Skip to main content

nr5 • 2023 • Wie ik ook ben, Gij kent mij

37e jaargang nr.  5 (mei 2023)
thema: Gereformeerd belijden nú

Niels den Hertog
‘Wie ik ook ben, Gij kent mij – ik ben van U, mijn God’
De actualiteit van het spreken over de verkiezende God

‘“Kijk,” zegt ze, “vaak ga ik gewoon zo door de foto’s die ik op Instagram heb gezet, om te kijken wie ik nou eigenlijk ben. Wie is Eva?”’ Aan het woord is Eva de Visser, een ‘momfluencer’, dat wil zeggen: een jonge moeder die via Instagram of andere social media haar moederschap deelt met haar volgers. Eva is één van de influencers – allemaal vrouwen – die Doortje Smithuijsen beschrijft in haar boek Gouden bergen. Portret van de digitale generatie (p. 106).

Voor wie zo snel niet paraat heeft wat influencers zijn: het gaat om jonge mannen of vrouwen die via verschillende social media een groot netwerk van volgers hebben opgebouwd (vaak meerdere tienduizenden) met wie ze via filmpjes en foto’s veel van hun leven delen. Zij beïnvloeden hun volgers door uit te leggen waar ze hun boodschappen doen, wat ze belangrijk vinden en wat volgens hen de nieuwste trends zijn.

Eva gaat in de periode dat Doortje met haar optrekt door een moeilijke fase: haar huwelijk is – inderdaad: voor het oog van al haar volgers – gestrand en het geluk van haar ex en zijn nieuwe partner dat ze via social media waarneemt doet haar veel pijn. Op momenten dat ze zich afvraagt wie ze is pakt ze daarom haar telefoon om de foto’s van zichzelf terug te kijken: hoe had ze zichzelf ook alweer bedoeld?

Smithuijsen tekent in haar boek nuchter hoe de wereld van de influencers werkt. Het aantal volgers dat je hebt bepaalt je waarde voor bedrijven. Zij zoeken jonge mensen met een groot bereik, sturen hun kleding, schoenen, parfum. Ja, hele feestavonden met de sjiekste hapjes en drankjes worden georganiseerd bij de introductie van een nieuw type auto. Het enige dat van de influencers verwacht wordt, is het plaatsen van een mooie foto (wat er precies op moet staan en hoe wordt in het contract helder omschreven) met daarbij de door de fabrikant verlangde hashtags. Er zijn verschillende jonge vrouwen die kunnen bestaan van het inkomen dat ze met dit werk genereren. Dat kan dus alleen omdat er keer op keer volgers zijn, die willen weten waar hun identificatiefiguur nu weer is en in welke kleding zij zich hult. Velen onder hen dromen ervan om óók zo te kunnen leven. Met andere woorden: deze influencers vormen de top van een piramide, waarvan de basis niet heel anders in het leven staat dan deze paar vrouwen of mannen die ‘de top’ hebben bereikt.

Hoewel het van de buitenkant allemaal gemakkelijk lijkt, is het bestaan van de influencer in de praktijk een kwestie van hard werken: iedere dag weer is het spannend of je meer volgers gekregen hebt. En afhakende volgers kunnen tot grote angst leiden. Wie een dag niet post weet dat dat gevolgen heeft voor de aantallen. De influencers die aan het woord komen in het boek klinken dan ook nergens echt vrolijk. Opgejaagd en vermoeid aan de ene kant. Verongelijkt en verwend aan de andere kant.

