rug straffeloos doen: de lezer is de betekenisverlener; de tekst heeft oneindig veel uitleggingen. Maar het is, methodologisch gezien, niet anders dan de Bijbel lezen vanuit de dogmatiek van Johannes Calvijn of de preken van Bernardus Smijtegelt.
Ik weet dat het ons nooit lukt om een tekst, ook niet de Bijbeltekst, onbevooroordeeld en zonder bril te lezen. Dat betekent niet dat je helemaal geen pogingen moet doen om bepaalde brillen af te zetten. Soms is het bijkleuren al te duidelijk. Protestantse christenen weten dat vanuit hun eigen traditie. Daarom is het ook goed om hetzelfde bij Sacks aan te wijzen. Hier (trouwens in de hele Joodse orthodoxie) wordt de Thora gelezen met de bril van de Talmoed op. In het jodendom heeft deze leeswijze, anders dan in de protestantse theologie, een theologisch fundament: Mozes kreeg op de Sinaï de Tora sjebichtav, de geschreven wet, maar ook de Tora sjebeal pee, de mondelinge wet, die uiteindelijk terechtkwam in de rabbijnse geschriften. Dan is het ook vanzelfsprekend dat we de Thora lezen vanuit de Talmoed. Maar dat is natuurlijk een apriori van het geloof dat als een mal over de Thora gelegd kan worden, een benadering die het onmogelijk maakt dat de Thora iets anders zegt dan zijn rabbijnse uitleggers.
Dit alles laat onverlet dat ook de sprekers en prekers over de eerste vijf Bijbelboeken vruchtbaar gebruik kunnen maken van Sacks’ oeuvre. Joodse exegese getuigt vaak van grote wijsheid en diepe humaniteit. Wie over de sabbat wil preken, leze wat ik hierboven daarover geciteerd heb. Dat zit dan, om het traditioneel-protestants te zeggen meer in de toepassing dan in de uitleg. Maar de methoden van de rabbijnse exegese kunnen we niet zonder meer overnemen.

Dr. S. Janse is emeritus predikant in de PKN en Bijbelwetenschapper. Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

[1] Voor een meer uitgebreid en gedocumenteerd artikel over Sacks’ Bijbeluitleg, zie S. Janse, ‘Het biblicisme van een Joodse wijze. De Bijbeluitleg van Jonathan Sacks’, Kerk en Theologie 72.4 (2021) 379-388.
[2] Na een citaat verwijzen de namen van de eerste vijf Bijbelboeken naar het vijfdelige werk van Sacks over de Thora. Bij Deuteronomium wordt naar de Engelse tekst verwezen.

 

  • Hits: 629