Jezelf maken
Smithuijsen beschrijft niet alleen, ze duidt ook. En dan blijken deze influencers in feite in een soort cartooneske overdrijving zichtbaar te maken wat zich diep in de poriën van onze samenleving – en, ik haast me het te zeggen, dus ook in mij – heeft genesteld. Ze citeert Paul Verhaeghe, die uitlegt dat zich rond de millenniumwisseling een verandering voltrok: de aanhoudende nadruk op het individu, ten koste van de samenleving en het gemeenschapsgevoel, maakte dat de onderlinge verhoudingen tussen al die individuen in termen van concurrentie werden geduid. Zo ontstaat een meritocratie: een samenleving waarin je waarde wordt afgemeten aan wat je hebt bereikt (p. 79). Dit heeft zijn uitwerking tot in de klassen van de basisschool. Dat wordt goed zichtbaar rond de Cito-toetsen: het bedrag dat aan huiswerkbegeleiding, bijles en training werd uitgegeven groeide tussen 1995 en 2015 van 26 miljoen naar 189 miljoen euro, een royale verzevenvoudiging dus. Als dan de uitslag desondanks niet zo goed uitvalt als de bedoeling was, ontstaan onthutsende taferelen: kinderen komen huilend de school uit, vergezeld van ouders die ook tegen de tranen vechten. Dit zet door aan de universiteit: studenten die niet naar huis durven in het weekend, omdat ze dan moeten ‘opbiechten’ dat een tentamenuitslag nogal tegenviel.

Dit soort voorbeelden maakt duidelijk dat de periode van jeugd en groei naar volwassenheid van karakter verandert: waar het vroeger een tijd was waarin je jezelf ontdekte (en je kunt toch alleen ontdekken wat er al is), wordt het de periode waarin je jezelf, ja, waarin je ‘het’ maakt. Daarom komt er zo’n druk op het leven te liggen. Intussen blijven deze jongeren natuurlijk gewoon mensen, die bevestiging nodig hebben. Eén van de influencers met wie Smithuijsen optrekt, Romy (#theromystyle), heeft in haar woonkamer in grote goudkleurige letters YOU LOOK AMAZING aan de muur gehangen (p. 91). Als ik dat lees, kan ik niet anders dan denken: zou het nou echt helpen om dat zelf aan de muur te schroeven? Je weet dan toch dat je die woorden tegen jezelf roept?

Falen
Het boek riep bij mij veel herkenning op. Natuurlijk: tendensen komen uitvergroot in beeld, omdat Smithuijsen zich concentreert op de influencers, maar het deed me sterk denken aan wat ik om me heen zie. Voor mijn besef is er zelfs nog iets meer aan de hand dan alleen de toegenomen concentratie op het individu ten koste van de samenleving. De toekomst is voor ons vandaag een grote vraag geworden: in die weggevallen gemeenschappen werden dromen en idealen gekoesterd. Maar klimaat en geopolitieke onrust leggen een duistere klem over het leven. De problemen groeien ons zodanig boven het hoofd en presenteren zich als zó onoplosbaar, dat het allemaal niet meer lijkt uit te maken: concentreer je dan ook maar gewoon op je eigen leven en probeer er iets van te maken.

Zeker, ik hoor de laatste tijd allerlei corrigerende geluiden, die ons verzekeren dat we mogen falen. Zo is in opdracht van de Radboud Universiteit een podcast gemaakt onder de titel ‘Prutswerk’, waarin studenten en docenten hun faalervaringen delen. Maar het feit dat we erover blijven spreken in termen van falen en prutsen maakt al duidelijk dat het niet veel meer kan zijn dan gedogen – een afwijken van wat eigenlijk de bedoeling is. Uiteindelijk illustreren dergelijke initiatieven naar mijn inzicht vooral dat we er uiteindelijk niet echt raad mee weten.

Verkiezing
Als de vraag klinkt wat naar mijn inzicht gereformeerd belijden nú zou moeten inhouden, dan zou ik hier inzetten. In die traditie zijn breed-katholieke tonen verwoord en vertolkt op een manier die de weg wijst naar een ander verhaal over onszelf. Ik denk met name aan wat misschien wel de hardste pit is: de leer van Gods verkiezing – en verkiezing dan verstaan als een uiterste toespitsing van de rechtvaardigingsleer. Zoals Barth heeft duidelijk gemaakt in zijn Gottes Gnadenwahl (6): het is genade om genade te ontvangen. Voordat ik verder ga, eerst een citaat uit het boek van Michael Beintker over de rechtvaardigingsleer (p. 3):

‘Het controversiële karakter van de boodschap van rechtvaardiging kan worden geïllustreerd met behulp van een antropologische beschouwing: De mens kan het niet verdragen zichzelf te begrijpen als ontvanger in de kern van zijn persoonlijkheid. (…) Een centraal verschijnsel van wat de traditie zonde noemt (en waarvoor we vandaag de dag woorden lijken te ontberen) is dat de posities van activiteit en passiviteit worden omgedraaid: Waar we actief en betrokken zouden moeten en kunnen zijn, doen we niets. En waar we onszelf volledig mogen zien als ontvangers van ons eigen heil, ontwikkelen we de meest onvoorstelbare activiteiten. In de regel bestonden en bestaan deze activiteiten uit het aanvaardbaar, beminnelijk en acceptabel maken van onszelf voor onszelf en voor anderen – in de horizon van het geloof: voor God. De zinvolheid van het bestaan lijkt af te hangen van het aan onszelf en anderen kunnen bewijzen hoe beminnelijk en sympathiek we zijn. We willen geliefd zijn! Aan de andere kant ervaren we voortdurend dat het niet vanzelfsprekend is dat we geliefd zijn. En nu gedragen we ons alsof geliefd zijn – de onvoorwaardelijke waardering en aanvaarding van onze persoon – iets is waar we voor kunnen werken.’

Adam wordt liever door de werken gebouwd, zei Luther al, en dat is wat ik hier lees bij Beintker. Mij treft met name wat hij zegt over de verwisseling van activiteit en passiviteit: waar we onszelf mogen zien als ontvangers, ontwikkelen we de meest onvoorstelbare activiteiten. Het is alsof ik die influencers bezig zie, druk doende om een ideale versie van zichzelf te scheppen om zo zichzelf geliefd te maken. Ik herhaal: als ik zo over hen schrijf, beschouw ik hen als een uitvergroting van wat ook mij in de greep heeft. Die voortdurende drang om iets neer te zetten heeft mij niet minder in z’n greep.

Gods verkiezing zet mij in de positie van ontvanger. Hij verkiest niet omdat ik geloof, maar opdat ik geloof. Hij verkiest niet omdat ik een heilig leven leef, maar opdat ik een geheiligde word. En zo kan ik doorgaan. Als de hemel zich mengt in onze werkelijkheid gaat het er anders aan toe dan hoe wij de werkelijkheid benaderen. Je vindt het overal in de Schrift: ‘uw rechterhand houdt mij vast’ (Psalm 63); ‘Ik vrees geen gevaar, want U bent bij mij’ (Psalm 23); ‘U weet alles, U weet toch dat ik van U houd’ (Johannes 21); ‘u hebt God leren kennen, meer nog, bent door God gekend’ (Galaten 4).

Dat zijn vreemde woorden, want ze spreken steeds allemaal over wat God doet en wat ik mag ontvangen. Het zijn woorden die mij uit het centrum van het spel verdrijven en mij verkondigen dat de Here God daar bezig is. De boodschap van de kerk is niet een christelijke variant op het thema dat je overal wel zo’n beetje vindt, maar écht anders. En dat is veel meer dan alleen een perspectiefwisseling. We leven niet in een lege wereld, zo wordt hier duidelijk. Wij zijn omringd door God, die ons nabijkomt en die allang met ons bezig is, nog voor wij zelfs maar één gedachte aan Hem gewijd hebben.

Genadig gaat Hij met ons om. Daarom kunnen dat falen en prutsen van ons hier ook een echte plek krijgen. In die reeks Bijbelwoorden hierboven heb ik Johannes 21 aangehaald: in dat diepe gesprek van de Opgestane met die weg gedwaalde Petrus komt alles aan de orde, is zijn schuld gekend, aangewezen – en vergeven. Zo treft Hij ons immers aan: als mensen die uit zichzelf de weg niet vinden, die hopeloos vastlopen in hun ambities en dromen. Vergeven is iets heel anders dan ‘mijn imperfectie aanvaarden’ of praten over ‘prutswerk’. Alles komt op tafel: mijn vreemde fantasieën, mijn duister en schuld – en ik krijg tot mijn verwondering te horen dat dat niet het laatste is dat over mij gezegd wordt.

Actueel?
Nu kan ik me voorstellen dat iemand denkt: zou vandaag niet een ander aspect van het gereformeerd belijden vooral de aandacht verdienen? Ben je met deze keuze niet teveel gericht op die mens en diens heil? Moet er niet iets gezegd worden over grote thema’s als het klimaat, de polarisatie in de samenleving? Waarom ga je niet over de schepping spreken?

Naar mijn inzicht zijn we met het thema van verkiezing precies bij de kern. En deze kern ziet wijd: Gods verkiezing is niet alleen een kraal in de gouden keten van de orde des heils. Goed beschouwd zet deze belijdenis ons op de plaats die wij verlaten hadden: de plaats van ontvangers van Gods gaven. Als we op die plek teruggebracht worden, werkt dat uit in alle verhoudingen waarin we staan: wie het diepste woord uit de mond van God verneemt, hoeft niet meer zichzelf neer te zetten ten koste van een ander. Die hoeft ook niet meer alles uit het leven te halen ten koste van milieu en klimaat. Die vindt een rust die het hele leven doortrekt.

Wie ben ik?
De titel boven dit stuk heb ik ontleend aan Bonhoeffers gedicht ‘Wie ben ik?’ In juni 1944 schrijft hij het in zijn cel. Heel open beschrijft hij het contrast tussen het beeld dat de medegevangenen en bewakers van hem hebben enerzijds en wat hij van zichzelf waarneemt anderzijds. De eersten zien een voorname, beheerste gevangene, die met anderen omgaat als een edelman. Hijzelf weet van de angsten en de duisternis die zijn hart verscheuren tot aan suïcidale gedachten aan toe. Wie is nou de echte Bonhoeffer? ‘Gij kent mij, ik ben van U’, zo sluit hij af. En precies daar overstijgt hij de tegengestelde stemmen en vindt houvast buiten zichzelf. Hij rust in Gods weten omtrent hem. En dus in Gods verkiezing.

Ik hoop dat we het in de kerk keer op keer weer leren geloven: Gods kennis over ons – en dat we vanuit de vrijheid die we hier binnengaan spreken tot de mensen om ons heen. Ons geluk is dat we gevonden zijn, leert de Gewone Catechismus in antwoord 1. Dat uitleggen is niet zo eenvoudig, er zijn allerlei bezwaren, tegenwerpingen en karikaturen denkbaar. Maar overtuigender dan een uitleg lijkt me een leven in de vrijheid: ik ben niet de regisseur van mijn eigen geluk, ik maak mezelf niet en hoef niet te zoeken in mijn fotogalerij op dagen dat ik mezelf kwijt ben. Ik mag me bergen in dat genadige weten van God – en dan hoor ik dingen die ikzelf niet bedacht zou hebben.

Doortje Smithuijsen, Gouden bergen. Portret van de digitale generatie (Amsterdam: De Bezige Bij, 2020).
Karl Barth, Gottes Gnadenwahl (Theologische Existenz Heute Heft 47) (München: Chr. Kaiser Verlag, 1936).
Michael Beintker, Rechtfertigung in der neuzeitlichen Lebenswelt. Theologische Erkundungen (Tübingen: Mohr Siebeck, 1998).

Dr. C.C. den Hertog is docent systematische theologie/publieke theologie aan de TUA en lid van de redactie van Kontekstueel. Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

  • Hits: 205